RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2026 in de zaak tussen
[naam], eiser,
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 26/12380 en NL26.41940
Geboren op [geboortedatum],
Van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en
evenals
(gemachtigde: mr. D.J. Halbesma).
Procesverloop
1. Het COa heeft op 27 juni 2026 besloten om eiser in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). De minister heeft bij besluit van 27 juni 2026 aan eiser de maatregel van vrijheidsbeperking opgelegd (de vrijheidsbeperkende maatregel) als bedoeld in artikel 56 van de Vw.
Eiser heeft tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft hierbij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft de vrijheidsbeperkende maatregel op 13 juli 2026 opgeheven omdat het recht op opvang van eiser is geëindigd.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Wat ging er aan het plaatsingsbesluit vooraf?
2. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – kort samengevat – het volgende. Op 25 juni 2026 heeft zich een incident voorgedaan op de COa-locatie in Budel Cranendonck. Eiser weigerde gevolg te geven aan een opdracht van een COa-medewerker om de infobalie te verlaten. Hierop zei eiser tegen de medewerker “nik a mok”, waarbij hij een handgebaar richting haar maakte. Een beveiligingsmedewerker vroeg hierop eiser naar een spreekkamer te gaan en legde daarbij een hand op zijn rug. Eiser liet zijn sleutels vallen, die de beveiligingsmedewerker voor hem oppakte. Eiser begon vervolgens te schelden, en keek de beveiligingsmedewerker op een intimiderende wijze aan. De beveiligingsmedewerker pakte eiser bij zijn arm om hem naar de spreekkamer te begeleiden. Eiser pakt hierop de kraag van de beveiligingsmedewerker vast. Hierop ontstond een worsteling tussen eiser en de beveiligingsmedewerker. De COa-medewerker probeerde tussen beide te komen en riep meer COa-medewerkers op voor hulp. Hierop kwamen meerdere beveiligingsmedewerkers ter plaatse die probeerden eiser van de beveiligingsmedewerker af te krijgen. Eiser verzette zich met kracht en sloeg hierbij met zijn armen en gebalde vuisten om zich heen en schopte met zijn benen. Op het moment dat eiser de medewerker losliet greep hij de medewerker naar zijn keel en hield deze met kracht vast. Eiser werd uiteindelijk naar de grond gebracht en de situatie werd gecontroleerd. Het COa heeft vervolgens de politie gebeld. Eiser begon te spugen en te schelden. Hierop deden de beveiligingsmedewerkers het shirt van eiser over zijn hoofd, zodat hij niet in hun richting zou spugen. Eiser noemde vervolgens de beveiligingsmedewerker bij naam en dreigde in het Engels hem te vermoorden. Het COa heeft het incident gekwalificeerd als een incident met zeer grote impact, omdat eiser het doel had de beveiligingsmedewerker fysieke schade toe te brengen en hem ernstig te bedreigen en kleineren. Het COa heeft HTL-plaatsing noodzakelijk geacht.
Verslaglegging
3. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren brengt onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. Uit de verslaglegging blijkt voldoende duidelijk dat eiser zich verbaal agressief heeft uitgelaten tegenover de COa- medewerker en de beveiligingsmedewerker. Eisers enkele stelling dat hij niet tegen de COa-medewerker aan het praten was, maar dit heeft gezegd tegen degene met wie hij aan het bellen was, is onvoldoende voor een ander oordeel. De stelling van eiser dat dus het maken van een handgebaar onvoldoende is om aan het plaatsingsbesluit ten grondslag te worden gelegd volgt de rechtbank dan ook niet. Dat eiser de instructie van de COa-medewerker om het pand te verlaten heeft opgevolgd volgt de rechtbank ook niet. Uit de verslaglegging blijkt dat de beveiligingsmedewerker eiser de opdracht had gegeven om naar de spreekkamer te gaan. Dat de beveiligingsmedewerker het fysieke contact – te weten het pakken bij de arm – heeft geïnitieerd klopt, maar dat leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit fysieke contact is namelijk geen vrijbrief voor eiser om de beveiligingsmedewerker uit te schelden of bij de kraag te grijpen. Eiser stelling dat hij aan de beveiligingsmedewerker heeft gevraagd “waarom raak je me aan?”, volgt de rechtbank ook niet. Uit de verslaglegging blijkt dat eiser de beveiligingsmedewerker heeft uitgescholden en dat zij uiteindelijk in een worsteling zijn beland, waarbij eiser om zich heen heeft geschopt en geslagen met gebalde vuisten. Dit heeft eiser ook niet betwist. Daarnaast heeft eiser niet betwist dat hij de beveiligingsmedewerker naar de keel heeft gegrepen. Dat eiser enkel zou spugen vanwege het volstromen van zijn mond met bloed leidt de rechtbank ook niet tot een ander oordeel. Uit de verslaglegging blijkt dat eiser de medewerkers uitschold en in hun richting spuugde. Eiser heeft de stelling dat hij krachtig reageerde vanwege zijn epilepsie niet onderbouwd. Deze stelling leidt de rechtbank daarom niet tot een ander oordeel. Tot slot heeft eiser niet betwist dat hij de beveiligingsmedewerker met de dood heeft bedreigd.
Heeft het COa het incident terecht aangemerkt als een incident met zeer grote impact?
4. De rechtbank is van oordeel dat het COa het incident terecht heeft aangemerkt als een gedraging met zeer grote impact. Van een incident met zeer grote impact is, zoals volgt uit het Maatregelenbeleid van het COa, sprake wanneer het gaat om agressie en geweld met als doel de ander ernstige fysieke schade toe te brengen of met als doel de ander ernstig te kleineren of te bedreigen. In eisers geval gaat het om het uiten van doodsbedreigingen richting COa-medewerkers en het gebruik van geweld tegen COa-medewerkers. Daarbij overweegt de rechtbank dat het gaat om de intentie en niet om het effect van het gedrag. De rechtbank volgt eiser, gelet op het hiervoor overwogene, niet in de stelling dat sprake is van een incident met geringe impact. Dat eiser niet is meegenomen door de politie maakt de kwalificatie van het incident niet anders. Het wel of niet worden meegenomen of aangehouden door de politie doet niet af aan de ernst van het incident en is geen voorwaarde voor een HTL-plaatsing. Omdat sprake is van een incident met zeer grote impact is één incident voldoende voor plaatsing op de HTL.
Heeft het COa terecht geen aanleiding gezien voor het opleggen van een lichter middel?
5. De rechtbank is van oordeel dat het COa voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat wordt afgezien van het opleggen van een lichter middel. De rechtbank overweegt dat het GZA op 25 juni 2026 heeft aangegeven dat er geen bezwaar is om eiser over te plaatsen naar de HTL. Daarnaast meldt het bestreden besluit dat eiser zal worden begeleid naar passende zorg. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan het GZA-akkoord of dat het COa nader onderzoek had moeten verrichten naar de medische situatie van eiser.
Is eiser zonder rechtstitel in zijn vrijheid beperkt?
6. Eiser betoogt dat hij zonder rechtstitel in zijn vrijheid is beperkt voor de duur van twee dagen. Eiser stelt dat hij op 25 juni 2026 is aangekomen op de HTL, maar de vrijheidsbeperkende maatregel dateert van 27 juni 2026. Uit de door de minister overgelegde verklaring vrijwillig verblijf blijkt niet of gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk.
Het COa stelt zich op het standpunt dat eiser op 26 juni 2026 is aangekomen op de HTL en op diezelfde datum een verklaring vrijwillig verblijf heeft getekend. Het COa stelt dat bij het voorleggen van een verklaring vrijwillig verblijf aan een bewoner door de HTL de tolkenlijn acolad wordt gebeld en dat de verklaring op een voor de bewoner begrijpelijke taal wordt voorgelezen.
De rechtbank stelt vast dat eiser op 26 juni 2026 op de HTL is geplaatst, gelet op de ondertekening van de verklaring vrijwillig verblijf, terwijl het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel op 27 juni 2026 zijn opgelegd. Dit maakt dat eiser feitelijk twee dagen zonder rechtstitel in zijn vrijheid is beperkt. Eiser heeft immers (een gedeelte van die) twee dagen verbleven onder het beperkende regime dat geldt voor vreemdelingen die in de HTL verblijven, en zonder dat de daarbij behorende vrijheidsbeperkende maatregel was genomen. Dat voor eiser een ander regime – vergelijkbaar met een AZC – gold gedurende deze dag is gesteld noch gebleken. De omstandigheid dat eiser een verklaring voor vrijwillig verblijf heeft ondertekend, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank wijst ten aanzien van dit punt op haar eerdere uitspraken. De vraag of het voorleggen van een verklaring vrijwillig verblijf met behulp van een beëdigde tolk heeft plaatsgevonden is niet relevant voor het oordeel over beperking van de vrijheid zonder rechtstitel. De rechtbank gaat ervan uit dat er daarom sprake is van een beperking in de bewegingsvrijheid die immateriële schade tot gevolg heeft. Die schade is geringer dan bij een vrijheidsontnemende maatregel. Dat eiser maar voor een korte duur zonder rechtstitel in de HTL is verbleven, doet naar het oordeel van de rechtbank niet aan af aan het voorgaande. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiser immateriële schade heeft geleden van € 35,00 per dag die hij ten onrechte gedurende (een gedeelte van) twee dagen, namelijk op 26 juni 2026 en 27 juni 2026, in zijn bewegingsvrijheid is beperkt, zodat aanleiding bestaat om de Staat der Nederlanden te veroordelen tot vergoeding aan eiser van een totaalbedrag aan schade van € 70,00.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond voor zover het de verzochte schadevergoeding betreft voor de dagen die eiser zonder rechtstitel in zijn vrijheid is beperkt. Voor het overige is het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het plaatsingsbesluit mocht nemen en ook de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mocht opleggen. Eiser krijgt, gelet op wat is overwogen onder 6.2, een schadevergoeding van € 70,-.
De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond voor zover eiser feitelijk zonder rechtstitel in zijn vrijheid is beperkt;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 70,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier, op 12 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van het proces-verbaal. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.