RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23872
geboren op [datum] 1996,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. I. Mercanoglu),
en
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw., Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 22 april 2026 afgewezen als ongegrond. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en medegedeeld dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar Syrië.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 28 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft met de Islamitische Staat (IS). Eiser heeft in dit verband verklaard dat zij eind 2012 de macht overnamen in zijn woonplaats Khal Ajeel en dat hij vervolgens zijn broer [naam] hielp om tabak te smokkelen. De IS politie (Al Hesbe) is twee keer bij eisers moeder langs geweest om naar eiser en zijn broer te vragen. Eiser kon de eerste keer ontsnappen en is gevlucht. Later heeft Al Hesbe ook twee of drie keer de vader van eiser bezocht en is hij door de shariarechtbank voor tabaksmokkel veroordeeld tot amputatie. In 2025 werden eisers broer [naam], vader en moeder bij een controlepost van IS over eiser bevraagd. Eiser vreest bij terugkeer dat IS de straf zal uitvoeren.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de volgende asielmotieven aangemerkt:
De minister heeft het eerste motief geloofwaardig geacht. Het tweede niet. Volgens de minister heeft eiser niet samenhangend en aannemelijk verklaard over de problemen. Daartoe heeft de minister vijf redenen gesteld. Eisers verklaring dat zijn woonplaats in 2012 onder controle stond van IS komt niet overeen met algemene landeninformatie. Eiser heeft tegenstrijdig verklaard in het aanmeldgehoor, omdat hij in dat gehoor wel over IS heeft verklaard, maar niet over problemen met hen. Ook heeft eiser tegenstrijdig verklaard in het nader gehoor over hoe vaak IS naar hem heeft gezocht. Verder acht de minister eisers verklaringen over het eerste bezoek van Al Hesbe en over de veroordeling vaag. Daarnaast heeft de minister gemotiveerd dat in Syrië, en in de regio Raqqa in het bijzonder, sprake is van een relatief laag niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door individuele omstandigheden een risico loopt om hiervan slachtoffer te worden. Tot slot heeft de minister gewezen op een beslissing van het EHRM, waarin uitzetting naar Syrië niet in strijd werd geacht met artikel 3 van het EVRM. De minister heeft daarom geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade en heeft de aanvraag afgewezen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Procedurele zorgvuldigheid
5. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de minister vermeende tegenstrijdigheden ten onrechte niet heeft voorgehouden in het nader gehoor. Dat is in strijd met artikel 3.113 van het Vb. Verder stelt eiser dat sprake is van vertaal- en verslagkwesties, waardoor de minister terughoudend moest zijn in detailtegenwerpingen over de volgorde van gebeurtenissen, het aantal zoekmomenten, de uitleg van gedragingen van Al Hesbe en de wijze waarop eiser kennis nam van de veroordeling. Ook moest de minister correcties en aanvullingen en de zienswijze inhoudelijk betrekken in zijn beoordeling. Dat heeft de minister onvoldoende kenbaar gedaan. Volgens eiser heeft de minister daarom procedureel onzorgvuldig gehandeld.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat uit artikel 16 van de Procedurerichtlijn (geïmplementeerd in artikel 3.113, tweede lid, van het Vb) niet volgt dat de minister de vreemdeling alleen tegenstrijdigheden mag tegenwerpen waarmee hij tijdens het nader gehoor is geconfronteerd. De minister heeft eiser in dit geval tijdens het nader gehoor met wisselende verklaringen geconfronteerd en naar uitleg gevraagd. Ook heeft eiser heeft met zijn zienswijze de gelegenheid gehad om te reageren op tegenstrijdigheden die hem in het voornemen zijn tegengeworpen. Daarmee is voldaan aan het vereiste uit artikel 16 van de Procedurerichtlijn dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om uitleg te geven over tegenstrijdigheden in zijn verklaringen.
De rechtbank volgt eiser verder niet in de stellingen dat sprake is van vertaal- of verslagkwesties of dat ten onrechte op detailniveau verklaringen zijn tegengeworpen. Eiser heeft dit onvoldoende concreet onderbouwd. Voor zover in het nader gehoor sprake was van begrip- of vertaalkwesties, blijkt uit het gehoor dat nadere uitleg aan eiser is gevraagd. Eiser heeft bovendien tijdens het gehoor viermaal verklaard dat hij de tolk goed verstond en begreep. Eisers verklaringen over de volgorde van gebeurtenissen, het aantal zoekmomenten van Al Hesbe en de wijze waarop hij kennis zou hebben genomen van zijn veroordeling, zijn niet van een detailniveau dat deze niet zouden mogen worden tegengeworpen. Verder blijkt de rechtbank dat de minister in zijn voornemen kenbaar de correcties en aanvullingen van eiser heeft betrokken en heeft gemotiveerd waarom hij sommige correcties niet volgt. Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister in het bestreden besluit voldoende heeft gereageerd op eisers zienswijze. Het feit dat de minister eisers zienswijze niet volgt, betekent niet dat deze inhoudelijk niet is betrokken in de beoordeling.
Geloofwaardigheid problemen IS
6. Eiser heeft in beroep verder aangevoerd dat de minister de problemen met IS ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Volgens eiser heeft de minister zijn asielrelaas niet integraal, maar fragmentarisch beoordeeld. Ter onderbouwing wijst eiser op een conclusie van advocaat-generaal Szpunar. Ook heeft de minister ten onrechte verklaringen uit de aanmeldfase tegengeworpen als tegenstrijdig. Eiser stelt dat hij in het aanmeldgehoor niet wezenlijk anders heeft verklaard over zijn asielmotieven, nu hij heeft genoemd dat hij zes dagen onder IS heeft geleefd. Aan eiser is in het aanmeldgehoor bovendien voorgehouden dat hij kort moest ingaan op de asielmotieven. Eiser betoogt verder dat hij concreet en chronologisch heeft verklaard over de problemen met IS. Eiser heeft uitdrukkelijk verklaard dat zijn woonplaats onder hun controle kwam in 2012 en niet de hele regio. Eiser meent dat zijn verklaringen elkaar ondersteunen, zoals de waarschuwing dat IS op de hoogte was van de tabaksmokkel, het bezoek van Al Hesbe aan de woning van eisers ouders, eisers vlucht en het controlepostincident in 2025. De minister heeft de verklaringen over het bezoek van Al Hesbe ten onrechte als vaag en onaannemelijk beoordeeld. Dit berust op aannames van de minister over het handelen van Al Hesbe. De minister heeft de veroordeling van eiser en het arrestatiebevel te formalistisch beoordeeld. Eiser heeft verklaard dat dit bevel alleen wordt opgehangen bij de moskee en bij controleposten, dat de veroordeling niet op schrift wordt verstuurd, maar een straf direct wordt uitgevoerd. Ook heeft eiser aangegeven dat op basis van de hoeveelheid gesmokkelde tabak een straf wordt bepaald. De minister werpt ten onrechte tegen dat eiser inzichtelijk had moeten maken op grond waarvan hij wist dat hij was veroordeeld. Ook heeft de minister ten onrechte gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over de zoekmomenten. De motivering miskent dat het gaat om verschillende momenten, op verschillende locaties. Al Hesbe is op één dag twee keer bij eisers moeders woning geweest en een maand later, na eisers vertrek, ook twee of drie keer bij zijn vader. Tot slot is eisers familie in april 2025 bij een controlepost gevraagd naar eiser en diens broer. De minister heeft niet gemotiveerd waarom deze gebeurtenissen niet naast elkaar kunnen bestaan.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister de gestelde problemen met IS op goede gronden ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft in de besluitvorming in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling alle relevante aspecten betrokken en een integrale beoordeling gemaakt. Eiser heeft niet onderbouwd welke relevante aspecten in dit verband onvoldoende zijn betrokken. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in de stelling dat zijn asielrelaas fragmentarisch is beoordeeld, noch in de verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Szpunar. Dit laatste geldt temeer nu aan eiser niet is tegengeworpen dat hij in grote lijnen niet als geloofwaardig wordt beschouwd, en omdat niet is gebleken dat de minister de samenwerkingsplicht heeft geschonden door geen nauwkeurige landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eiser te betrekken, waar het nadien gewezen arrest van het Hof van Justitie onder meer op ziet.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht tegengeworpen dat de verklaring van eiser dat IS eind 2012 de macht overnam in zijn herkomstgebied niet strookt met algemene landeninformatie. Daartoe heeft de minister kunnen wijzen op informatie van Political Geography Now. Eiser heeft deze informatie niet weerlegd. Daartoe is de enkele stelling dat IS aanwezig was in zijn woonplaats, onvoldoende, omdat eiser heeft verklaard dat zij de macht overnamen. Los van eisers verklaring dat dit niet voor het hele gebied gold, heeft eiser verder verklaard dat IS (de stad) Raqqa in handen had op het moment dat hij naar Aleppo vluchtte. Deze verklaring is niet gecorrigeerd en strookt niet met algemene landeninformatie.
