[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A. Kurt-Gecoglu),
en
de minister van Asiel en Migratie
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
2. De minister heeft op 8 juni 2026 de aanvraag toegewezen.
3. Eiser heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten omdat het beroep niet tijdig beslissen volgens hem terecht is ingediend. De minister heeft op 4 september 2026 laten weten de proceskosten te willen vergoeden tot een bedrag van € 467,-.
4. De rechtbank heeft eiser op 8 september 2026 om een reactie gevraagd op dit aanbod. Hierop is niet gereageerd. Ook op het herhaalde verzoek om een reactie van 16 september 2026 is geen reactie gekomen.
5. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank stelt vast dat de minister op 8 juni 2026 alsnog op de aanvraag heeft beslist. Gelet hierop heeft eiser geen belang meer bij zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.
7. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit besluit geheel aan het beroep tegemoet komt. De minister heeft met het besluit van 8 juni 2026 de aanvraag van eiser ingewilligd en is daarmee volledig tegemoet gekomen. Het beroep heeft daarom niet op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede betrekking op het alsnog genomen besluit van 8 juni 2026.
8. Hoewel in beginsel dient te worden beoordeeld of aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, is ook die grond komen te vervallen. De minister heeft met de brief van 4 september 2026 toegezegd de in dit geval gebruikelijke proceskosten ter hoogte van € 467,- te willen vergoeden, en heeft daarbij tevens een declaratieformulier aan eiser verstrekt. Dit aanbod geldt als onvoorwaardelijk en eiser kan de minister aan een dergelijk aanbod houden. Daarvoor is een uitspraak niet nodig. Dat de rechtbank nu toch een uitspraak doet is te wijten aan het uitblijven van een reactie aan de zijde van de gemachtigde van eiser. De gemachtigde heeft toegezegd het beroep in te trekken wanneer de minister bereid zou zijn de proceskosten te vergoeden. De minister heeft een dergelijk aanbod gedaan, maar vervolgens is het beroep niet ingetrokken, ook niet na een herhaaldelijk verzoek van de rechtbank. De rechtbank is hierdoor genoodzaakt tijd te besteden aan het doen van een uitspraak, terwijl het onderliggende geschil al is opgelost en het intrekken van het beroep, in verhouding tot de tijd die het de rechtbank kost, een zeer beperkte inspanning van de gemachtigde had gevraagd. In dit verband wijst de rechtbank er ook nog op dat het gelet op het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb ook niet nodig was geweest om het beroep voort te zetten met het oog op de vergoeding van het griffierecht. Omdat eiser het beroep niet intrekt zal de rechtbank nu wel bepalen dat de minister het betaalde griffierecht ter hoogte van
€ 200,- aan eiser zal vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- gelast dat de minister aan eiser het betaalde griffierecht ter hoogte van € 200,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr. L. Langenhoff, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 12 oktober 2026
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.