ECLI:NL:RBDHA:2026:30163

ECLI:NL:RBDHA:2026:30163

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer NL26.28110
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Asiel, Syrië, 15c en artikel 3 EVRM. Adequate opvang - de minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat ten tijde van de minderjarigheid van eiser sprake was van adequate opvang. Beroep gegrond, vernietiging van het besluit voor zover dat ziet op het opleggen van een terugkeerbesluit en het weigeren van een vergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid amv. Voor het overige blijft het besluit in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.28110

geboren op [geboortedatum],

van Syrische nationaliteit,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.E.J.M. Bartels),

en

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven maar dat de minister het opleggen van een terugkeerbesluit en de weigering van een vergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen onvoldoende heeft gemotiveerd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 12 mei 2026 in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd, waarin staat dat hij binnen vier weken moet vertrekken.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 28 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Syrië ernstig wordt gediscrimineerd vanwege zijn Koerdische etniciteit. Zijn vader is om die reden gedetineerd geweest. Daarnaast vreest eiser als Koerd voor de militaire dienstplicht bij terugkeer naar zijn woonplaats Kobani, in de regio Aleppo.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

De minister acht de door eiser opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig maar stelt dat het enkele feit dat hij uit Syrië komt, niet genoeg is om een vluchteling te zijn in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De minister acht ook de vrees voor discriminatie vanwege de Koerdische etniciteit van eiser geloofwaardig, maar stelt dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij om die reden gegronde vrees voor vervolging heeft. De vrees voor de militaire dienstplicht in Kobani is niet op geloofwaardigheid beoordeeld, maar alleen op aannemelijkheid. De minister stelt dat in Syrië geen sprake meer is van verplichte militaire dienst of van rekrutering. Dat dit wel het geval is in het Koerdische gebied waar eiser vandaan komt, heeft hij volgens de minister niet aannemelijk gemaakt. Ook volgt de minister eiser niet in zijn standpunt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege willekeurig geweld. Volgens de minister is in Syrië, en in de regio Aleppo in het bijzonder, sprake van een relatief laag niveau van willekeurig geweld en heeft eiser niet met individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij het risico loopt hiervan slachtoffer te worden. Eiser krijgt ook geen verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen, omdat volgens de minister in Syrië adequate opvang voor hem aanwezig is. Tot slot stelt de minister dat de belangen van het kind zoals bedoeld in artikel 3 van het IVRK niet in de weg staan aan terugkeer naar het land van herkomst. De minister heeft de aanvraag daarom afgewezen.

Risico op vervolging en rekrutering

5. Eiser stelt dat hij een reëel risico op vervolging loopt vanwege zijn Koerdische etniciteit. Daarnaast loopt hij bij terugkeer naar Aleppo risico op gedwongen rekrutering. Eiser verwijst daarbij naar verschillende in de zienswijze genoemde bronnen, waaruit blijkt dat de veiligheidssituatie in Aleppo fragiel en complex is vanwege de verschillende gewapende groeperingen die daar actief zijn. Eiser is inmiddels weliswaar meerderjarig, maar uit algemene bronnen blijkt dat jonge mannen in de DAANES-regio een verhoogd risico lopen op gedwongen rekrutering. De beroepsgrond dat eiser een verhoogd risico loopt te worden vervolgd omdat hij zich niet aan Islamitische leefregels houdt, is op de zitting ingetrokken.

De beroepsgronden slagen niet. De minister heeft met een verwijzing naar algemene landeninformatie voldoende gemotiveerd dat Koerden in Syrië in het algemeen geen verhoogd risico lopen op vervolging. De minister heeft daarbij kunnen wijzen op de verklaring van eiser dat er in de Koerdische gebieden zoals Kobani geen sprake is van discriminatie.

Ten aanzien van de vrees voor rekrutering stelt de rechtbank vast dat eiser deze vrees niet met objectieve documenten of landeninformatie heeft onderbouwd. De minister heeft in het bestreden besluit terecht opgemerkt dat de brief van Vluchtelingenwerk Nederland waar eiser in de zienswijze naar verwijst, geen nieuwe informatie bevat en dat eiser bovendien niet heeft vermeld welke passages uit deze brief op hem van toepassing zijn. De minister verwijst naar landeninformatie waaruit volgt dat in Syrië geen sprake meer is van een verplichte militaire dienstplicht. De minister heeft daarbij in het bestreden besluit terecht opgemerkt dat eiser geen concrete, persoonlijke omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit zou blijken dat juist hij gedwongen zou worden om mee te vechten. De enkele stelling dat hij als jongeman in de DAANES-regio verhoogd risico loopt, is daartoe onvoldoende. De rechtbank wijst daarbij op het EUAA rapport van juli 2026, waaruit blijkt dat gedwongen rekrutering in deze regio sinds januari 2026 niet meer voorkomt. De minister heeft op de zitting terecht opgemerkt dat eisers leeftijd hier geen rol in speelt omdat geen sprake meer is van gedwongen rekrutering.

Gradatie van willekeurig geweld

6. Eiser stelt zich subsidiair op het standpunt dat er in Syrië nog altijd sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (15c). Ter onderbouwing wijst eiser op verschillende bronnen, waaruit volgt dat de veiligheidssituatie in Syrië nog steeds instabiel is. Dit geldt temeer voor noordoost-Syrië, waar het geweld sinds januari 2026 is opgelaaid. De bewoners maar ook de vele naar Kobani gevluchte ontheemden leven daar onder zeer slechte humanitaire omstandigheden. Ook is de stad een periode onder belegering geweest en is er een tekort aan medische en andere basisvoorzieningen. Daarnaast hebben meerdere rechtbanken inmiddels geoordeeld dat de minister onvoldoende motiveert waarom er in Syrië geen sprake (meer) is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Eiser wijst in het bijzonder naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 september 2026. Eiser wijst daarnaast op zijn jonge leeftijd en het feit dat hij Syrië niet kent en stelt reeds daarom een verhoogd risico te lopen op ernstige schade. De minister heeft hem ten onrechte tegengeworpen dat hij het verband tussen zijn individuele kenmerken en het verhoogde risico op willekeurig geweld niet aannemelijk heeft gemaakt.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding voor een ander oordeel. De minister heeft in het bestreden besluit terecht opgemerkt dat uit het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 niet volgt dat de algemene veiligheidssituatie wezenlijk is veranderd. Ten aanzien van de door eiser genoemde bronnen stelt de rechtbank vast dat het door eiser genoemde Cedoca rapport geen ander beeld geeft dan al is betrokken in de eerdergenoemde uitspraak van de meervoudige kamer van deze zittingsplaats. Uit de overige twee artikelen kan worden opgemaakt dat er in Kobani sprake is van een tekort aan medische benodigdheden en dat begin september 2026 protesten in Kobani zijn uitgemond in botsingen met veiligheidstroepen. Uit de artikelen blijkt dat sprake is van een fragiele en precaire situatie, wat ook niet wordt betwist. Het is echter onvoldoende voor het oordeel dat ten onrechte wordt uitgegaan van de laagste gradatie van willekeurig geweld.

De rechtbank overweegt dat uit het arrest X en Y volgt dat bij een lager niveau van willekeurig geweld de individuele omstandigheden van de vreemdeling bij de beoordeling van het reële risico op ernstige schade moeten worden betrokken. Hierbij gaat het met name om omstandigheden die eigen zijn aan het privé-, familie- of beroepsleven van de vreemdeling en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij het reële risico op ernstige schade vergroten. Gelet op de glijdende schaal van artikel 15c moeten bij een lager niveau van willekeurig geweld de naar voren gebrachte risico verhogende omstandigheden meer gewicht hebben om een reëel risico aan te kunnen nemen. Het is aan eiser om deze omstandigheden aannemelijk te maken. Eiser is daar naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. De minister heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat de door eiser aangedragen omstandigheden niet van een dusdanig ernstig en/of uitzonderlijke aard zijn dat deze leiden tot een reëel en voorzienbaar risico. De minister heeft daarbij van belang mogen vinden dat eiser heeft verklaard evenveel risico op willekeurig geweld te lopen als anderen.

Humanitaire omstandigheden

7. Eiser stelt daarnaast dat de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en in Aleppo in het bijzonder moeten worden betrokken bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15c. Hij verwijst daarbij naar uitspraken van zittingsplaats Utrecht van 13 mei 2026 en zittingsplaats Roermond van 29 december 2025, waarin de rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld over de toepassing van het actor-vereiste bij het betrekken van humanitaire omstandigheden bij de 15c-beoordeling. Eiser stelt zich op het standpunt dat het beroep aangehouden dient te worden tot het Hof zich over deze vragen heeft uitgelaten.

De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, waarin is geoordeeld dat humanitaire omstandigheden relevant zijn voor de beoordeling van artikel 15c wanneer deze direct of indirect voortkomen uit handelen of nalaten van een actor die partij is bij een gewapend conflict. De rechtbank wijst ook op een uitspraak van zittingsplaats Arnhem van 19 mei 2026, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurig geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor, niet hoeven te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van geweld. De rechtbank neemt dit oordeel over. In het bestreden besluit heeft de minister terecht opgemerkt dat de veiligheidssituatie in Syrië in lage mate het gevolg is van een lopend gewapend conflict. De humanitaire omstandigheden zijn daarmee niet in overwegende mate te herleiden tot het handelen van partijen die betrokken zijn bij het actuele gewapende conflict. Voor het aanhouden van de zaak ziet de rechtbank geen aanleiding.

Artikel 3 van het EVRM

8. Verder stelt eiser dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of eiser bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Eiser verwijst naar het arrest Sufi en Elmi en stelt dat de humanitaire omstandigheden relevant zijn voor de vraag of een vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser wijst op het onderscheid tussen humanitaire omstandigheden die voornamelijk zijn ontstaan als gevolg van het handelen van partijen in een gewapend conflict, en humanitaire omstandigheden die zijn ontstaan als gevolg van armoede en natuurrampen.

De rechtbank overweegt als volgt. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat de minister in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De minister mag bij deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling in het kader van artikel 15c. De beide artikelen hebben namelijk een eigen toetsingskader en moeten autonoom beoordeeld worden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat terugkeer niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De minister heeft daarbij kunnen wijzen op de beslissing van het EHRM van 24 september 2025, waarin een getroffen maatregel (de zogenoemde Rule 39) tegen de uitzetting van een Syrische vreemdeling niet werd verlengd en uitzetting dus was toegestaan. Overwogen werd dat ondanks de huidige veiligheidssituatie in Syrië, de terugkeer van de vreemdeling geen reëel en onmiddellijk risico op onherstelbare schending van zijn rechten opleverde. Op de zitting heeft de minister daarnaast gewezen op het arrest Sufi en Elmi, waaruit volgt dat wanneer de huidige humanitaire situatie niet (of nauwelijks) te wijten is aan een op dit moment lopend gewapend conflict, er van strijd met artikel 3 van het EVRM slechts sprake kan zijn in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij een dergelijk risico loopt. Eiser is hier naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Zoals door de minister op de zitting terecht is opgemerkt, heeft eiser deze stelling niet onderbouwd en van dergelijke omstandigheden is de rechtbank ook niet gebleken.

Adequate opvang

9. Eiser stelt tot slot dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van adequate opvang in Syrië. Hij verwijst naar het arrest TQ en de Afdelingsuitspraak van 8 juni 2022, waaruit volgt dat de minister rekening moet houden met het belang van het kind. Het enkele feit dat eiser waarschijnlijk naar zijn vader kan terugkeren is onvoldoende voor de conclusie dat er sprake is van adequate opvang. De minister heeft daarbij ten onrechte nagelaten de instabiele veiligheidssituatie en erbarmelijke humanitaire omstandigheden in Syrië bij de beoordeling te betrekken.

De rechtbank overweegt dat uit artikel 3.58, tweede lid, van het Vb, in samenhang bezien met paragraaf B8/6.2.1. van de Vc, volgt dat een reguliere verblijfsvergunning kan worden verleend aan de alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv) voor wie adequate opvang, bijvoorbeeld bij familieleden of andere personen, ontbreekt in het land van herkomst. Uit het arrest TQ van het Hof en de uitspraken van de Afdeling van 8 juni 2022 volgt dat de minister verplicht is om voorafgaand aan het terugsturen van een minderjarige vreemdeling zich ervan te overtuigen dat die minderjarige vreemdeling wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer.

Uit Informatiebericht 2025/13 volgt dat voor het aannemen van adequate opvang moet blijken dat de ouder(s) of andere volwassenen die eerder zorg hebben gedragen voor het kind bereid zijn zorg te gaan dragen voor het kind, dan wel op een traceerbaar adres in het land van herkomst of terugkeer aanwezig zijn. Een adres is traceerbaar als de amv een concreet adres noemt (straatnaam, naam van de wijk, huisnummer etc.) of als de amv – bij het ontbreken van adresgegevens omdat de ouders/verzorgers in een dorp verblijven – specifieke informatie kan geven over de locatie in het dorp. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2025.

Van dergelijke concrete aanknopingspunten is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het enkele feit dat eiser telefonisch contact heeft met zijn vader, is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat adequate opvang beschikbaar was. Ook een concreet adres of specifieke informatie ontbreekt; eiser heeft slechts aan kunnen geven in welke wijk zijn vader woont. De minister heeft daarmee onvoldoende gemotiveerd dat ten tijde van de minderjarigheid van eiser sprake was van adequate opvang. De verwijzing van de minister op de zitting naar een Afdelingsuitspraak van 2012, waaruit blijkt dat bij aanwezigheid van een ouder in het land van herkomst het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat er geen opvang voor hem beschikbaar is, leidt niet tot een ander oordeel. Deze uitspraak dateert van ver voor eerdergenoemde uitspraken van het Hof en de Afdeling en het door de minister gehanteerde Informatiebericht. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2023 wijst de rechtbank er verder op dat de minister niet kan volstaan met de opmerking dat de vreemdeling inmiddels meerderjarig is en daarom het onderzoek naar adequate opvang niet meer aan de orde is. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op het opleggen van een terugkeerbesluit en het weigeren van een vergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid amv. Het is aan de minister om te onderzoeken en en deugdelijk te motiveren of eiser alsnog in aanmerking komt voor een (voortgezet) verblijfsrecht of dat aan hem een terugkeerbesluit moet worden opgelegd. De minister moet daarom op dat onderdeel een nieuw besluit nemen waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Voor het overige blijft het bestreden besluit in stand.

11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet de vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand