RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.58778
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 27 juli 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 7 oktober 2026.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 september 2026 (in de zaak NL26.49486) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag lag, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 2 september 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 2 september 2026 tot 7 oktober 2026.
Ambtshalve toetsing
3. Eiser heeft de rechtbank in zijn reactie van 7 oktober 2026 verzocht om ambtshalve de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel te toetsen en aangegeven
zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.
4. Nu eiser zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank zijn er geen beroepsgronden die kunnen leiden tot de conclusie dat het voortduren van de bewaring onrechtmatig is te achten. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
5. De rechtbank overweegt verder dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank evenmin grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig was. Uit de voortgangsreportage blijkt namelijk dat verweerder in de te beoordelen periode tweemaal schriftelijk heeft gerappelleerd over de laissez-passer aanvragen bij de Libische, Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten en dat er een vertrekgesprek is gevoerd met eiser. De rechtbank is verder van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in het algemeen, of in het bijzonder in het geval van eiser, is komen te ontbreken. De rechtbank wijst erop dat op eiser de verplichting rust om medewerking te verlenen aan zijn terugkeer. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 29 september 2026 blijkt dat eiser geen inspanningen heeft geleverd ten aanzien van zijn terugkeer en het vaststellen van zijn identiteit. De langere duur van de inbewaringstelling komt dan ook voor zijn rekening en risico.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.