uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres],
geboren op [geboortedag] 1994, van Marokkaanse nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. S. Karami),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. A. Sloots).
Inleiding
1. Met het primaire besluit van 11 februari 2025 heeft de minister de aanvraag van eiseres om de afgifte van een visum kort verblijf afgewezen.
Met het bestreden besluit van 4 september 2025 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
De rechtbank heeft het beroep op 21 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. D. Bijlhout als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiseres heeft op 31 januari 2025 een aanvraag ingediend voor de afgifte van een visum voor kort verblijf. Zij wenst namelijk haar achternicht, [referente] (hierna: referente) te bezoeken in Nederland.
3. In het primaire besluit heeft de minister de aanvraag van eiseres afgewezen op de gronden dat (i) het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en (ii) er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten.
4. Met het bestreden besluit heeft de minister deze afwijzingsgronden gehandhaafd. Omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is, heeft de minister afgezien van het horen van eiseres
5. In het verweerschrift heeft de minister aangegeven dat eiseres niet langer wordt tegengeworpen dat zij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf gelet op artikel 32, onder a en ii), van de Visumcode niet heeft aangetoond. De minister handhaaft enkel de afwijzingsgrond dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten.
Beoordeling door de rechtbank
Vrijstelling van het griffierecht
6. Eiseres heeft het verzoek gedaan om van de betaling van griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank heeft dit verzoek voorlopig toegewezen. Eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.
Beoordeling van het beroep
7. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag voor een visum kort verblijf op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Toetsingskader
8. Een visumaanvraag voor kort verblijf wordt onder andere afgewezen als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Bij het onderzoek of daar twijfel over bestaat, komt de minister een ruime beoordelingsruimte toe. De minister kent bij zijn beoordeling een bijzonder gewicht toe aan de vaststelling of is gebleken van zodanige economische en/of sociale binding van de aanvrager met het land van herkomst dat een tijdige terugkeer daarmee voldoende gewaarborgd is.
Het is aan de aanvrager om de documenten over te leggen die de minister nodig heeft om een aanvraag te kunnen beoordelen. Dit volgt uit artikel 14, eerste lid en artikel 32, eerste lid, van de Visumcode. Voor aanvragen van een visum voor kort verblijf hanteert de minister een checklist. Op die checklist staat vermeld welke documenten een aanvrager moet overleggen.
Economische binding met Marokko
9. Eiseres stelt zich op het standpunt dat uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat zij economische binding met Marokko heeft. Eiseres exploiteert sinds 2017 haar eigen cosmetische boetiek, waar zij schoonheids- en verzorgingsproducten verkoopt. Zij ontvangt dagelijks klanten in haar winkel en voert deze onderneming zelfstandig. Uit haar onderneming genereert eiseres haar maandelijkse inkomsten.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door eiseres overgelegde stukken blijkt dat eiseres in 2025 een onderneming heeft ingeschreven in Marokko en dat zij is geregistreerd bij de Marokkaanse belastingdienst waar zij in 2024 ongeveer € 114,- aan belasting heeft afgedragen. Hieruit blijkt echter niet, zoals de minister terecht heeft vastgesteld, of deze onderneming winst of verlies draait en wat het maandelijkse inkomen van eiseres is. Op basis van deze stukken kan dus ook niet worden geconcludeerd dat eiseres een dusdanig inkomen heeft dat een economische binding met Marokko moet worden aangenomen en dat een tijdige terugkeer naar Marokko gewaarborgd is. Eiseres heeft in beroep ook geen nadere stukken overgelegd ter onderbouwing van haar economische binding met Marokko.
Sociale binding met Marokko
10. Eiseres stelt dat ze wel degelijk een sociale binding met Marokko heeft. Eiseres is geboren en getogen in Marokko. Zij draagt de zorg voor haar ouders en woont met hen samen. In de Marokkaanse cultuur is het vanzelfsprekend dat de kinderen voor de ouders zorgen als zij dat zelf niet meer kunnen. Als eiseres de zorg niet op zich neemt, zullen de ouders aan hun lot worden overgelaten. Verder heeft eiseres er bewust voor gekozen om (nog) niet te trouwen of kinderen te nemen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende sociale binding heeft met Marokko. Eiseres heeft niet met (medische) bewijsstukken onderbouwd dat zij verantwoordelijk is voor de zorg van haar ouders. Ook is niet gebleken dat niemand anders voor de ouders van eiseres zou kunnen zorgen bij het wegblijven van eiseres. De minister heeft bij de beoordeling in aanmerking mogen nemen dat eiseres ongehuwd is en geen kinderen heeft. Zij draagt dus niet de verantwoordelijkheid voor een eigen gezin. Daarnaast is ook niet gebleken dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiseres zouden dwingen tijdig naar Marokko terug te keren.
11. Gelet op het bovenstaande heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende sociale en economische binding met het land van herkomst heeft, dat een tijdige terugkeer gewaarborgd te achten is.
Hoorplicht
12. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangevoerd dat eiseres ten onrechte niet is gehoord in bezwaar en dat de minister de hoorplicht heeft geschonden.
De minister mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht slechts van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op hetgeen is aangevoerd en overgelegd in bezwaar, is de rechtbank van oordeel dat de minister mocht concluderen dat een hoorzitting in het geval van eiseres niet tot een andere uitkomst had geleid. De minister heeft dan ook mogen afzien van het horen van eiseres.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk heeft en dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Zij krijgt dan ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.