RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.2118 (beroep) en NL23.22365 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. B. Aydin),
en
(gemachtigde: mr. S. Imami).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige’. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit niet in stand kan blijven omdat verweerder bij het handhaven van het eerder opgelegde terugkeerbesluit en het opleggen van het inreisverbod een actuele beoordeling had moeten maken van de gevolgen daarvan voor het belang van de kinderen en het familie- en gezinsleven van eiser. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 5 augustus 2022 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ ingediend. Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit van 6 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en heeft hij het primaire besluit aangevuld met het opleggen van een inreisverbod.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op 17 november 2025 een verweerschrift ingediend.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Ook waren eisers echtgenote en twee van zijn kinderen op de zitting aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
3. Eiser is geboren op [datum 1] 1992 en heeft de Turkse nationaliteit. In 2010 is aan hem een verblijfsvergunning verleend in het kader van gezinshereniging met zijn vader, geldig tot 29 juli 2015. Op 30 juni 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend om wijziging van het verblijfsdoel van de verblijfsvergunning in ‘niet tijdelijke humanitaire gronden’. Deze aanvraag is op 31 december 2015 afgewezen en daarbij is de verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken. Eisers bezwaar hiertegen is door verweerder ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vervolgens eisers beroep ongegrond verklaard en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Eiser heeft een verzoek tot heroverweging van het besluit van 31 december 2015 ingediend. Dit verzoek is door verweerder afgewezen. De rechtbank heeft eisers beroep hiertegen ongegrond verklaard. Vervolgens heeft eiser in totaal zes aanvragen voor een verblijfsvergunning met het doel arbeid als zelfstandige bij ‘ [bedrijf 1] ’ ingediend. Op 5 augustus 2022 heeft eiser de hier aan de orde zijnde nieuwe aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met het doel arbeid als zelfstandige bij het bedrijf ‘ [bedrijf 2] ’.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen omdat eiser niet heeft voldaan aan het documentatievereiste zoals vastgelegd in paragraaf B6/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en bijlage 8aa van het Voorschrift Vreemdelingen (VV). Om die reden heeft verweerder de aanvraag niet ter advisering aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) voorgelegd. Het ondernemingsplan van eiser voldoet namelijk niet aan de daarvoor gestelde eisen en is onvoldoende met stukken onderbouwd. Verweerder heeft eisers bezwaar tegen het besluit kennelijk ongegrond verklaard en eiser daarom niet gehoord in bezwaar. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit erop gewezen dat het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit van 31 december 2015 nog steeds geldig is en aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Het belang van het kind en familie- en gezinsleven in de zin van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn
5. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij door het inreisverbod zal worden beperkt in zijn familieleven in de zin van artikel 8 EVRM. Ter onderbouwing van zijn familieleven heeft eiser verwezen naar twee brieven van de GGD van respectievelijk 14 november 2023 en 14 november 2025.
In de brief van 14 november 2023 staat het volgende:
“Graag zouden we gezin [achternaam] , wonende aan de [adres] , onder de aandacht willen brengen. (…) Vanuit het consultatiebureau willen we graag melden dat het gezin erg gemotiveerd is om in Nederland te blijven. Ze werken hard en willen een goede toekomst opbouwen voor hun kinderen. Ouders komen trouw op de afspraken op het consultatiebureau, zijn erg betrokken bij het welzijn van de kinderen en zoeken hulp waar nodig bij ons en bij externe partijen. Daarnaast volgen ouders onze adviezen op en volgen alle kinderen het complete vaccinatieprogramma van de Rijksoverheid.”
En de brief van 14 november 2025:
“Gezin [achternaam] woont al geruime tijd in Nederland ( [adres] ).
Hebben inmiddels 5 kinderen, [voornaam 1] [achternaam] ( [datum 2] -2018), [voornaam 2] [achternaam] ( [datum 3] -201 9),
[voornaam 3] [achternaam] ( [datum 4] -2021), [voornaam 4] [achternaam] ( [datum 5] -2023) en [voornaam 5] [achternaam] ( [datum 6] -2024).
Ouders zorgen goed voor de kinderen en komen alle afspraken op het consultatiebureau
na. Het is wel een belemmering dat ze niet verzekerd kunnen zijn omdat ze geen
verblijfsvergunning hebben. Zo kunnen ze niet met de kinderen naar de logopediste oftandarts.
Moeten hier altijd zelf voor betalen. Het zou fijn zijn als ouders een verblijfsvergunning krijgen, zodat ze goed verzekerd zijn, vooral in het belang van de kinderen.”
In het verlengde hiervan en met aanvulling van de rechtsgronden heeft de rechtbank op de zitting (recente) jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) over artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn aan de orde gesteld. In deze bepaling is neergelegd dat bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn de lidstaten rekening houden met a) het belang van het kind; b) het familie- en gezinsleven; c) de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land en dat de lidstaten het beginsel van non-refoulement eerbiedigen. In verschillende uitspraken heeft het Hof het belang van toetsing aan artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn benadrukt. Zo overweegt het Hof in X/Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Medicinale cannabis)als volgt: 88 In de tweede plaats moet evenwel worden opgemerkt dat het hoofddoel van richtlijn 2008/115 erin is gelegen om een doeltreffend verwijderings en terugkeerbeleid te ontwikkelen, zoals volgt uit de overwegingen 2 en 4 daarvan, met volledige eerbiediging van de grondrechten en de waardigheid van de betrokkenen (arrest van 19 juni 2018, Gnandi, C181/16, EU:C:2018:465, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89 Hieruit volgt dat de lidstaten bij de uitvoering van richtlijn 2008/115, ook wanneer zij voornemens zijn een terugkeerbesluit of een verwijderingsmaatregel vast te stellen ten aanzien van een illegaal op hun grondgebied verblijvende derdelander, de door het Handvest aan die derdelander toegekende grondrechten moeten eerbiedigen (arrest van 11 juni 2015, Zh. en O., C554/13, EU:C:2015:377, punt 69).
90 Dat geldt onder meer voor het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie en gezinsleven van die derdelander, zoals gewaarborgd door artikel 7 van het Handvest. Dit recht, dat de verwijzende rechter specifiek heeft aangeduid in zijn vierde vraag, komt overeen met het in artikel 8 EVRM verankerde recht, zodat hieraan dezelfde inhoud en reikwijdte moet worden toegekend [arrest van 18 juni 2020, Commissie/Hongarije (Transparantie van verenigingen), C78/18, EU:C:2020:476, punt 122 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
91 In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat artikel 5, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2008/115 zich ertegen verzet dat een lidstaat een terugkeerbesluit vaststelt zonder rekening te houden met de relevante aspecten van het familie en gezinsleven van de betrokken derdelander [arrest van punt 1048 mei 2018, K.A. e.a. (Gezinshereniging in België), C82/16, EU:C:2018:308,].
Daarna heeft het Hof in de arresten Ararat en Adrardeze eerdere jurisprudentie verder uitgewerkt ten aanzien van het in artikel 5 neergelegde verbod op refoulement. Daaruit en de over Ararat door de Afdeling gedane uitspraak volgt dat verweerder bij het nemen van een terugkeerbesluit op basis van wat een vreemdeling aanvoert en op basis van het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde beoordeling moet maken. Verweerder heeft dus een vergewisplicht en kan niet zonder geactualiseerde beoordeling op basis van de hem bekende feiten naar een eerder opgelegd terugkeerbesluit verwijzen. In het arrest Adrar verwijst het Hof naar haar hiervoor aangehaalde vaste rechtspraak en herhaalt dat – kort gezegd – alle autoriteiten gedurende de gehele periode van tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening moeten houden met de in artikel 5 van deze richtlijn genoemde belangen.
De rechtbank stelt vast dat verweerder op het moment van het nemen van het besluit op bezwaar niet heeft onderzocht of beoordeeld of de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen aan de orde zijn en mogelijk aan handhaving van het eerder opgelegde terugkeerbesluit en het daarop gebaseerde inreisverbod in de weg staan. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor geciteerde brief van de GGD van 14 november 2023, die in bezwaar is overgelegd, wel voldoende aanknopingspunten biedt dat eiser in Nederland een gezin heeft met (jonge) kinderen. Voor zover verweerder van mening was dat dit nader had moeten worden onderbouwd, had het volgens de hiervoor aangehaalde jurisprudentie op de weg van verweerder gelegen hier nader onderzoek naar te doen. Zoals overwogen in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 2 juni 2025 volgt dat ook uit de jurisprudentie van het Hof ten aanzien van artikel 24, tweede lid, van het Handvest. Nu verweerder dit heeft nagelaten bevat het bestreden besluit op dit punt een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.
Uit het voorgaande volgt dat geen sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar. Verweerder had in bezwaar de gevolgen van het eerder opgelegde terugkeerbesluit en het daarop gebaseerde inreisverbod voor de belangen van de kinderen en het familieleven moeten onderzoeken en eiser daar in bezwaar over moeten horen.
6. Het beroep is al hierom gegrond.
Verweerder heeft op zitting verzocht om, indien door de rechtbank een gebrek op dit punt wordt vastgesteld, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op dit punt in stand te laten, omdat eiser het familie- en gezinsleven onvoldoende heeft onderbouwd en geen sprake is van een inbreuk daarop omdat eiser wist dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland had en desondanks een gezin heeft gesticht. Dit komt voor rekening en risico van eiser. Wat betreft de kinderen van eiser, stelt verweerder dat het aan eiser was om te onderbouwen dat het voor zijn kinderen schadelijk zou zijn als zij zouden moeten terugkeren naar Turkije.
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder niet. Zoals hiervoor al overwogen volgt uit de jurisprudentie van het Hof dat het aan verweerder is om, bij handhaving van een eerder opgelegd terugkeerbesluit en het op basis daarvan opleggen van een inreisverbod, een actuele beoordeling te maken van de in dat artikel genoemde belangen en dat hij daarbij een onderzoeksplicht heeft. Ook had verweerder eiser moeten horen, nu geen sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar. Van in stand lating van de rechtsgevolgen kan daarom geen sprake zijn.
De rechtbank komt daarom ook niet toe aan beoordeling van de overige beroepsgronden.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2, 3:46 en 7:2 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak en eiser daaraan voorafgaand moeten horen over de belangen van zijn kinderen en zijn familieleven en hem zo nodig in de gelegenheid moeten stellen dit nader te onderbouwen. De rechtbank zal zich daarom niet uitlaten over de beroepsgronden die tegen de tegenwerping van het documentatievereiste zijn gericht. Omdat eiser nog moet worden gehoord, geeft de rechtbank verweerder voor het nemen van een nieuw besluit een termijn van tien weken.
8. Nu er op het beroep wordt beslist, is een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom afwijzen.
9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 18 december 2024;
- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek af;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. O'Sullivan, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.