[eiseres], eiseres en verzoekster
geboren op [geboortedag] 1950, van Marokkaanse nationaliteit, hierna: eiseres
(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres, gericht tegen de afwijzing van haar aanvraag om een verblijfsvergunning en haar verzoeken om voorlopige voorzieningen.
Procesverloop
Op 14 juni 2023 heeft eiseres een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk op grond van haar privéleven conform artikel 8 EVRM.
Met het besluit van 22 augustus 2023 heeft de minister de aanvraag van eiseres afgewezen en aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd. Eiseres heeft tegen de afwijzing bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening om de werking van het besluit te schorsen.
Met het besluit van 30 januari 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en opnieuw verzocht om een voorlopige voorziening.
De zaken zijn op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiseres, de gemachtigde van eiseres, M. Bourik (tolk in de taal Arabisch), [de persoon 1] (vertrouwenspersoon van [stichting]), [de persoon 2] (bestuurslid [stichting]) en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
Waar gaat de zaak over?
2. Eiseres verblijft naar eigen zeggen sinds 1991 in Nederland. Zij vertelt hierover dat zij door een oom naar Nederland is gehaald en toen een periode bij hem heeft verbleven, voor hem heeft moeten werken en door hem is misbruikt. Eiseres is daarna op straat beland. Vanaf 14 oktober 1993 was eiseres in het bezit van een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar toenmalige Nederlandse echtgenoot die zij in Nederland heeft leren kennen. Deze vergunning is op 4 oktober 1994 ingetrokken na de verbreking van het huwelijk. Eiseres is naar eigen zeggen uit het huwelijk gestapt, omdat zij mishandeld werd door zowel haar echtgenoot als zijn kinderen. Eiseres zegt hier veel psychische klachten aan over te hebben gehouden. Eiseres heeft daarna nooit meer rechtmatig verblijf gehad in Nederland en is jaren dakloos geweest. Op dit moment beschikt eiseres nog steeds niet over een vaste woning, maar wordt zij opgevangen bij een opvanglocatie.
3. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen – in stand gelaten in bezwaar – omdat eiseres niet beschikt over de vereiste machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Het geschil gaat in deze zaak over de vraag of eiseres had moeten worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. In het bijzonder vanwege haar medische omstandigheden, omdat haar uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM, of op grond van de hardheidsclausule.
Vrijstelling mvv-vereiste vanwege medische gronden
4. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, als het gelet op de gezondheidssituatie van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen of als er binnen drie tot zes maanden bij het uitblijven van behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan. Het ligt daarbij op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat zij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van het mvv-vereiste.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres vanwege haar gezondheidssituatie niet vrijgesteld kan worden van het mvv-vereiste. Hoewel eiseres in de bezwaarfase stukken heeft overgelegd die volgens de minister blijk geven van haar medische situatie, heeft zij nagelaten een (geldige) toestemmingsverklaring van een behandelend arts over te leggen. Om die reden is de gezondheidssituatie van eiseres niet onderzocht door het BMA en niet meegenomen in de besluitvorming. Eiseres meent dat de minister op grond van de overgelegde stukken voldoende medische stukken in bezit had om het BMA om advies te vragen. In het bijzonder verwijst eiseres naar de inhoud van het rapport van de geriater van Kruispost.
De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen afzien van het opvragen van een advies aan het BMA. De rechtbank overweegt dat het voor eiseres voldoende duidelijk was welke stukken nodig waren voor een beroep op haar medische omstandigheden. In de aanvraagfase heeft zij niet gereageerd op de herstelverzuim brief, waarin concreet stond vermeld welke stukken overgelegd moesten worden. In de bezwaarfase heeft eiseres nagelaten de toestemmingsverklaring over te leggen waar de minister herhaaldelijk per e-mail om heeft verzocht. Voorgaande staat ook specifiek opgenomen in het bestreden besluit. Reeds omdat eiseres niet de daarvoor vereiste stukken heeft overgelegd kon de minister het BMA niet vragen om de gezondheidssituatie van eiseres nader te onderzoeken. Het niet opsturen van medische stukken komt voor rekening en risico van eiseres. Te meer omdat eiseres vertegenwoordigd wordt door een gemachtigde. Onder deze omstandigheden heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat geen reden bestond om eiseres vrijstelling te verlenen van het mvv-vereiste op medische gronden.
8 EVRM en de hardheidsclausule
5. De vreemdeling van wie uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM is vrijgesteld van het vereiste van een geldige mvv. Verder wijst de IND de aanvraag van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af wegens het ontbreken van een geldige mvv als dit leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).
Eiseres voert aan dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ten onrechte in haar nadeel is uitgevallen. De minister heeft onvoldoende betrokken dat zij volledig geïntegreerd is in de Nederlandse samenleving, een groot sociaal netwerk heeft en vrijwilligerswerk heeft verricht. Ook heeft de minister onvoldoende betrokken dat zij niet meer terug kan naar Marokko nu zij verwesterd is en geen familie of netwerk meer heeft in Marokko. Eiseres heeft eerder een verblijfsvergunning gehad, woont het grootste gedeelte van haar leven in Nederland en is thans meer dan 75 jaar oud. Eiseres heeft dan ook geen banden meer met Marokko en is ook niet meer in staat om een leven in Marokko op te bouwen.
De minister stelt zich op het standpunt dat de belangenafweging deugdelijk gemotiveerd in het nadeel van eiseres is uitgevallen. Eiseres is pas rond haar 40e naar Nederland gekomen en daarom gaat de minister ervan uit dat eiseres nog steeds bekend is met de taal, cultuur en gebruiken en dus nog banden met Marokko heeft. Eiseres heeft de gestelde belemmeringen om terug te keren naar Marokko niet aannemelijk gemaakt. Afgezien van het vrijwilligerswerk, wordt aan de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen gewicht toegekend. Zo ziet de minister de uitgebreide kennissenkring niet als beschermingswaardige activiteit, maar als inherent aan langdurig verblijf. Bovendien zijn dit banden opgebouwd tijdens onrechtmatig verblijf. Ook de werkzaamheden in het café weegt de minister niet mee. Verder weegt de minister zwaar in eiseres haar nadeel mee dat zij al meer dan 30 jaar zonder rechtmatig verblijf in Nederland is. Samengenomen weegt het belang van de Nederlandse overheid zwaarder dan het belang van eiseres. Tot slot is volgens de minister geen sprake van onredelijke hardheid.
De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat sprake van privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Tussen partijen is de belangenafweging die de minister in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen in geschil. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM en van de hoogste bestuursrechter volgt dat er een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds, en het Nederlandse algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. De rechtbank moet beoordelen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken. Deze maatstaf impliceert verder dat de rechter de door de minister gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend moet toetsen.
Daarnaast volgt uit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter dat privéleven, opgebouwd tijdens illegaal verblijf in Nederland, alleen in uitzonderlijke gevallen kan leiden tot een verplichting tot het laten voortzetten van dat privéleven. De binding met Nederland die door langdurig onrechtmatig verblijf hier te lande ontstaat, is verder niet voldoende om een schending van privéleven aan te nemen. Daarvoor moeten de banden die een vreemdeling met Nederland is aangegaan de gebruikelijke banden overstijgen. In het kader van die belangenafweging moet de minister ook beoordelen of vestiging van de vreemdeling in het land van herkomst een ‘certain degree of hardship’ met zich brengt.
De rechtbank is, enigszins terughoudend toetsend, van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. Hierbij is het volgende redengevend. Eiseres verblijft al sinds 1991 in Nederland. Hoewel hiervan slechts een korte periode rechtmatig was, kan de minister bij een dusdanig lang verblijf niet zonder nadere motivering betogen dat geen waarde wordt gehecht aan de banden opgebouwd tijdens illegaal verblijf. Te meer nu eiseres nooit is aangezegd om te vertrekken. Eiseres heeft aangevoerd dat zij geen familie of vangnet meer heeft in Marokko. Dit wordt door de minister ook niet betwist. Daarnaast is eiseres dus al ruim 35 jaar in Nederland en speelt haar leven zich in deze tijd uitsluitend in Nederland af. Inmiddels is zij 76 jaar oud. Dat er dus niet tot nauwelijks meer banden met Marokko zijn, is niet onaannemelijk. De minister heeft zich er vervolgens onvoldoende rekenschap van gegeven dat eiseres in ernstig verwarde toestand verkeert, zoals de vertegenwoordiger van de minister ook op de zitting bij de rechtbank heeft kunnen waarnemen. De ernstig verwarde toestand levert een zeer sterke indicatie op dat eiseres – zoals de geriater ook schrijft in zijn rapport (zie hieronder) – maatschappelijk teloor gaat als zij moet terugkeren naar Marokko.
Dit wordt verder bevestigd in het door eiseres overlegde rapport van Kruispost. Dit rapport heeft de minister in zijn geheel niet betrokken bij de besluitvorming. Hoewel de rechtbank, zoals eerder overwogen, volgt dat de minister het BMA niet om advies heeft gevraagd ten aanzien van een vrijstelling op medische gronden, kan de minister de inhoud van het rapport niet geheel naast zich neerleggen in het kader van de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM en de afweging die in het kader van de hardheidsclausule moet worden gemaakt.
Het rapport van Kruispost bevat onder meer de volgende passages:
Psychisch
Angst en paniekaanvallen met labiel affect die haar beperken in de interactie met anderen en waardoor maatschappelijke teloorgang. Alleen met geduldige hulpverleners lukt het zichzelf te handhaven. Er zijn symptomen van sociale- en agorafobie.
Functioneel Begeleiding nodig bij inname medicatie, waarbij controle noodzakelijk, daarbij kan ze zich niet handhaven buiten de regelmaat en rust die hulpverleners creëren. Voor vervoer afhankelijk van hulpverleners. Planning en angst lijkt de beperkende factor.
Overwegingen
De beperkte cognitieve stoornis en angst en paniek symptomen beperken haar in het dagelijks leven en dan met name t.a.v. het plannen van haar leven daar waar dit de directe ADL zorg overtreft. Ze kan niet zonder begeleiding zich in het dagelijks leven handhaven. Er is onvoldoende overzicht en ziekte-inzicht.
Beleid
Patiënt zal aangewezen zijn op begeleiding rondom plannen van haar eigen leven en zonder begeleiding dreigt opnieuw maatschappelijke teloorgang. Een woonvorm met begeleiding en structuur kan dit voorkomen, waarbij verpleeghuiszorg noodzakelijk zal blijven. Ik verwacht geen verbetering hierin. Gezien de angst en paniek met sociale- en agora fobische angsten lijkt GGZ wonen met intensieve begeleiding en gedragsregulering (WLZ GGZ profiel 3) of GGZ wonen met intensieve begeleiding en intensieve verpleging en verzorging (WLZ GGZ profiel 4) de beste keuze.
De rechtbank ziet hierin een indicatie dat terugkeer naar Marokko in ieder geval een certain degree of hardship met zich meebrengt. Eiseres is een, zoals gezegd, oude en zeer hulpbehoevende vrouw die veel hulp en zorg nodig heeft. De rechtbank wijst hierbij specifiek op de passage waaruit volgt dat eiseres zich zonder dagelijkse begeleiding niet kan handhaven en zonder begeleiding maatschappelijke teloorgang dreigt. Het netwerk dat haar ondersteunt heeft zij min of meer voor zichzelf opgebouwd in Nederland. In Marokko heeft zij dit netwerk niet en uit het rapport en het beeld op zitting blijken genoeg aanknopingspunten dat zij ook niet meer in staat is om dit voor zichzelf op te bouwen in Marokko. Het standpunt van de minister dat geen sprake is van belemmeringen om terug te keren volgt de rechtbank zonder nadere motivering dan ook niet.
Nu niet alle omstandigheden zijn meegenomen in de belangenafweging en de minister heeft nagelaten de inhoud van genoemd rapport te betrekken in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM, maar ook in het kader van de toets aan de hardheidsclausule, zal de minister, rekening houdend met deze feiten en omstandigheden, een nieuwe beoordeling moeten maken. Daarbij moet de minister voorgaande overwegingen betrekken. De rechtbank doet de minister de aanbeveling om ook de indruk op de zitting hierin mee te nemen.
Conclusie
Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, een bestuurlijke lus toe te passen of zelf in de zaak te voorzien. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
Aangezien de rechtbank nu heeft beslist op het beroep, is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek daarom af (NL23.35814). Dit betreft het verzoek, ingediend hangende bezwaar, wat is omgeklapt in de beroepsfase. Het verzoek geregistreerd onder procedure nummer NL25.8227 is in feite per abuis ingeschreven aangezien er al een voorlopige voorziening procedure liep. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Er hoeft geen griffierecht te worden vergoed.
Ten overvloede
8. Ten overvloede overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres maakte op de zitting een uiterst kwetsbare en zeer verwarde indruk. Zij werd, ondersteund door twee maatschappelijk werkers en zittend op haar rollator, de zittingszaal binnengereden. Eiseres was vervolgens niet in staat om consequent in het Arabisch met de tolk te communiceren, maar leek zelf niet te begrijpen dat zij wisselde tussen het Arabisch en Berbers en werd boos op de tolk. Te meer door de toelichting van de maatschappelijk werker dat eiseres zelf vaak niet meer inziet dat er iets aan de hand is. De rechtbank vraagt zich in deze context ten zeerste af wat van haar gevraagd kan worden en of het opnieuw afwijzen van een verblijfsvergunning een besluit is dat een behoorlijk handelend bestuursorgaan kan nemen.
Beslissing
De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.8225:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter in de zaken geregistreerd onder nummer NL23.35814 en NL25.8227
- wijst de verzoeken af.
De rechtbank in alle zaken:
- veroordeelt de minister in vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. van Egmond, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.