RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.58036
(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 29 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Rezaie Ghavamabadi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
1. Eiser is op 26 september 2026 om 18:55 uur aangekomen op Schiphol met een vlucht vanuit Mumbai via Istanbul. Eiser is vervolgens strafrechtelijk aangehouden in verband met een vermoedelijke overtreding van artikel 231, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, vanwege het gebruik van een (ver)vals(t) Spaans paspoort. Na zijn invrijheidsstelling op 28 september 2026 is eiser overgedragen aan de KMAR. Eiser heeft daarna (omdat hij een asielwens heeft geuit) om 19:35 uur de aanwijzing gekregen om zich tot de volgende ochtend 07:00 uur op te houden in de internationale lounge op de luchthaven. Vervolgens heeft eiser op 29 september 2026 een asielaanvraag ingediend, is om 08:00 uur de screening aangevangen en is om 11:55 uur besloten om een besluit omtrent de toegangsweigering uit te stellen en zijn asielaanvraag in de grensprocedure te behandelen. Tegelijkertijd is aan eiser met het bestreden besluit de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw waarover dit beroep gaat.
Juridisch kader
2. De minister kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Deze maatregel wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. De strekking van de grensdetentie is dat eiser moet verblijven in het Aanmeldcentrum Schiphol.
Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel.
Het standpunt van eiser in beroep
3. Eiser stelt zich (samengevat) op het standpunt dat de screening te laat is aangevangen en daarmee in strijd is gehandeld met punt 5, 6 en 9 van de preambule en artikel 5 van de Screeningsverordening. Hij heeft na zijn aankomst op Schiphol namelijk eerst een strafrechtelijk traject doorlopen. Eiser bestrijdt dat hij pas op 28 september 2026 zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt, omdat hij dit al bij de gate heeft gedaan gelijk na zijn aankomst op 26 september 2026. Nu de screening niet direct maar vertraagd heeft plaatsgevonden, is eiser van mening dat de maatregel onrechtmatig is. Bovendien kan uit zijn dossier niet worden opgemaakt waar hij heeft verbleven tussen 26 september 2026 en 28 september 2026. Eiser vindt het dan ook relevant dat de minister inzage geeft in het strafdossier, zodat dit geverifieerd kan worden. Bovendien vraagt eiser zich af of (doordat hij kennelijk naar een strafrechtlocatie is gebracht) hij fictief toegang heeft gekregen tot Nederland en het latere besluit tot uitstellen van de toegangsweigering van
29 september 2026 nog wel genomen kon worden. Verder zet eiser, onder verwijzing naar de prejudiciële vragen van de rechtbank Den Haag zittingsplaats Amsterdam van
15 september 2026, in zijn algemeenheid vraagtekens bij het huidige grensbeleid van de minister en meer in het bijzonder bij de afwezigheid van rechtsbijstand vóór de screening. In de laatste plaats voert eiser aan dat het vanwege zijn gebroken arm op dit moment onevenredig hard is dat hij in detentie zit. Daarbij krijgt hij niet de zorg die hij nodig heeft voor zijn pijnklachten omdat hij niet de door hem gewenste pijnstillers ontvangt (die hij voorgeschreven kreeg in Iran).
Het oordeel van de rechtbank
De voorwaarden voor de grensdetentie
4. De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat uit het dossier blijkt dat eiser aan de buitengrens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw (de grensdetentie). Dat betwist eiser ook niet.
Het besluit tot uitstellen van de toegangsweigering
5. De rechtbank stelt vervolgens vast dat het beroep van eiser uitsluitend ziet op deze vrijheidsontnemende maatregel, nu uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat tegen de uitgestelde toegangsweigering (M18A) geen beroep openstaat. De door eiser opgeworpen vraag of een dergelijk besluit nog wel had mogen worden genomen, maakt dan ook geen onderdeel uit van dit beroep.
Het strafrechtelijk voortraject
6. Vast staat daarnaast dat eiser – na zijn aankomst in Nederland – strafrechtelijk is aangehouden en het vreemdelingenrechtelijke (asiel)traject pas is opgestart (met de ‘lounge-aanwijzing’) nadat eiser strafrechtelijk in vrijheid is gesteld. De rechtbank overweegt dat de vreemdelingenbewaringsrechter de rechtmatigheid van het strafrechtelijk voortraject volgens de Afdeling niet mag toetsen. Dat eiser vindt dat op basis van de in het dossier aanwezige stukken over dit strafrechtelijk voortraject (of beter gezegd: volgens eiser het gebrek hieraan) niet kan worden geverifieerd waar hij heeft verbleven voordat het vreemdelingrechtelijke traject ging lopen (en of zijn strafrechtelijke aanhouding überhaupt wel rechtmatig is), is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel van grensdetentie dan ook niet relevant. Voor de rechtmatigheid van die maatregel is eveneens niet van belang wanneer eiser zijn asielwens precies kenbaar heeft gemaakt. Ook als hij dit (zoals hij stelt) al direct bij aankomst in Nederland zou hebben gedaan, dan leidt dit namelijk niet tot het oordeel dat het strafrechtelijke traject niet had mogen worden ingezet dan wel eerder had moeten worden opgeheven en (dus) sneller tot het vreemdelingrechtelijke traject had kunnen dan wel moeten worden overgegaan. Dat eiser strafrechtelijk is aangehouden, op 28 september 2026 strafrechtelijk in vrijheid is gesteld en vanuit het strafrechtelijke traject is overgedragen waardoor pas toen het vreemdelingenrechtelijke (asiel)traject kon worden opgestart, is immers een strafrechtelijke beslissing die de bewaringsrechter niet mag toetsen. Hoewel dit mogelijk het een en ander nog wat meer had verduidelijkt over de feitelijke gang van zaken in die (strafrechtelijke) periode, was de minister dus ook niet gehouden om alle stukken uit het strafdossier in deze (grensdetentie)procedure in te brengen. De beroepsgrond hierover slaagt daarom niet en de door eiser in dat verband geschetste gang van zaken maakt de grensdetentie niet onrechtmatig.
De screeningsprocedure
7. Over (de aanvang van) de screeningsprocedure overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 8, derde lid, van de Screeningsverordening schrijft voor dat de screening (aan de buitengrens, als bedoeld in artikel 5 van deze verordening) onverwijld wordt uitgevoerd en zo spoedig mogelijk wordt voltooid, in elk geval binnen zeven dagen na de aanhouding van de onderdaan van een derde land. De rechtbank stelt vast dat dit in het geval van eiser is gebeurd. Eiser is namelijk op 26 september 2026 (laat) in de avond (om 18:55 uur) aangekomen, de screening is op 29 september 2026 om 08:00 uur aangevangen, aan eiser is op 29 september 2026 om 11:55 uur de maatregel van grensdetentie opgelegd en eiser is dezelfde dag om 13:50 uur overgebracht naar het aanmeldcentrum. De screening is dus binnen drie dagen voltooid. Daar komt bij dat eiser eerst strafrechtelijk heeft vastgezeten, waardoor de minister pas na zijn strafrechtelijke invrijheidsstelling de asielprocedure (en de daarbij behorende screening) op kon starten. De screening is vervolgens (na de ‘lounge-aanwijzing’ op 28 september 2026) op 29 september 2026 om 08:00 uur en daarmee volgens de normale gang van zaken aangevangen en uitgevoerd, waarna eiser in grensdetentie is gesteld (omdat zijn asielaanvraag in de grensprocedure wordt behandeld). Gelet daarop kan dan ook niet worden gezegd dat de screening niet ‘onverwijld’ is uitgevoerd of niet ‘zo spoedig mogelijk’ is voltooid, en dus te laat heeft plaatsgevonden (zoals eiser stelt). Los daarvan heeft eiser ook niet concreet gemaakt wat er anders zou zijn geconstateerd of verklaard dan wat er nu bekend en gezegd is als de screening eerder was aangevangen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de beroepsgrond over (de aanvang van) de screeningsprocedure niet slaagt en geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de maatregel van grensdetentie.
De prejudiciële vragen en rechtsbijstand
8. Voor zover eiser in algemene zin verwijst naar de prejudiciële vragen van de rechtbank Amsterdam, verwijst de rechtbank naar wat de Afdeling in haar uitspraak van
2 september 2026 heeft geoordeeld over onder meer het (algemene) belang van de maatregel van grensdetentie en de vraag of sprake is van een automatisme in het opleggen hiervan. Zolang er nog geen antwoord is op die vragen van de rechtbank Amsterdam, ziet de rechtbank geen reden om nu af te wijken van deze rechtspraak van de Afdeling. Daarnaast wijst de rechtbank over de rechtsbijstand (wat eiser in algemene zin nog kort noemde op de zitting) op de rechtspraak van de Afdeling waaruit (kort gezegd) volgt dat het verschil in beleid over de aanwezigheid van rechtsbijstand tijdens het gehoor over grensdetentie geen ongerechtvaardigd onderscheid oplevert en dat de mogelijkheden om rechtsbijstand te krijgen in die situatie voldoende gewaarborgd zijn. De rechtbank ziet in het bestaan van de Screeningsverordening, de nu te volgen screeningsprocedure en de enkele algemene verwijzing van eiser naar de prejudiciële vragen (zonder dat voor zijn situatie concreet te maken) op dit moment geen aanleiding daarover anders te oordelen in eisers geval.
De medische situatie van eiser
9. De rechtbank ziet voorts in hetgeen is aangevoerd over de medische situatie van eiser geen aanleiding voor de conclusie dat de grensdetentie in eisers geval onrechtmatig is opgelegd of voortduurt. Dat is voldoende gemotiveerd in de maatregel. Daarbij is ook ingegaan op de medische situatie van eiser (waarover met hem is gesproken tijdens het gehoor) en de in het detentiecentrum aanwezige medische faciliteiten. Het enkele feit dat eiser (zoals hij op de zitting verklaarde en ook zichtbaar was aan eiser) veel last heeft van zijn gebroken arm en de door hem gewenste pijnstillers niet krijgt, maakt echter niet dat de minister met een lichter middel had moeten volstaan dan wel dat de maatregel daarmee onevenredig bezwarend is (geworden). Als eiser vindt dat de medische zorg ontoereikend is dan kan hij daarover een klacht indienen in het detentiecentrum zelf, al dan niet met behulp van zijn gemachtigde.
Ambtshalve beoordeling
10. De rechtbank ziet in de laatste plaats ook ambtshalve geen aanleiding voor de conclusie dat de grensdetentie in eisers geval onrechtmatig is opgelegd of voortduurt. Er zijn in dat verband geen (verdere) omstandigheden gebleken die maken dat de minister met een lichter middel had moeten volstaan of dat de maatregel voor eiser onevenredig bezwarend is. Eiser heeft in zijn gehoor hierover overigens verklaard geen problemen te hebben met het opleggen van de maatregel en de regels te begrijpen. De maatregel is daarom – ambtshalve toetsend – niet onrechtmatig en wordt dus niet opgeheven.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep van eiser tegen de vrijheidsontnemende maatregel is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Janssens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 oktober 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.