ECLI:NL:RBDHA:2026:30105

ECLI:NL:RBDHA:2026:30105

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-10-2026
Datum publicatie 12-10-2026
Zaaknummer NL26.58338
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Bewaring – artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw – eerste beroep – buiten zitting – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.58338

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. N. van Bremen)

en

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 30 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 9 oktober 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Beslissing

Voortraject

1. Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiser op 30 september 2026 om 09:50 uur overgenomen vanuit een strafrechtelijk voortraject en vervolgens vreemdelingenrechtelijk opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw. Eiser voert hierover aan dat niet blijkt wanneer de strafrechtelijke vrijheidsbeneming is begonnen en geëindigd, op welke grond eiser precies was aangehouden en of de overgang naar het vreemdelingrechtelijke traject rechtmatig en zonder onnodige vertraging heeft plaatsgevonden.

2. De bewaringsrechter is niet bevoegd om over het strafrechtelijk voortraject te oordelen. Uit de door verweerder overgelegde stukken over het voortraject blijkt dat eiser om 06:40 uur slapend op straat is aangetroffen, zich niet kon legitimeren en vervolgens is aangehouden op grond van overtreding van artikel 447E van het Wetboek van Strafrecht. Na zijn voorgeleiding aan de (hulp)officier van justitie is eiser om 09:50 uur heengezonden en vreemdelingenrechtelijk overgenomen. Aldus is er geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is geweest van een verkapt vreemdelingenrechtelijk staande houden en ophouden.

De maatregel van bewaring

3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. Ook blijft de vreemdelingenbewaring achterwege of wordt de vreemdelingenbewaring beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. De vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

4. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland. Tegen hem is op 15 november 2024 een terugkeerbesluit uitgevaardigd. De maatregel berust hiermee dan ook op een juiste grondslag.

5. In de maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat een onderduikrisico bestaat. Daartoe heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6. De rechtbank stelt vast dat deze gronden feitelijk juist zijn en, voor zover nodig, voldoende zijn toegelicht Dit betekent dat de gronden voldoende zijn om de maatregel te dragen en het risico op onderduiken gegeven is.

7. Dat, zoals door eiser is aangevoerd, de gronden zijn toegelicht met feiten en omstandigheden die in het algemeen ook van toepassing kunnen zijn op andere vreemdelingen doet aan voorgaande vaststelling niets af. Niet is gebleken van concrete redenen waarom in het geval van eiser geen onttrekkingsrisico kan worden aangenomen. In het bijzonder kan eiser in dit verband niet beroepen op – overigens niet verder onderbouwde – eerdere aanhoudingen waarop geen vreemdelingenrechtelijke bewaring is gevolgd.

Lichter middel

8. Verweerder heeft met verwijzing naar de van eiser verkregen verklaringen voldoende weten te motiveren dat een onttrekkingsrisico bestaat en dat een lichter middel niet volstaat om dat risico te ondervangen. Eisers suggestie dat hij zou kunnen verblijven op een aangewezen locatie, zoals de [kerk] te [plaats] , van waaruit hij begeleid zou kunnen worden, miskent dat eiser hiermee niet onder direct toezicht staat van verweerder. Gegeven het aan te nemen onttrekkingsrisico zal dat dan niet leiden tot het daadwerkelijke vertrek van eiser uit Nederland.

Evenredigheid

9. Ook is in de maatregel van bewaring terecht geconcludeerd dat bewaring in dit geval niet onevenredig bezwarend is.

10. Eiser stelt in dit verband dat de persoonlijke omstandigheden onvoldoende zijn onderzocht en dat het gehoor niet zorgvuldig is afgerond. Eiser vindt in het bijzonder dat een onvoldoende medische controle heeft plaatsgevonden en dat in de maatregel onvoldoende is gereageerd op zijn psychische toestand en zijn uitingen over zelfdoding.

11. Uit het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat eiser is gevraagd naar zijn persoonlijke situatie, waaronder zijn gezondheidstoestand. Eiser is daarbij uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om aan te geven waarom volgens hem de maatregel van bewaring achterwege zou moeten blijven. Eiser heeft hierop geen concrete feiten of omstandigheden gesteld die hiervoor aanknopingspunten bieden. Het verloop van het gehoor heeft verweerder geen aanleiding hoeven geven om hierover nadere vragen te stellen. Pas nadat het gehoor is afgerond en eiser mondeling de beslissing verneemt om hem in vreemdelingenbewaring te stellen, wordt eiser boos, roept hij dat hij zichzelf dood zal maken en dat hij in honger- en dorststaking gaat en maakt hij daarbij wurggebaren.

Deze emotionele uiting doet echter niet af aan de volledigheid van het gehoor van eiser daarvóór. Ook is op dat moment niet gebleken van de noodzaak van verder medisch onderzoek vanwege een acute psychische crisis zoals eiser suggereert. Ten slotte heeft verweerder over eventuele medische zorgbehoefte van eiser terecht opgemerkt dat volwaardige medische zorg beschikbaar is in detentie.

Conclusie

12. Nu de rechtbank overigens geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is, is het beroep hiertegen is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 12 oktober 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Biyikli, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.F.I. Sinack

Griffier

  • mr. B. Biyikli

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand