RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.59343
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets),
en
(gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Procesverloop
Verweerder heeft op 9 juni 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 13 oktober 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1994 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van vreemdelingenbewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 september 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 26 augustus 2026.
4. Eiser stelt dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko ontbreekt. In dit verband wijst hij er op dat er, ondanks alle rappels, tot op heden geen reactie van de Marokkaanse autoriteiten is gekomen op de lp-aanvraag die al op 16 juni 2026 is ingediend en dat er nog geen presentatie is gepland. Verder stelt eiser dat verweerder sinds 26 augustus
2026 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, nu pas weer op 8 september 2026 en 30 september 2026 is gerappelleerd. Volgens eiser is een rappel zonder aanvullende stappen niet voldoende bij een vreemdelingenbewaring die al vier maanden duurt. Ook wijst eiser op het vertrekgesprek van 21 augustus 2026, waarin is gesproken over het beoordelen of een onderzoek via de liaison in Spanje wordt ingesteld. Het is onduidelijk of dit is onderzocht en waarom niet. Verder heeft eiser tijdens vertrekgesprekken verklaard dat hij zijn medewerking zal verlenen zodra een lp wordt afgegeven. Het niet-ontvangen van een lp ligt in de kern aan de Marokkaanse autoriteiten en niet aan eiser. Hij stelt dat de omstandigheid dat hij zijn terugkeer niet bespoedigt, niet maakt dat een bewaring zonder zicht op uitzetting kan voortduren.
5. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiting van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Er zijn geen aanknopingspunten dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in het algemeen, of in het bijzonder van eiser, is komen te ontbreken. Er zijn ten aanzien van eiser geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit volgt dat de Marokkaanse autoriteiten geen lp aan hem zullen verstrekken. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser niet voldoet aan zijn verplichting om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting. Hoewel eiser lijkt te stellen dat hij voldoende meewerkt aan zijn vertrek, blijkt uit de vertrekgesprekken dat hij in juni en juli uitdrukkelijk heeft verklaard niet terug te willen naar Marokko. Tijdens het gesprek op 21 augustus 2026 heeft eiser aangegeven in dit verband het advies van zijn advocaat op te volgen, maar eiser heeft tot op heden niets ondernomen om zijn vertrek te bespoedigen terwijl zijn identiteitsdocumenten in Spanje zouden liggen.
6. Verweerder heeft in een verweerschrift uiteengezet wat de stand van zaken is omtrent het onderzoek in Spanje. Op 20 augustus 2026 heeft de regievoerder de liaison in Spanje verzocht om te verifiëren of het paspoort van eiser door de Spaanse autoriteiten is ingenomen. Tijdens het vertrekgesprek een dag later heeft de regievoerder aan eiser gevraagd waar zijn paspoort precies ligt. Omdat eiser in reactie hierop aangaf dat zijn paspoort bij zijn vreemdelingenadvocaat in Spanje ligt, heeft de regievoerder vervolgens besloten het onderzoek in Spanje te laten vervallen. Verder handelt verweerder voldoende voortvarend aan eisers terugkeer door regelmatig schriftelijk navraag te doen naar de afgifte van een lp voor eiser en door periodiek vertrekgesprekken met eiser te houden.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 13 oktober 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.