[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Portugal verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stond ten tijde van het indienen van het verzoek om internationale bescherming in de Dublinverordening. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening, maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (Amb-verordening). Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Portugal een verzoek om overname gedaan. Portugal heeft dit verzoek aanvaard.
Mocht de minister gebruikmaken van een niet-registertolk tijdens het aanmeldgehoor?
5. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd waarom hij gebruik heeft gemaakt van een niet-registertolk. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank van 2 september 2025. Uit het verslag van het gehoor blijkt dat er aanzienlijke onduidelijkheid bestond over essentiële elementen van eisers asielrelaas. Zo is er sprake van grote verwarring over eisers exacte verblijfsrechtelijke positie in Portugal, over de aard en geldigheid van zijn Portugese (verblijfs)documenten en over de actuele formele status van zijn Portugese asielprocedure. Dit betreffen exact de kerngegevens die noodzakelijk zijn voor een zorgvuldige en rechtmatige Dublinbeoordeling. De minister had nader moeten onderzoeken en motiveren waarom de kwaliteit van de vertolking voldoende was gewaarborgd.
De rechtbank overweegt dat de minister op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) uitsluitend gebruikmaakt van beëdigde tolken (registertolken) of vertalers. Op grond van het derde lid kan, in afwijking van het eerste lid, gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is, als wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is óf als het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat. Als van het gebruik van een beëdigde tolk wordt afgezien, dan moet dit op grond van het vierde lid van artikel 28 van de Wbtv met redenen omkleed schriftelijk worden vastgesteld.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het rapport aanmeldgehoor heeft vermeld dat gebruik is gemaakt van een niet-registertolk in de taal Mandingo, omdat er geen registertolk beschikbaar is in die taal. Ook op de zitting heeft de minister toegelicht dat er geen geregistreerde tolken in de taal Mandingo beschikbaar zijn, zoals in het rapport aanmeldgehoor en in het bestreden besluit is vermeld. De rechtbank is van oordeel dat met deze vermelding is voldaan aan de motiveringseis van artikel 28, vierde lid, van de Wbtv. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van de door de minister verstrekte informatie, dat er geen registertolk is, te twijfelen. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat uit de openbaar toegankelijke website van het Bureau Wet beëdigde tolken en vertalers blijkt dat er geen registertolken zijn ingeschreven voor het Mandingo dat in Gambia wordt gesproken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken dat eiser de niet-registertolk niet heeft kunnen verstaan of zijn verhaal onvoldoende naar voren heeft kunnen brengen. Eiser heeft zowel aan het begin van het aanmeldgehoor als aan het einde aangegeven dat hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat eiser door het gebruik van een niet-registertolk in zijn belangen is geschaad. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Mag de minister voor Portugal uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Eiser betoogt dat hij bij overdracht aan Portugal een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling. De minister heeft zich dan ook onzorgvuldig en ondeugdelijk op het standpunt gesteld dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft onvoldoende meegenomen dat eiser in dit verband concrete en op zijn persoon betrekking hebbende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij als alleenstaande minderjarige jarenlang in Portugal heeft verbleven en direct na het bereiken van de meerderjarigheid de opvangvoorzieningen moest verlaten. Eiser heeft ook verklaard dat hij vervolgens dakloos is geraakt en feitelijk op straat heeft moeten overleven, geen toegang meer kreeg tot enige vorm van opvang of basisvoorzieningen en geen reële mogelijkheden had om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien door het ontbreken van werk. De minister heeft ten onrechte nagelaten om hier feitelijk onderzoek naar te verrichten en heeft daarmee niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Verder voert eiser aan dat de minister in het geheel niet heeft onderzocht, noch concreet heeft gemotiveerd, waar eiser na de feitelijke overdracht in Portugal zal worden gehuisvest. Dat geldt ook voor de vragen of eiser daadwerkelijk en drempelloos toegang zal krijgen tot de opvangvoorzieningen voor Dublinterugkeerders, of eiser aanspraak kan maken op noodzakelijke materiële en financiële ondersteuning en of eiser effectieve toegang krijgt tot de verdere asielprocedure en rechtsbijstand. Ook voert eiser aan dat de minister objectieve landeninformatie onvoldoende kenbaar heeft beoordeeld in relatie tot eisers relaas. Uit het meest recente AIDA-rapport over Portugal (update 2024 van september 2025) blijkt dat het Portugese opvangsysteem en de betrokken maatschappelijke organisaties al langere tijd onder zware druk staan, wat heeft geleid tot ernstige operationele en financiële tekortkomingen. Eiser is verder van mening dat van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij ter plaatse een klacht indient bij exact dezelfde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de schending van zijn rechten en zijn eerdere feitelijke dakloosheid.
De rechtbank overweegt dat de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Portugal een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 4 van het EU Handvest, of als de minister daarvan niet onkundig kan zijn. Deze tekortkomingen moeten dan een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van het geval.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Portugal. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
Uit de AIDA-rapporten, updates 2023 en 2024, volgt dat er problemen zijn met toegang tot opvangvoorzieningen, er sprake is van procedurele tekortkomingen en asielzoekers in het algemeen worden geconfronteerd met de nodige moeilijkheden. Hieruit blijkt echter niet dat de algemene situatie voor Dublinterugkeerders in Portugal zó slecht is dat zij structureel, op grote schaal en voor langere periodes het reële risico lopen dat zij daadwerkelijk geen toegang hebben tot fundamentele behoeften. In dat kader is van belang dat in paragraaf 2.7, The situation of Dublin returnees, op pagina 79 van het AIDA-rapport, update 2024, is opgenomen dat Dublinterugkeerders in de praktijk geen relevante of systematische obstakels ondervinden bij de toegang tot de Portugese opvang- en asielprocedure. Dat betekent dat er in beginsel geen sprake is van zodanige systeemfouten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest.
De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser geen feiten of omstandigheden heeft gesteld of objectieve gegevens heeft overgelegd die wijzen op een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling bij overdracht aan Portugal. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Aan eisers verklaringen over zijn eerdere ervaring met de asiel- en opvangsystemen in Portugal kan weinig betekenis worden gegeven, nu eiser wordt overgedragen als Dublinclaimant. Bovendien hebben de Portugese autoriteiten met het claimakkoord van 27 april 2026 gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Het ligt op de weg van eiser om bij eventuele tekortkomingen te klagen bij de Portugese autoriteiten. De stelling van eiser dat van hem niet kan worden verwacht dat hij een klacht indient bij dezelfde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de schending van zijn rechten en zijn eerdere feitelijke dakloosheid, maakt dat niet anders. Niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister toepassing moeten geven aan de hardheidsclausule?
7. Eiser betoogt verder dat de minister op discretionaire gronden de asielaanvraag op zich had moeten nemen. De minister heeft nagelaten om de door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang en cumulatieve effect te beoordelen. Daarbij had de minister het volgende moeten meenemen: eisers langdurige verblijf in Portugal als alleenstaande minderjarige, het abrupte verlies van opvang en begeleiding direct na het bereiken van de meerderjarigheid, zijn daaropvolgende feitelijke dakloosheid en het moeten overleven op straat, het volledig ontbreken van een sociaal netwerk of opvangnetwerk in Portugal, het ontbreken van familieleden of naasten in Portugal, het structurele gebrek aan huisvesting en reële toegang tot basale opvangvoorzieningen, het ontbreken van werk of andere legale middelen om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien en de grote feitelijke onzekerheid over zijn huidige verblijfsrechtelijke en procedurele status in Portugal.
De rechtbank overweegt dat een lidstaat op grond van de hardheidsclausule onverplicht de behandeling van een asielaanvraag aan zich kan trekken. Dit doet de minister onder meer als er concrete aanwijzingen zijn dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt en indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt, wat betekent dat zijn beroepsgrond niet slaagt. Op grond van vaste rechtspraak mocht de minister voor de beoordeling of sprake is van niet-nakoming van internationale verplichtingen door Portugal of onevenredige hardheid van de overdracht van eiser aan Portugal volstaan met een verwijzing naar die eerdere beoordeling, zonder deze omstandigheden opnieuw afzonderlijk te wegen. De minister heeft zich ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat verder niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die overdracht onevenredig hard maken. De omstandigheid dat eiser eerder slechte ervaringen heeft gehad nadat hij meerderjarig werd, maakt niet dat de minister de asielaanvraag aan zich had moeten trekken. Eiser heeft immers wel opvang en begeleiding genoten. En zoals eerder overwogen door de minister, zal hij als Dublinclaimant weer worden toegelaten tot de asielprocedure. Bij eventuele problemen met zijn asielprocedure in Portugal mag van eiser worden verwacht dat hij een klacht indient bij de overheid of daarover procedeert. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is, dat de Portugese autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen of dat vragen om hulp of procederen bij voorbaat zinloos is.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid vanmr.B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.