[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1978, van Syrische nationaliteit, eiser,
(gemachtigde: mr. F. Boone)
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als ongegrond.
Bij besluit van 8 april 2026 (bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, H. Salem als tolk in het Syrisch-Arabisch en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de asielaanvraag van eiser heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond en asielrelaas
3. Eiser heeft verklaard dat hij de Syrische nationaliteit heeft en tot de Arabische bevolkingsgroep behoort. Eiser heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser stelt niet terug te kunnen naar Syrië. Eiser heeft voor 2011 problemen met zijn twee broers en neven gehad over een stuk land. Tijdens de burgeroorlog weigerde hij net als andere stamleden/wijkgenoten met zijn broers en neven te vechten met gewapende groeperingen. Dit nemen zijn broers en neven eiser en de andere stamleden kwalijk. Eind 2011 heeft eiser een week in detentie gezeten waarbij hij namen van zijn stamleden heeft bevestigd tegenover een medewerker van de veiligheidsdienst van de oude regering. Zijn moeder heeft dit telefonisch aan zijn broers laten weten. Eiser is op 27 september 2023 vertrokken uit Syrië vanwege de algemene situatie daar. Na zijn vertrek uit Syrië hebben er vijf invallen plaatsgevonden gericht tegen hem. Dit zou gedaan zijn door zijn stamleden, waaronder zijn broers en neven, omdat hij wordt gezien als verrader. Zijn broers zouden werkzaam zijn voor de huidige regering en onderdeel van een gewapende groepering. Eiser vreest bij terugkeer door zijn stamleden te worden vermoord. Daarom heeft hij op 2 december 2023 asiel aangevraagd in Nederland.
Besluitvorming en het standpunt van de minister in beroep
4. De minister heeft de volgende asielmotieven onderscheiden:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen van eiser met zijn stam, waaronder zijn broers.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen van eiser met zijn stam, waaronder zijn broers, acht de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen onvoldoende onderbouwd met objectieve documenten. Daarom heeft de minister de geloofwaardigheid getoetst aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vw. De verklaringen van eiser vormen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel.
Verder is eiser volgens de minister geen vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Het feit dat eiser uit Syrië komt is op zichzelf namelijk niet genoeg om een vluchteling te zijn. Ook is het feit dat hij uit Syrië komt op zichzelf niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen. De minister neemt voor Syrië een relatief lager niveau van willekeurig geweld aan. Dit geldt dus ook voor de provincie [plaats] waar eiser vandaan komt. Dat betekent dat eiser persoonlijke omstandigheden moet aanvoeren op grond waarvan hij meent dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van dit geweld. Eiser is hier niet in geslaagd nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij problemen met zijn stam zal krijgen bij terugkeer naar Syrië.
Met betrekking tot de humanitaire omstandigheden in Syrië heeft de minister zich in beroep aanvullend nog op het standpunt gesteld dat de humanitaire omstandigheden kunnen worden meegewogen bij de vaststelling of al dan niet sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld, maar dat deze omstandigheden dan wel direct of indirect voortkomen uit het handelen of nalaten van één van de strijdende partijen. Daarvan is in dit geval volgens de minister geen sprake omdat het regime van Assad, dat grotendeels verantwoordelijk is voor de slechte humanitaire situatie, niet langer betrokken is bij het gewapend conflict. De humanitaire situatie is dus niet in overwegende mate te wijten aan de huidige actoren bij het gewapend conflict en kan dus bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld geen rol spelen, aldus de minister.
Juridisch kader
5. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. In dat kader is de Vw, het Vb en de Vc met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vw en het Vb zoals deze gold tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vw en het Vb dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.
Daarnaast zijn er met dit pact diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank naar aanleiding van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 juni 2026 een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht voor wat betreft het asielrelaas zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting. Inhoudelijk maakt het echter geen verschil, aangezien het artikel waar deze zaak om draait, artikel 15, aanhef en onder c in de richtlijn en in de verordening, voor zover van belang, hetzelfde is.
In de uitspraak van 17 juli 2024 heeft de Afdeling het toetsingskader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn naar aanleiding van het arrest X en Y van het Hof uiteengezet. Uit dit arrest volgt dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn allereerst gaat over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld, in het kader van een gewapend conflict, zo hoog is dat eenieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Het Hof legt verder uit dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn ook betrekking kan hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een vreemdeling. Hoe meer een vreemdeling aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld er is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.
De minister neemt als gevolg van het arrest X en Y en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 in zijn beleid drie verschillende gradaties aan van willekeurig geweld. De drie gradaties zijn:
uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;
relatief hoger niveau van willekeurig geweld;
relatief lager niveau van willekeurig geweld.
Het beleid vermeldt verder dat, als er sprake is van een relatief hoger of relatief lager niveau van willekeurig geweld, de enkele aanwezigheid van de vreemdeling in het betreffende gebied op zichzelf niet meer voldoende is om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. De vreemdeling moet in dat geval aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat:
de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en,
juist de vreemdeling specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Deze omstandigheden kunnen met name zien op het privé-, beroeps- of familieleven. Dit betekent overigens niet dat alleen al door de aanwezigheid van risicoverhogende factoren een reëel risico op ernstige schade aannemelijk is. Naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is zullen er relatief gewichtigere individuele omstandigheden vereist zijn om een reëel risico aan te nemen.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 16 juli 2025 de feiten en omstandigheden besproken die relevant zijn voor de beoordeling of er sprake is van de meest uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De Afdeling noemt – onder verwijzing naar verschillende arresten van het Hof – de volgende elementen:
De algemene veiligheidssituatie;
De regionale spreiding van het geweld;
De gerichtheid van het geweld en het risico op willekeurige burgerslachtoffers;
De veiligheidsstructuur;
Het gebied van terugkeer;
De ontheemden;
De humanitaire omstandigheden.
Tot 10 juni 2025 stelde de minister zich op het standpunt dat in Syrië sprake was van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld en dat eenieder alleen al door zijn aanwezigheid in Syrië een reëel risico liep op ernstige schade. In een brief aan de Tweede Kamer van 10 juni 2025 heeft de minister naar aanleiding van het in mei 2025 verschenen algemeen ambtsbericht inzake Syrië het nieuwe landgebonden beleid voor Syrië aangekondigd. Vanaf dat moment gaat de minister voor heel Syrië uit van de laagste gradatie (‘relatief lager niveau’) van willekeurig geweld. Volgens deze brief was de primaire bron van onveiligheid het regime van president Assad en dat regime is op
8 december 2024 gevallen. Volgens de minister is sinds de val van het regime sprake van een redelijke verbetering van de algemene veiligheidssituatie.
De eerste beroepsgrond is ingetrokken
6. Eiser heeft op de zitting het standpunt ten aanzien van het toepassen van het nieuwe beleid ten aanzien van Syrië ingetrokken. Dit punt is dan ook niet langer in geschil en de rechtbank zal hier niet nader op ingaan.
De algemene veiligheidssituatie in Syrië
7. Allereerst stelt eiser zich op het standpunt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er in Syrië enkel sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser verwijst daarbij naar twee recente uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 september 2026.
Ook de rechtbank verwijst bij de beoordeling van de algemene veiligheidssituatie naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 september 2026. In deze uitspraken is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat niet inzichtelijk is geworden dat voor heel Syrië wordt uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De situatie is na de val van Assad namelijk nog steeds fragiel en diffuus en van een stabiele en bestendig verbeterde veiligheidssituatie is onvoldoende gebleken. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan en maakt deze tot de hare. Dat de minister in hoger beroep is gegaan tegen voornoemde uitspraken, maakt het oordeel niet anders. De beroepsgrond slaagt.
De humanitaire situatie in Syrië
8. Ook stelt eiser zich op het standpunt dat de minister ten onrechte heeft nagelaten alle humanitaire omstandigheden die in verband staan met willekeurig geweld mee te nemen bij de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Temeer nu de Afdeling al in de recente uitspraak van 16 juli 2025 tot het oordeel is gekomen dat alle humanitaire omstandigheden, direct of indirect veroorzaakt door strijdende partijen in een gewapend conflict, moeten worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van de uitzonderlijke situatie van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft alleen beoordeeld of de humanitaire situatie verband houdt met een nu nog lopend conflict en niet of die verband houdt met het conflict onder het regime van Assad. Eiser verwijst hierbij naar verschillende uitspraken van de rechtbank Den Haag.
Ook ten aanzien van de beoordeling van de humanitaire situatie verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 september 2026. In deze uitspraken is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de minister niet op deugdelijke wijze de humanitaire omstandigheden heeft betrokken bij de beoordeling en daarmee niet in lijn heeft gehandeld met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. De minister heeft namelijk ten onrechte niet betrokken dat het huidige conflict in Syrië rechtsreeks voortvloeit uit de jarenlange oorlog tijdens het regime van Assad en dat hoewel de machtsverhouding is gewijzigd de actoren, met uitzondering van het regime van Assad, niet zijn veranderd. Ook had de minister de humanitaire situatie in Syrië moeten betrekken bij de vraag van welk niveau het willekeurig geweld nu is. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan. Dat de minister in hoger beroep is gegaan tegen voornoemde uitspraken, maakt het oordeel niet anders. De beroepsgrond slaagt.
De overige beroepsgronden
9. Eiser heeft verder nog beroepsgronden aangevoerd tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn asielrelaas. Nu de rechtbank tot het oordeel komt dat het beroep op deze beroepsgronden reeds gegrond is, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer. Wel merkt de rechtbank nog op dat eiser in beroep een dagvaarding uit 2025 met vertaling heeft overgelegd. De minister zal deze dagvaarding bij de nieuwe beoordeling van eisers asielrelaas moeten betrekken. Daarbij is het aan eiser om te zorgen dat de minister (indien nodig) kan beschikken over het origineel van deze dagvaarding.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als ongegrond. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij uitgaat van het laagste niveau van willekeurig geweld in Syrië. Verder heeft de minister ten onrechte de zeer slechte humanitaire situatie in Syrië niet betrokken bij de vraag van welk niveau van willekeurig geweld dient te worden uitgegaan. Het beroep is dus gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 8 april 2026;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.