ECLI:NL:RBDHA:2026:30149

ECLI:NL:RBDHA:2026:30149

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-10-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer NL26.38396 en NL26.38397
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

AMbV Oostenrijk. De rechtbank passeert het geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht omdat eiser daardoor niet in zijn belangen is geschaad. Verder is geen reden voor het oordeel dat ten aanzien van Oostenrijk niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het beroep is ongegrond en de vovo wordt afgewezen. Eiser krijgt wel een pkv-vergoeding.

Uitspraak

[eiser],

geboren op [geboortedag] 2002, van Turkse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. M.A. Krikke)

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Inleiding

1. Bij besluit van 7 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de

aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling

genomen op de grond dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en daarnaast verzocht

om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij de beslissing op het beroep

in Nederland mag afwachten.

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 25 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, M.A.A. Priem als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden eiser zijn asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is en dat de voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Besluitvorming

3. Eiser heeft op 15 mei 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 7 juli 2026 niet in behandeling genomen, omdat de autoriteiten van Oostenrijk volgens de minister verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uit Eurodac is namelijk gebleken dat eiser in Oostenrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Daarom heeft Nederland op 16 juni 2026 de autoriteiten van Oostenrijk verzocht eiser terug te nemen. Op 23 juni 2026 zijn de autoriteiten van Oostenrijk hiermee akkoord gegaan.

Is het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid?

4. Allereerst stelt eiser zich op het standpunt dat de minister ten onrechte zijn aanvraag heeft behandeld met toepassing van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMbV) en, met name, dat eiser in strijd met artikel 5 van de Dublinverordening geen persoonlijk onderhoud heeft gehad, noch een voornemen waarop hij kon reageren. Eiser betwist dat hij een uitnodiging voor het gehoor heeft ontvangen. Op 4 juni 2026 kwam hij er te laat achter dat hij die dag zou worden gehoord. Hij was daarvan niet vooraf op de hoogte. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat bewoners van het AZC via informatieschermen op de hoogte worden gehouden of er post of een bericht is. Eiser heeft ook op deze informatieschermen gekeken maar zijn naam stond op 3 juni 2026 niet op het bord. Hierdoor was hij dus niet op de hoogte dat hij op 4 juni 2026 een gehoor zou krijgen. Op 4 juni 2026 is eiser naar het [plaats] gegaan voor boodschappen. Bij terugkomst zag eiser zijn naam op het bord staan. Toen hij hiernaar informeerde werd hem medegedeeld dat het al te laat was om nog op het gehoor te verschijnen. Eiser heeft verzocht om een nieuw gehoor maar dit ten onrechte niet gekregen.

De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser heeft aanvraag ingediend vóór 12 juni 2026, wat betekent dat ten tijde van de aanvraag de Dublinverordening van toepassing was. Op grond van artikel 5 van de Dublinverordening had eiser gehoord moeten worden. De minister stelt dat eiser met een loopbrief is uitgenodigd voor een gehoor op 4 juni 2026. In het dossier zit geen uitreikingsbrief of een ander stuk waaruit blijkt dat eiser de uitnodiging heeft ontvangen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat eiser in strijd met de toen geldende wet- en regelgeving niet is uitgenodigd voor een gehoor. De rechtbank acht dit onzorgvuldig.

Na 12 juni 2026 heeft de minister de regels onder de AMbV toegepast op de aanvraag van eiser. De minister stelt zich op het standpunt dat uit paragraaf 1.3.4 van de openbare werkinstructie WI 2026/17 volgt dat de algemene regel is dat in terugnamezaken niet wordt gehoord. Er wordt wel een kennisgeving gestuurd om de vreemdeling te informeren naar welk land hij moet terugkeren.

De verplichting tot een persoonlijk onderhoud (ook wel: gehoor) is in artikel 22 van de AMbV beperkt tot overnameverzoeken. In dit geval is sprake van een terugnameprocedure. Dat neemt echter niet weg dat de minister het besluit, waarin eiser wordt geïnformeerd dat hij wordt overgedragen aan Oostenrijk (het overdrachtsbesluit), zorgvuldig moet voorbereiden. Dat vloeit voort uit het algemene zorgvuldigheidsbeginsel. Daarbij moet eiser daadwerkelijk in de gelegenheid worden gesteld eventuele bezwaren tegen die overdracht naar voren te brengen.

De rechtbank oordeelt dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren naar voren te brengen. De AMbV schrijft niet voor dat de minister eiser een termijn gunt om voorafgaand aan het besluit zijn bezwaren kenbaar te maken. De minister heeft er terecht op gewezen dat in het dossier de kennisgeving tot terugname van 16 juni 2026 zit (het claimverzoek) en de bevestiging van die kennisgeving door Oostenrijk van 23 juni 2026. Dat heeft eiser niet betwist. Vanaf dat moment was dus duidelijk dat de minister van plan was eiser over te dragen aan Oostenrijk. Bovendien heeft de minister eiser er op 16 juni 2026 met een algemene informatiebrief uitdrukkelijk op gewezen dat het aan hem was om bezwaren tegen de overdracht aan te voeren. Uit artikel 42, eerste lid, van de AMbV volgt dat het overdrachtsbesluit uiterlijk twee weken na de bevestiging van de kennisgeving moest worden genomen. Daarmee was eiser bekend met de (maximale) termijn om bezwaren aan te voeren. Die termijn is naar het oordeel van de rechtbank lang genoeg. Het besluit is ook daadwerkelijk twee weken na de bevestiging van de kennisgeving genomen, en niet eerder. Eiser heeft dus voldoende gelegenheid gehad om zijn bezwaren voorafgaand aan het nemen van het besluit aan te voeren. Het besluit is voldoende zorgvuldig voorbereid en de beroepsgrond slaagt niet.

De rechtbank passeert het in 4.1 geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht omdat eiser daardoor niet in zijn belangen is geschaad. Dat volgt uit hetgeen in 4.4 is overwogen.

Kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel met Oostenrijk?

5. Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat ten aanzien van Oostenrijk niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft verzocht om een termijn te krijgen om landeninformatie over Oostenrijk te kunnen indienen. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Uit het bestreden besluit is duidelijk dat eiser zal worden overgedragen aan Oostenrijk. Als hij het daar niet mee eens is, bijvoorbeeld omdat hij van mening is dat Oostenrijk het interstatelijk vertrouwensbeginsel schendt, had eiser dit in beroep kunnen en moeten aanvoeren en onderbouwen. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar na de zitting nog ruimte voor te bieden.

De rechtbank betrekt bij het beroep op de schending van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dus alleen eisers eigen verklaringen. Op de zitting heeft eiser verteld wat hem is overkomen. Op 20 augustus 2024 is eiser uit Turkije vertrokken en naar Servië gegaan om vanuit daar te proberen de Europese Unie binnen te komen. Er was een groep Afghanen die zei dat ze mensen smokkelden en zij hebben eiser meegenomen naar Hongarije. Zij hebben eiser naar een bos gebracht van waaruit hij naar Oostenrijk kon gaan. Aan de grens heeft de groep Afghanen al eisers privéspullen afgenomen en hem geslagen. Eenmaal in Oostenrijk is eiser meegenomen door soldaten en vastgezet op een plek die leek op een gevangenis. De omstandigheden waren er niet goed en zijn rechten werden niet geëerbiedigd. Hij heeft daar drie tot vijf dagen vastgezeten. Daarna is hij naar een centrum in Wenen gebracht waar de situatie heel slecht was. Eiser heeft daar meer dan een maand verbleven zonder dat zijn asielprocedure werd behandeld. Ook is hem nooit verteld waarom hij is aangehouden. Uiteindelijk moest eiser voor een rechtbank verschijnen. Na drie dagen werd door de politie een groot aantal documenten aan eiser overhandigd. Er was slechts één document in het Turks. Daarin stond dat eiser het land moest verlaten. Ook werd eiser onder druk gezet door de politie om een document te tekenen, maar hij heeft dit niet gedaan omdat hij het niet kon lezen. Hierna moest eiser Oostenrijk verlaten en is hij naar Frankrijk gegaan.

De rechtbank overweegt als volgt. De minister mag er in het algemeen op vertrouwen dat de lidstaten die partij zijn bij de Dublinverordening en de AMbV – waaronder ook Oostenrijk – hun internationale verplichtingen nakomen. Dit betekent dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van eiser na overdracht aan Oostenrijk in overeenstemming is met de bepalingen uit het EVRM, het Handvest en het Vluchtelingenverdrag. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan omdat de asielprocedure in Oostenrijk een fundamentele systeemfout bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt als bedoeld in het arrest Jawo.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. De Afdeling heeft de afgelopen jaren meerdere keren geoordeeld dat ten aanzien van Oostenrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De door eiser aangevoerde omstandigheden maken niet dat de asielprocedure in Oostenrijk een fundamentele systeemfout bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt. Eisers verklaringen zien allereerst voor een deel op het handelen van de mensensmokkelaars en zijn reis tot aan Oostenrijk. De rechtbank kan begrijpen dat deze omstandigheden voor eiser traumatiserend zijn geweest, maar deze kunnen geen rol spelen bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Voor zover zijn verklaringen zien op de wijze waarop hij in Oostenrijk is behandeld, is niet gebleken dat eiser hierover bij de autoriteiten heeft geklaagd of dat dit voor hem niet mogelijk was. Daar komt bij dat Oostenrijk het terugnameverzoek heeft geaccepteerd en hierdoor heeft gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen. Als eiser in Oostenrijk wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, dan ligt het op zijn weg hierover bij de Oostenrijkse autoriteiten te klagen. Niet is gebleken dat klagen bij de Oostenrijkse autoriteiten niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. Er is daarom geen reden voor het oordeel dat ten aanzien van Oostenrijk niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond.

7. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

8. Vanwege het in 4.1 geconstateerde gebrek veroordeelt de rechtbank de minister wel in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.38396,

- verklaart het beroep ongegrond.

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.38397,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank, in alle zaken:

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand