Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/082436-26
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres 1]
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 24 juni 2026 (pro forma) en 23 september 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.R.C Polderman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. L.M. Oldenburg naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 18 maart 2026 te Zoetermeer, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan:- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning gelegen aan het [adres 1] en/of omliggende woningen en/of de in die woningen aanwezige goederen, althans gemeen gevaar voor goederen te duchten was en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woningen aanwezige personen te duchten was, een of meerdere pitten van het gas(fornuis) heeft opengedraaid en/of een of meerdere kaars(en) heeft aangestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3. De bewijsbeslissing
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026093797 van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 45).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 23 september 2026;
2. Het proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt op 18 maart 2026 (p. 10-12);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 18 maart 2026 (p. 32-33)
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 18 maart 2026 (p. 36)
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Bewijsoverwegingen
De verdachte heeft verklaard dat hij op 18 maart 2026 in zijn woning vier pitten van het gasfornuis heeft aangezet, de ramen heeft gesloten en kaarsen heeft aangestoken in een poging om zichzelf via een hoge concentratie koolstofmonoxide in de woning van het leven te beroven.
Voorwaardelijk opzet
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het veroorzaken van een gasexplosie in zijn woning en overweegt daartoe als volgt. Het staat vast dat de verdachte in een afgesloten woning meerdere pitten van het gasfornuis in werking heeft gesteld en kaarsen heeft aangestoken, met het doel zichzelf van het leven te beroven. Hulpdiensten die vervolgens ter plaatse zijn gekomen hebben een hoge concentratie van gas in de woning waargenomen. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het handelen van de verdachte - naar de uiterlijke verschijningsvorm - erop was gericht de woning met gas te vullen. Een andere lezing van deze vastgestelde feiten en omstandigheden, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden.
Het is een feit van algemene bekendheid dat bepaalde hoeveelheden gas in combinatie met vuur (zoals dat van een brandende kaars) een ontploffing teweeg kan brengen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door zijn handelen zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg (een ontploffing) in zou treden en dat hij deze aanmerkelijke kans ten tijde van zijn gedraging bewust heeft aanvaard zodat er sprake is van voorwaardelijk opzet. Dat er geen ontploffing heeft plaatsgevonden is niet te danken aan de handelingen van de verdachte maar aan het ingrijpen van de politie en brandweer.
Gevaar
Door het handelen van verdachte was er gemeen gevaar voor zijn woning en de omliggende woningen in het gebouw, maar ook levensgevaar voor omwonenden. Uit de verklaringen van de verbalisanten en de brandweer blijkt dat er vanwege de hoge gasconcentratie direct meerdere woningen zijn ontruimd (in die woningen waren dus mensen aanwezig) en dat zonder ingrijpen van de politie of brandweer binnen 30 minuten tot 2 uur een explosie had kunnen plaatsvinden.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 18 maart 2026 te Zoetermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan:- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan het [adres 1] en omliggende woningen en de in die woningen aanwezige goederen, te duchten was en - levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woningen aanwezige personen te duchten was, meerdere pitten van het gas(fornuis) heeft opengedraaid en een of meerdere kaarsen heeft aangestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid (geheel) uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 282 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden en meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, begeleid wonen en beheersing van het middelengebruik.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit een deels voorwaardelijke straf met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden op te leggen. De raadsvrouw heeft verzocht om een lager voorwaardelijk deel op te leggen en om niet de bijzondere voorwaarde ‘opname in een zorginstelling’ op te leggen aan de verdachte, nu hij reeds in het kader van de zorgmachtiging opgenomen is geweest.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft meerdere pitten van het gasfornuis in zijn afgesloten woning opengedraaid, zodat zijn woning zich met gas kon vullen. Daarbij heeft hij kaarsen aangestoken. Hij heeft hiermee een zeer gevaarlijke situatie gecreëerd en onaanvaardbare risico’s genomen en daarmee levensgevaar voor anderen en gevaar voor andermans goederen veroorzaakt.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 8 mei 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad is dan ook niet van invloed op de op te leggen straf.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op de Pro Justitia rapportage over de verdachte van 22 mei 2026 opgesteld door psychiater dr. B.A. Blansjaar. Daaruit volgt dat bij de verdachte sprake is van een posttraumatische stressstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis, waarbij het bewezenverklaarde feit lijkt te zijn ingegeven door een suïcidepoging gekomen vanuit deze posttraumatische stressstoornis met depressieve- en angstklachten, affectieve en gedragsmatige instabiliteit en mogelijk psychotische overschrijdingen. De verdachte was daardoor in enigermate beperkt in zijn gedragskeuzen en gedragingen. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde feit. Gelet hierop wordt geadviseerd om het feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 17 juni 2026, waaruit blijkt dat sprake is van problematiek op meerdere leefgebieden en van een gemiddeld recidiverisico. De reclassering maakt zich ernstig zorgen om de verdachte en een intensieve behandeling is geïndiceerd. Deze behandeling dient volgens de reclassering gericht te zijn op de psychische problematiek van verdachte, het abstinent blijven van drugs en gebruik van medicatie. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, begeleid wonen (indien geïndiceerd) en controle van middelengebruik. De reclassering adviseert hierbij een proeftijd van drie jaren.
Toerekeningsvatbaarheid
Nu de conclusies van de gedragsdeskundige omtrent de psychische problematiek van de verdachte en de mate waarin die hebben bijgedragen aan de totstandkoming van het tenlastegelegde worden gedragen door diens bevindingen, neemt de rechtbank die over en maakt deze tot de hare. Tegen die achtergrond zal de rechtbank het bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles overwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht passend, waarvan 282 dagen voorwaardelijk.
De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
Dadelijke uitvoerbaarheid voorwaarden
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten poging om een ontploffing te veroorzaken.
Gelet op de rapportage van de reclassering en het Pro Justitia rapport, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14c lid 6 Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Reeds ondergane behandeling
Tot slot overweegt de rechtbank dat zij oog heeft voor de omstandigheid dat de verdachte kennelijk reeds in het kader van een zorgmachtiging is of wordt behandeld. Zonder nadere (objectieve) informatie over het doel, verloop en resultaat van deze behandeling, worden de door de reclassering geschetste zorgen op dit moment echter onvoldoende weggenomen. Wel bieden de op te leggen voorwaarden ruimte voor de reclassering om de duur van (bijvoorbeeld) de klinische opname te beperken in het licht van de reeds ondergane behandeling.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14a, 14b, 14c, 45 en 157 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen terwijl daarvan levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 360 (driehonderd zestig) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 282 dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. Meldplicht
zich binnen vijf werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij GGZ ReclasseringFivoor op het adres: [adres 2] . De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
2. Opneming in een zorginstelling
zich laat opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie dieverantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start zo spoedig mogelijk. De opname duurt twaalf maanden of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
3. Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
zich laat behandelen door het Ambulant Centrum van Fivoor, of een soortgelijkezorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Geletop de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal betrokkene zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.
4. Begeleid wonen of maatschappelijke opvang (indien geïndiceerd)
verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, indien dit tijdens de proeftijd blijkt te zijn geïndiceerd, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo spoedig mogelijk na opname in een zorginstelling. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogrammadat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
5. Beheersing middelengebruik
meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om hetmiddelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.
geeft opdracht aan Reclassering Nederland GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het - op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht- uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R. Aaron, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
mr. J.E. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. van Egmond, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 oktober 2026.