De rechtbank is verder van oordeel dat in het geval van eiser kan worden tegengeworpen dat hij in de aanmeldfase tegenstrijdig heeft verklaard. Eiser heeft in het aanmeldgehoor verklaard dat hij in zijn woonplaats zes dagen onder IS heeft geleefd, dat zijn persoonlijke leven niet is veranderd door hun aanwezigheid en dat hij druk was met het Mofadalah (toelatingsexamen) voor een studie in Aleppo. Deze verklaringen zijn wezenlijk anders dan in het nader gehoor; dat hij in zijn woonplaats door IS persoonlijk werd gezocht en is veroordeeld in verband met tabaksmokkel. Eiser heeft deze verklaringen in het aanmeldgehoor naar inhoud niet gecorrigeerd of aangevuld, terwijl hij andere verklaringen op dezelfde pagina wel heeft gecorrigeerd. Dat in het aanmeldgehoor aan eiser is voorgehouden dat alleen kort wordt ingegaan op zijn asielmotieven, laat onverlet dat eiser deze verklaringen heeft afgelegd in het kader van vragen over zijn leefomgeving en niet in het kader van de asielmotieven. Dat betekent dat de verklaringen betrokken mochten worden in de beoordeling. Daarnaast heeft de minister terecht aan eiser tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over hoe vaak IS naar hem gezocht zou hebben. Eiser heeft in eerste instantie verklaard over twee huisbezoeken aan zijn moeder in 2012 en navraag door IS naar eiser bij een controlepost in 2025. Eiser heeft expliciet verklaard dat zij in de tussenliggende periode niet naar hem hebben gezocht. Eiser heeft deze verklaring niet gecorrigeerd. Vervolgens heeft eiser verklaard dat IS in die periode nog twee of drie keer bij zijn vader naar hem heeft gezocht. Dat betekent dat eiser niet samenhangend heeft verklaard, terwijl dit wel van hem mag worden verwacht.
De rechtbank volgt de minister tot slot in de tegenwerping dat eisers verklaringen over een veroordeling door een shariarechtbank vaag zijn. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe hij kennis heeft genomen van de veroordeling, de strafmaat of het arrestatiebevel. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij de veroordeling of het arrestatiebevel niet heeft gezien. Ook heeft eiser aangegeven dat hij niet weet of iemand, zoals zijn familie, het arrestatiebevel heeft gezien, terwijl dit volgens hem wordt opgehangen bij controleposten. Uit eisers verklaringen volgt ook niet dat zijn familie zou zijn medegedeeld dat eiser is veroordeeld. Verder heeft eiser aangegeven dat de strafmaat wordt bepaald op basis van de hoeveelheid gesmokkelde tabak. Onduidelijk is echter welke hoeveelheid hem zou zijn verweten. Eisers verklaringen zijn in dit verband daarom vaag en onsamenhangend. Dat eiser chronologisch over feiten zou hebben verklaard, laat het voorgaande onverlet. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in de enkele stelling dat zijn verklaringen formalistisch zijn beoordeeld. De minister verwachtte van eiser geen stukken, maar enkel dat hij inzichtelijk kan verklaren hoe hij kennis heeft genomen van de gestelde veroordeling tot amputatie.
Nu de gestelde problemen met IS ongeloofwaardig zijn, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege persoonlijke problemen bij terugkeer voor IS te vrezen heeft. De overige argumenten van partijen doen niet aan het voorgaande af en worden daarom niet besproken.
Beoordeling reëel risico op ernstige schade
7. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat de minister geen goede risicobeoordeling heeft gemaakt. Volgens eiser moest de minister beoordelen of hij in Syrië feitelijk bescherming kan krijgen, via welke route hij terug zou moeten keren, of hij zich veilig kan vestigen in zijn oorspronkelijke regio, of dat een binnenlands beschermingsalternatief toegankelijk, veilig en redelijk is. Eisers omstandigheden zijn volgens hem onvoldoende in samenhang beoordeeld, namelijk zijn langdurige afwezigheid in Syrië, zijn verblijf in Libanon, de afkomst uit de regio Raqqa, de actuele situatie daar, de gestelde problemen met IS en dat eisers familie naar eiser is gevraagd in april 2025 bij een controlepost. Volgens eiser is dit laatste geloofwaardig geacht en zijn de omstandigheden risicoverhogend. Daarnaast heeft de minister de veiligheidssituatie in Raqqa onvoldoende concreet beoordeeld. De minister kon niet volstaan met algemene verwijzingen naar beleid of landeninformatie, maar had de actuele veiligheidssituatie, betrokken actoren, mate van bestuurlijke controle, aanwezigheid van explosieve oorlogsresten, situatie van terugkeerders en de humanitaire omstandigheden kenbaar moeten betrekken en moeten motiveren wat die specifiek voor eiser betekent. De beoordeling moet volgens eiser regionaal gedifferentieerd zijn en zo nodig is een afzonderlijke toets aan artikel 3 van het EVRM vereist. Ter onderbouwing heeft eiser gewezen op uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Haarlem en Rotterdam. Tot slot heeft eiser gesteld dat het terugkeerbesluit niet in stand kan blijven.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië een lager niveau van willekeurig geweld geldt, in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de KRi. Ook is geoordeeld dat uit de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 volgt dat humanitaire omstandigheden globaal betrokken moeten worden in de 15c beoordeling, voor zover deze (in)direct voortkomen uit het handelen of nalaten van een actor die partij is bij het gewapend conflict.
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd, waaronder de verwijzingen naar landeninformatie in zijn zienswijze, geen aanleiding voor een ander oordeel dan dat van haar meervoudige kamer. Het bestreden besluit bevat een specifieke beoordeling van de situatie in regio Raqqa op basis van het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 en informatie van onder meer ACLED. Daarbij heeft de minister het aantal geweldsincidenten, het aantal slachtoffers en het aantal ontheemden betrokken. Ook is betrokken dat de regio nu onder controle staat van de overgangsregering (HTS). De rechtbank volgt eiser niet in de verwijzingen naar de uitspraken van de zittingsplaatsen Haarlem en Rotterdam. De in deze uitspraken aangehaalde Country Guidance van de EUAA vermeldt dat in de regio Raqqa niet sprake is van een hoog niveau van willekeurig geweld. Uit de door eiser aangehaalde informatie en andere, meer actuele rapporten van het EUAA komt naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk ander beeld naar voren. Ook heeft de minister voldoende gemotiveerd dat de ernstige humanitaire omstandigheden in Syrië niet of slechts in (zeer) beperkte mate te wijten zijn aan het lopende gewapend conflict. Eiser heeft dit niet concreet weerlegd en heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een hoger niveau, of een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld waarin eenieder te vrezen heeft op ernstige schade.
De rechtbank is verder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege individuele omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van het willekeurig geweld. Uit de overwegingen 6.1 tot en met 6.5. volgt dat de door eiser gestelde problemen met IS op goede gronden ongeloofwaardig zijn geacht. Daaruit volgt dat niet geloofwaardig is dat zijn familie door IS naar eiser zou zijn gevraagd bij een controlepost in april 2025. Eiser heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor IS. De stellingen over feitelijke bescherming en een binnenlands beschermingsalternatief slagen daarom niet. Evenmin heeft eiser onderbouwd dat er geen veilige route is voor terugkeer naar de regio Raqqa, noch dat zijn afwezigheid uit Syrië en verblijf in Libanon het risico op willekeurig geweld verhoogt. Daartoe zijn de enkele stellingen in beroep onvoldoende. Dit geldt temeer nu eiser heeft verklaard dat er geen individuele, of onderscheidende omstandigheden zijn waardoor hij een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat terugkeer niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Daartoe heeft de minister kunnen wijzen op de beslissing van het EHRM. In dit verband acht de rechtbank eveneens van belang dat eiser een volwassen man betreft, die geschikt is om te werken en de lokale taal spreekt, nu hij heeft gestudeerd in Aleppo en op 19-jarige leeftijd vertrok uit Syrië. Eiser heeft de motivering in het bestreden besluit niet concreet betwist.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. De minister heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als ongegrond en heeft een terugkeerbesluit aan eiser mogen opleggen. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.