ECLI:NL:RBDHA:2026:30145

ECLI:NL:RBDHA:2026:30145

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer NL25.61072
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

AA, biseksuele geaardheid, gegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.61072

(gemachtigde: mr. T. Thissen),

en

(gemachtigde: mr. D.A.H. de Laat).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag). Verweerder heeft met het besluit van 8 december 2025 (het bestreden besluit) de asielaanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser krijgt een inreisverbod van twee jaar opgelegd en het terugkeerbesluit van 12 juni 2024 blijft staan.

De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen [naam tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser heeft de Jordaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]. Hij heeft de opvolgende asielaanvraag op 3 september 2024 ingediend.

Eiser heeft op 18 mei 2024 een eerste asielaanvraag ingediend in Nederland. Hieraan heeft hij – samengevat weergegeven – ten grondslag gelegd dat hij voor zijn voorgenomen huwelijk toestemming heeft gevraagd aan zijn stam. De belangrijkste stamleden hebben hier negatief op geantwoord en eiser met de dood bedreigd. Daarop zijn eiser en zijn toenmalige partner uit Jordanië vertrokken. De toenmalige partner van eiser heeft de Duitse nationaliteit, is van Koerdische afkomst en woont in Duitsland.

Bij besluit van 12 juni 2024 heeft verweerder eisers eerste asielaanvraag afgewezen. Verweerder heeft de problemen vanwege het (voorgenomen) huwelijk met de vrouw van Koerdische afkomst ongeloofwaardig geacht. Bij uitspraak van 6 augustus 2024, zaak NL24.25006, heeft deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, het door eiser hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak heeft eiser geen hoger beroep ingesteld, waarmee de afwijzing van zijn eerste asielaanvraag definitief is geworden.

Huidige asielaanvraag

2. Eiser heeft op 3 september 2024 een tweede asielaanvraag ingediend. Over deze aanvraag gaat deze beroepsprocedure. Aan deze opvolgende asielaanvraag heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is biseksueel en zijn geaardheid wordt niet geaccepteerd in zijn land van herkomst. Bij terugkeer vreest eiser voor zijn leven.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. Biseksuele geaardheid.

Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De biseksuele geaardheid acht verweerder ongeloofwaardig.

Eiser kan volgens verweerder op grond van de geloofwaardig geachte identiteit, nationaliteit en herkomst niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Evenmin loopt hij bij terugkeer naar Jordanië een reëel risico op ernstige schade. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat het een opvolgende aanvraag betreft die niet niet-ontvankelijk is.

Beroepsgronden

4. Eiser voert – in de kern – de volgende beroepsgronden aan. Het bestreden besluit berust op een gebrekkige motivering. Er zijn goede redenen waarom eiser zijn seksuele geaardheid pas in de tweede asielprocedure naar voren heeft gebracht. Ook heeft eiser voldoende verklaard over zijn biseksuele geaardheid en over zijn ontdekking hiervan en de omgang ermee. Dat eiser seks heeft gehad met mannen in het land van herkomst betekent niet dat hij beter moet kunnen uitleggen waarom hij het moeilijk vindt om in Nederland over zijn biseksuele geaardheid te praten. Verweerder motiveert ook niet waarom uit het asielrelaas blijkt dat eiser zich voordat hij verliefd werd op [persoon A] had moeten realiseren dat hij biseksueel is. Dat eiser zich al langer bewust is van zijn biseksuele geaardheid maakt ook niet dat hij hier gemakkelijk over kan praten; eiser heeft daar moeite mee en de door verweerder gehanteerde ‘regel’ volgt niet uit werkinstructie 2019/17. De motivering van verweerders standpunt over eisers relaties met mannen is gebrekkig. Ten slotte is ook de motivering van verweerder dat eiser in Nederland onderzoek had moeten doen naar de situatie van de LHBTI gemeenschap in Jordanië vaag en gebrekkig.

Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij sinds ongeveer zes maanden meer naar buiten treedt met zijn geaardheid en dat die in ontwikkeling is; het zou kunnen dat eiser zichzelf uiteindelijk gaat identificeren als panseksueel.

Het oordeel van de rechtbank

5. Over het aanvoeren van de seksuele geaardheid in de opvolgende asielaanvraag overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij niet eerder heeft verklaard dat hij biseksueel (of panseksueel) is. Het is om verschillende redenen begrijpelijk dat het voor eiser moeilijk kon zijn om zijn seksuele geaardheid naar voren te brengen. Eiser voerde in zijn vorige asielprocedure aan dat hij een relatie had met een vrouw en problemen had vanwege die relatie. Daarnaast wordt het aangaan van relaties met mensen van hetzelfde geslacht niet geaccepteerd in Jordanië en de andere landen waar eiser heeft gewoond. Verder werd eiser in Nederland vaak overgeplaatst, wat het volgens hem niet gemakkelijker maakte om over zijn gevoelens te verklaren. Desondanks heeft verweerder deze verklaringen van eiser voor de gang van zaken terecht niet voldoende geacht. Verweerder werpt eiser terecht tegen dat, wanneer eiser stelt te vrezen voor zijn leven vanwege zijn biseksuele geaardheid en hij om die reden bescherming vraagt in Nederland, in beginsel verwacht mag worden dat hij daar bij zijn eerste asielaanvraag over verklaart. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem bij zijn eerste aanvraag redelijkerwijs niet mogelijk was, maar kort daarna bij zijn tweede aanvraag wel. Niet valt in te zien dat het asielmotief biseksualiteit pas na de afwijzing van de eerste asielaanvraag een kwestie van leven en dood is geworden, zoals eiser stelt. Uit de verklaringen van eiser volgt dat hij naar eigen zeggen al lang wist dat hij in het land van herkomst vermoord kon worden vanwege zijn geaardheid. Verweerder hoefde de gestelde relatie van eiser, die nu verbroken zou zijn, niet mee te wegen in de beoordeling. Deze relatie is in de vorige procedure namelijk ongeloofwaardig geacht. De hierop betrekking hebbende beroepsgronden slagen niet.

6. Over eisers onderzoek naar de situatie van de LHBTI gemeenschap in Jordanië overweegt de rechtbank het volgende.

Verweerder merkt in het bestreden besluit op dat niet in het nadeel van eiser is meegewogen dat eiser geen onderzoek heeft gedaan naar LHBTI in Jordanië, maar verweerder had dit wel in zijn voordeel kunnen meewegen als eiser dat onderzoek wel had gedaan. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat het bestreden besluit op dit punt niet juist is. Omdat er voldoende andere argumenten zijn die de afwijzing van de asielaanvraag kunnen dragen, ziet verweerder geen reden om een gebrek in de besluitvorming aan te nemen. Eiser is het daar niet mee eens: volgens hem is er sprake van een motiveringsgebrek.

In het voornemen merkt verweerder op dat eiser al vanaf 12- of 13-jarige leeftijd homoseksuele contacten zou hebben gehad. Nu eiser op 32 jarige leeftijd naar Nederland is gekomen, lag het in de rede dat hij zich zou oriënteren op de positie van LHBTI’ers in Jordanië. Verweerder merkt in het bestreden besluit op dat de redenen waarom eiser geen onderzoek heeft gedaan naar de positie van LHBTI in zijn land van herkomst niet overtuigen en dat niet valt in te zien dat eiser niet met terugwerkende kracht informatie had kunnen vergaren over de situatie van LHBTI in Jordanië. Om die reden handhaaft verweerder het voornemen op dit punt. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt niet anders kan worden gelezen dan dat verweerder in het nadeel van eiser heeft meegewogen dat eiser geen onderzoek heeft gedaan naar de positie van LHBTI in Jordanië. Gelet hierop en omdat verweerder deze tegenwerping ter zitting heeft laten vallen, is de rechtbank met eiser van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt niet deugdelijk is gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

7. Over eisers verklaringen overweegt de rechtbank verder het volgende.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers verklaringen over zijn gestelde seksuele geaardheid oppervlakkig zijn. Eiser verklaart weinig over zijn gevoelens. Zo verklaart eiser in antwoord op vragen hierover dat hij, toen hij zeker wist dat hij op jongens en meisjes viel, een gevoel tussen liefde en angst ervoer. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt dat eiser hiermee oppervlakkig en vaag heeft verklaard. Echter, eiser verklaart op andere momenten tijdens dat gehoor wel uitgebreider en duidelijker over zijn angst. Zo verklaart eiser volgens bladzijde 9 van het Verslag gehoor opvolgende aanvraag dat hij zijn hele leven in angst heeft geleefd en verklaart eiser volgens bladzijden 26 en 27 van het hetzelfde verslag nader over deze angst. Ook ter zitting verklaart eiser, wanneer gevraagd wordt naar zijn gevoelens, overigens vooral over deze angst. Gelet hierop heeft verweerder zich niet zonder nadere toelichting op het standpunt kunnen stellen dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over zijn gevoelens, omdat eiser wel relatief veel heeft verklaard over zijn angst. Ook dat is een gevoel dat kan ontstaan bij ontdekking van de door eiser gestelde seksuele geaardheid, gegeven de maatschappij waarin hij toen leefde. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond slaagt in zoverre.

8. Over eisers LHBTI-gerelateerde activiteiten in Nederland overweegt de rechtbank het volgende.

Voorafgaand aan de zitting heeft eiser foto’s en whatsappberichten overgelegd waaruit blijkt dat eiser aanwezig is bij groepsactiviteiten met LHBTI organisaties, dat eiser via [organisatie] te [locatie] is gekoppeld aan een LHBTIQ+ buddy en dat eiser in contact staat met LHBTI’ers. Ook heeft eiser een verklaring overgelegd van [persoon B], daterend van 18 augustus 2026. Uit deze verklaring blijkt dat eiser een relatie is aangegaan met [persoon C]. Deze informatie dateert van na het bestreden besluit en ziet, zoals eiser ter zitting desgevraagd heeft verklaard, vooral op ontwikkelingen in het afgelopen half jaar. Sinds ongeveer een half jaar treedt eiser naar eigen zeggen meer naar buiten met zijn seksuele geaardheid en ontwikkelt deze zich verder, mogelijk in de richting van panseksualiteit.

Omdat deze ontwikkelingen na het bestreden besluit hebben plaatsgevonden, kan verweerder niet worden verweten dat hij deze niet bij de besluitvorming heeft betrokken. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat iedereen naar deze activiteiten toe zou kunnen gaan, dit is volgens verweerder niet voldoende om de gestelde geaardheid te onderbouwen. Hiermee heeft verweerder onvoldoende toegelicht waarom de door eiser overgelegde verklaringen en foto’s en zijn toelichting daarop onvoldoende zijn om alsnog uit te gaan van de door eiser gestelde seksuele geaardheid. Gelet hierop en gezien wat de rechtbank in 6.1 en 7.1 heeft overwogen ligt het in de rede dat verweerder alle stukken en verklaringen opnieuw en in samenhang beoordeelt. Gezien de ontwikkelingen van het afgelopen half jaar en nu het gehoor opvolgende aanvraag dateert van 18 november 2024, ligt het voor de hand dat verweerder eiser aanvullend hoort als hij overweegt de asielaanvraag opnieuw af te wijzen, in ieder geval over de ontwikkeling die eiser in Nederland stelt te hebben doorgemaakt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

10. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, nu verweerder de gebreken in het bestreden besluit niet in de beroepsfase heeft hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het eerst aan verweerder is om de geloofwaardigheid van de gestelde seksuele geaardheid van eiser opnieuw te beoordelen, mede op grond van de recente nieuwe informatie. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, aangezien dit, gelet op de aard van de gebreken, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser.

11. Omdat het beroep gegrond is, bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. Dommerholt, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B. van Velzen

Griffier

  • mr. J. Dommerholt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand