ECLI:NL:RBDHA:2026:30153

ECLI:NL:RBDHA:2026:30153

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-10-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer NL26.44326 en NL26.44327
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Griekse statushouder. Eiser heeft een asielvergunning in Griekenland tot en met januari 2027. De minister heeft de asielaanvraag van eiser in Nederland ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de minister met IB 2026/1 en de overige overgelegde stukken niet heeft onderbouwd dat sprake is van een structurele verbetering voor Griekse statushouders ten opzichte van de situatie in 2021. Evenmin is voldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet terechtkomt in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Het beroep is gegrond.

Uitspraak

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1996, van onbekende nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. D. van Elp),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde mr. K. Bruin).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.

Eiser heeft op 4 maart 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 7 augustus 2026 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op zijn beroep is beslist.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 25 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, H. Majdoubi als tolk in de Arabische taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de aanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en de voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Achtergrond

3. Eiser stelt de Palestijnse nationaliteit te hebben, afkomstig te zijn uit Palestina en te zijn geboren op [geboortedag] 1996. In 2018 heeft hij Palestina illegaal verlaten en is hij vertrokken naar Egypte en al snel doorgereisd naar Turkije. Daar had hij een toeristische verblijfsstatus, waardoor hij niet legaal mocht werken. Eiser heeft zwart gewerkt en geprobeerd een legaal contract te krijgen zodat hij een verblijfsstatus kon krijgen waarmee hij legaal kon werken. Dat is niet gelukt. Eiser is in december 2023 naar Griekenland gegaan met de intentie om vanuit daar door te reizen naar een ander Europees land. Eiser wilde daar niet blijven vanwege de slechte verhalen die hij over Griekenland had gehoord. Desondanks heeft eiser daar vijf maanden verbleven. De Griekse autoriteiten hebben eiser op 10 januari 2024 een asielvergunning verleend die geldig is tot januari 2027. Omdat eiser geen werk had, geen huis en geen beroep kon doen op de sociale voorzieningen is eiser naar België gereisd. Daar heeft hij twee jaar en drie maanden op asiel gewacht en geen vergunning gekregen. Vervolgens is eiser naar Nederland gereisd en heeft hij op 19 juli 2026 asiel aangevraagd in Nederland.

Besluitvorming

4. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser in Griekenland internationale bescherming geniet. Uit Eurodac en informatie van de Griekse autoriteiten is gebleken dat eiser sinds 10 januari 2024 internationale bescherming heeft in Griekenland. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser, gelet op zijn asielstatus in Griekenland, een zodanige band met Griekenland heeft dat het redelijk is dat hij daarnaar terugkeert. De minister verwacht dat eiser in Griekenland in zijn meest basale behoeftes kan voorzien, desnoods via steun van derde partijen zoals ngo's. Daarnaast neemt de minister aan dat eiser zelfredzaam is in Griekenland, omdat hij daar een geldige verblijfsvergunning heeft, hij eerder en België en Turkije ook zwart heeft kunnen werken, en omdat hij meerdere reizen heeft ondernomen. Eiser zal bij terugkeer naar Griekenland dan ook niet terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. De minister heeft eiser het bevel gegeven om onmiddellijk naar het grondgebied van Griekenland te gaan.

Juridisch kader

5. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden, waaronder de Procedureverordening. In dat kader zijn ook de Vw en het Vb gewijzigd.

Op grond van artikel 38, eerste lid, aanhef en onder c van de Procedureverordening kan de beslissingsautoriteit bevoegd worden gemaakt om een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning niet-ontvankelijk te verklaren indien een andere lidstaat van de Europese Unie de verzoeker internationale bescherming heeft verleend. Op grond van artikel 30a, eerste lid, van de Vw kan de minister een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning niet-ontvankelijk verklaren in de gevallen, als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Procedureverordening. Een vergelijkbare bevoegdheid was vóór 12 juni 2026 neergelegd in artikel 33, tweede lid, van de Procedurerichtlijn en in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw (oud).

Het uitgangspunt bij de toepassing van artikel 30a, lid 1 Vw, is in het algemeen dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in een lidstaat waar hij of zij internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM (het zogenoemd interstatelijk vertrouwensbeginsel). Het is dan in beginsel aan de vreemdeling om dit vermoeden te weerleggen.

Uit het arrest Ibrahim van het Hof volgt dat de lidstaten van de bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren geen gebruik kunnen maken als de vreemdeling, bij terugkeer naar de lidstaat die hem internationale bescherming heeft geboden, het risico loopt om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het Handvest. In het arrest heeft het Hof overwogen dat, ondanks het uitgangspunt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet kan worden uitgesloten dat statushouders in een lidstaat het risico lopen om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het Handvest. De tekortkomingen vallen alleen onder artikel 4 van het Handvest als ze een ‘bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid’ bereiken. Deze drempel wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften en waardoor zijn gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden.

De Afdeling heeft in haar uitspraken van 28 juli 2021 geoordeeld dat de minister ten aanzien van Griekenland niet zonder meer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Meer concreet kan de minister er niet zonder meer van uitgaan dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer in Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken. In die uitspraken is vermeld dat een Griekse wetswijziging van maart 2020 (onder andere) tot gevolg heeft dat terugkerende statushouders niet meer in aanmerking komen voor huisvesting en toelagen, en dat de druk op voorzieningen voor statushouders is toegenomen. Hierdoor zijn duizenden statushouders dakloos geworden. Daarnaast moeten terugkerende statushouders die niet meer in het bezit zijn van hun Griekse verblijfsvergunning (ADET) maanden wachten tot deze opnieuw wordt afgegeven waardoor zij geen belastingnummer (AFM) en geen sociaalzekerheidsnummer (AMKA) kunnen bemachtigen. Dit bemoeilijkt vervolgens de toegang tot huisvesting, sociale voorzieningen, zorg en de arbeidsmarkt. De Afdeling heeft op basis hiervan in die uitspraken overwogen dat de Griekse autoriteiten weliswaar niet onverschillig staan tegenover de situatie van statushouders, maar dat zij in de praktijk vaak niet kunnen voorkomen dat statushouders in een situatie terechtkomen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen.

Naar aanleiding van deze uitspraken van de Afdeling heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de situatie van statushouders in Griekenland nader onderzocht. Op 24 juni 2022 is het eerste ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ gepubliceerd. Naar aanleiding van dit feitenonderzoek heeft de minister in IB 2022/84 een vaste gedragslijn neergelegd op grond waarvan hij kon beoordelen of in voorkomend geval een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kon worden verklaard. IB 2022/84 is op 15 mei 2024 vervangen door IB 2024/31. Op 3 september 2024 is het tweede ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ gepubliceerd. Naar aanleiding hiervan heeft de minister op 12 mei 2025 IB 2024/31 vervangen door IB 2025/20. Dit IB is uiteindelijk vervangen door IB 2026/1 en IB 2026/31.

Volgens IB 2024/31 kon een asielaanvraag slechts niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling een verblijfsvergunning, een belastingnummer en een sociaalzekerheidsnummer had. Ook was vereist dat de vreemdeling in Griekenland onderdak en voorzieningen had en deze opnieuw kon verkrijgen. Dit is losgelaten in IB 2026/1, het IB dat de minister in de zaak van eiser heeft toegepast. Een asielaanvraag van een Griekse statushouder kan nu al niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling als zelfredzaam kan worden beschouwd. Een vreemdeling wordt zelfredzaam geacht als hij een volwassen, alleenstaande man is die niet kwetsbaar is en beschikt over een geldige verblijfsvergunning.

Wat vindt eiser in beroep?

6. Eiser is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag en voert daartoe onder andere het volgende aan. De minister heeft niet gemotiveerd dat de situatie voor statushouders in Griekenland is verbeterd sinds de uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021. De omstandigheden voor statushouders die terugkeren naar Griekenland zijn nog steeds erbarmelijk en halen volgens eiser de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim. Ter onderbouwing van deze problemen en de positie van statushouders in Griekenland, verwijst eiser naar een recent rapport van Refugee Support Aegean (RSA) en Stiftung PRO ASYL en naar het meest recente AIDA-rapport. Eiser kon, in tegenstelling tot wat de minister stelt, namelijk niet de benodigde nummers krijgen. Hierdoor had hij in Griekenland geen woning, geen werk, geen toegang tot medische voorzieningen en geen financiële ondersteuning. Terugkeer naar Griekenland is volgens eiser dan ook in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 3 september 2026. Ten onrechte gaat de minister ten aanzien van Griekenland daarom uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Internationale bescherming in Griekenland

7. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de Griekse autoriteiten aan eiser een vluchtelingenstatus hebben verleend en dat eisers Griekse asielvergunning een geldigheidsduur heeft van 10 januari 2024 tot januari 2027. Het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de stukken in het dossier, zodat daarvan kan worden uitgegaan.

Terugkeer naar Griekenland en artikel 3 van het EVRM

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet in een situatie terechtkomt die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.

De rechtbank stelt voorop dat in IB 2026/1 is vermeld dat het informatiebericht is gebaseerd op het tweede feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland van september 2024, dat is verricht naar aanleiding van de uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021. Ook wordt verwezen naar de mededeling van de Europese Commissie van 4 april 2025 over migratiebeheer op het Griekse vasteland en de positie van statushouders. Daarnaast bevat IB 2026/1 het uitgangspunt dat een aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de vreemdeling als zelfredzaam kan worden beschouwd. Daarbij wordt uitgegaan van een niet kwetsbare, volwassen en alleenstaande man met een geldige Griekse verblijfsvergunning. Het is niet noodzakelijk dat de documenten daadwerkelijk kunnen worden overgelegd; als zij zijn verloren, kunnen in Griekenland vervangende documenten worden aangevraagd.

Allereerst overweegt de rechtbank dat uit IB 2026/1 en het bestreden besluit niet blijkt dat de situatie in Griekenland voor statushouders daadwerkelijk is verbeterd sinds 2021. De minister heeft weliswaar verwezen naar het tweede feitenonderzoek van september 2024 en naar de mededeling van de Europese Commissie van 4 april 2025, maar heeft desgevraagd niet concreet toegelicht op grond van welke informatie sprake zou zijn van een structurele verbetering ten opzichte van de situatie in 2021. Integendeel, uit het tweede feitenonderzoek volgt dat er nog steeds grote problemen zijn voor Griekse statushouders en dat mogelijk zelfs sprake is van een verslechtering. Ook uit dit tweede verslag feitenonderzoek blijkt, net als uit het eerste verslag feitenonderzoek en uit de uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021, dat het vinden van huisvesting/onderdak voor terugkerende statushouders zeer problematisch is, dat statushouders die niet beschikken over hun ADET, AMKA of AFM geen toegang hebben tot sociale uitkeringen, werk, gezondheidszorg en huisvesting, dat de wachttijden voor het opnieuw aanvragen van die documenten lang (maanden tot meer dan één jaar) zijn en dat veel terugkerende statushouders uiteindelijk in dakloosheid of illegale huisvesting terecht komen. Meer concreet blijkt uit het tweede verslag dat voor het verkrijgen van een sociaal zekerheidsnummer (AMKA) inmiddels (sinds april 2024) een arbeidscontract of werkgeversverklaring is vereist. Dit is een extra complicatie voor het verkrijgen van documenten. Ook meldt het feitenrapport dat het vinden van onderdak via HELIOS binnen twaalf maanden na het verlenen van het eerste verblijfsrecht moet geschieden, vanuit de asiel-opvanglocatie, en dat de meeste terugkerende statushouders niet aan deze toelatingseisen voldoen. Ook als de terugkerende statushouders genoeg financiële middelen hadden om huur te betalen, resulteerden de wachttijden op de juiste verblijfsdocumenten, administratieve procedures en de moeilijkheid om aan werk of een uitkering te komen later alsnog in dakloosheid of in informele huisvesting.

Ook de verwijzing naar het HELIOS+ programma leidt niet tot een ander oordeel. Hoewel de Europese Commissie in haar mededeling van 4 april 2025 wijst op dit programma, dat begin 2025 is gestart en is gericht op integratie van statushouders in Griekenland door huursubsidie, taaltraining en ondersteuning bij werk, blijkt uit het door eiser overgelegde rapport van RSA en Stiftung PRO ASYL van april 2026 dat de schaal van het programma ver achterblijft bij de werkelijke behoeften. Zo heeft het HELIOS+ programma een doelstelling van 4.323 statushouders per jaar terwijl de Griekse autoriteiten vorig jaar al 134.576 asielaanvragen heeft ingewilligd. Daarnaast blijkt uit dit rapport dat HELIOS+ geen huisvesting biedt maar alleen huursubsidie en dat daaraan strenge voorwaarden zijn verbonden. De huursubsidie is alleen beschikbaar voor werklozen aan wie niet eerder dan 24 maanden voor de inschrijving internationale of tijdelijke bescherming is verleend. Ook wordt in dat rapport gewezen op het risico dat dakloosheid en extreme onzekerheid vrijwel onvermijdelijke gevolgen zijn van uitzetting van statushouders naar Griekenland.

Naast de verwijzing naar de twee hierboven genoemde verslagen van onderzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 2022 en 2024, heeft de minister in het verweerschrift nog aanvullend verwezen naar de Update 2024 en Update 2025 van AIDA. Volgens de minister blijkt daaruit dat de overheid en veel ngo’s actief zijn om statushouders te ondersteunen, dat het mogelijk is om onderdak te verkrijgen en dat de situatie op de arbeidsmarkt is verbeterd. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De Update 2024 is van een aantal jaren geleden. Uit het rapport van RSA en Stiftung PRO ASYL van 27 april 2026 en de Update 2025 blijkt juist dat de problematiek niet is afgenomen, ondanks de inspanningen die zijn gedaan. Statushouders lopen volgens het rapport van AIDA zelfs nog steeds een direct en ernstig risico te worden blootgesteld aan omstandigheden van materiële deprivatie, zonder toegang tot basisvoorzieningen en zonder de noodzakelijke documenten om hun integratie te starten.

Voor wat betreft de verwijzing van de minister naar de ontvankelijkheidsbeslissing van 7 juli 2026 van het EHRM in de zaak D.O. en L.A. tegen Zweden, overweegt de rechtbank dat die zaak een individuele beoordeling van de ontvankelijkheid in dat geval betrof, waarbij een rol speelde dat er financiële ondersteuning van familie aanwezig was. Het is in de situatie van eiser niet gebleken dat dat hier ook het geval is. Uit deze ontvankelijkheidsbeslissing kan dan ook niet worden afgeleid dat de situatie in Griekenland voor statushouders in het algemeen daadwerkelijk is verbeterd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister met IB 2026/1 en de overige overgelegde stukken niet heeft onderbouwd dat sprake is van een structurele verbetering voor Griekse statushouders ten opzichte van de situatie in 2021. Evenmin is voldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet terechtkomt in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank de minister niet op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Deze zaak ging tot nu toe namelijk alleen over de ontvankelijkheid van de aanvraag van eiser en het is nu aan de minister een inhoudelijk besluit te nemen op de aanvraag. De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.

Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. De

proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de

door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het

indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt

voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.44326:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.44327:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank/voorzieningenrechter in beide zaken:

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand