ECLI:NL:RBDHA:2026:30171

ECLI:NL:RBDHA:2026:30171

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-09-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer NL26.46734
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

AMB-verordening, Italië, beroep gegrond. Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2023 is het aan de minister is om aannemelijk te maken dat weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van Italië. De eerdere opvangproblematiek lijkt echter onveranderd. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt van de minister dat Italië inmiddels weer structureel in opvang voorziet. Bij overdracht aan Italië zou eiser een reëel risico lopen op schending van zijn of haar grondrechten die neerkomt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.46734

(gemachtigde: mr. R.M. Tjong Kim Sang),

en

(gemachtigde: mr. J.Wieman).

1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat de minister er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 5 juli 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ingediend. Hij stelt van Jemenitische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1981] . De minister heeft met het bestreden besluit van 10 augustus 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.

4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

5. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

6. De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister. De gemachtigde van eiser is via telefoonverbinding verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit

7. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). Op grond van de AMBV neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

8. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om kennisgeving inzake terugname gedaan. Italië heeft de kennisgeving bevestigd.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

9. Eiser voert aan dat hij medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij kampt met gezondheidsklachten en frequente medische zorg en medicatie nodig heeft. Eiser stelt dat hij in Italië geen medische zorg heeft gekregen en is geplaatst in een afgelegen dorp bij Rome zonder voorzieningen. Daardoor moest eiser lange afstanden lopen en reizen om basisvoorzieningen te bereiken. Eiser vreest dat een overdracht naar Italië ertoe zal leiden dat hij opnieuw zorg zal missen en in een mensonterende situatie terechtkomt zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Ibrahim.

10. De minister stelt zich op het standpunt dat bij eiser geen sprake is van een bijzonder ernstige gezondheidssituatie en dat een overdracht daarom niet zal leiden tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen, zoals bedoeld in het arrest C.K. van 16 februari 2017. De enkele verklaring van eiser dat hij last heeft van hoge bloeddruk is daarvoor onvoldoende. Daarnaast mag ervan worden uitgegaan dat eventuele medische zorg in Italië beschikbaar is. Eiser heeft volgens de minister niet onderbouwd dat hij daar geen toegang heeft tot zorg of dat hij in Nederland een specifieke behandeling nodig heeft.

11. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het OVA-formulier blijkt dat eiser last heeft van hoge bloeddruk. Tijdens de zitting heeft eiser daaraan toegevoegd dat hij ook hartklachten heeft waarvoor hij aspirine gebruikt, en dat hij medicatie slikt tegen de hoge bloeddruk. Daarnaast heeft eiser toegelicht dat uit het door hem overgelegde document ‘UCAF 2.0’ blijkt dat hij diabetes type 2 heeft. De minister heeft tijdens de zitting erkend dat dit document over het hoofd is gezien. In het besluit wordt bovendien niets vermeld over de medische stukken of over eisers gezondheidstoestand. Ook bevat het dossier geen verklaringen van eiser hierover. Daardoor is sprake van onvolledige informatie. Nu deze informatie niet door de minister is betrokken bij zijn besluitvorming, is het besluit onzorgvuldig voorbereid. Dat het document ‘UCAF 2.0’ slecht leesbaar is, doet daar niet aan af. Als de minister het document onvoldoende leesbaar vond, had het op de weg van de minister gelegen om eiser om een goed leesbare kopie te vragen. Op grond van wat in beroep en op de zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank daarom van oordeel dat het besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De beroepsgrond slaagt.

Kan ten aanzien van Italië (weer) worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

Standpunt eiser

12. Eiser voert aan dat ten aanzien van Italië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser stelt dat overdrachten naar Italië sinds eind 2022 waren stopgezet vanwege zorgen over het Italiaanse asielsysteem, met name de opvangsituatie, en dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd dat er nu wel toereikende opvang beschikbaar is. Volgens eiser is een mondelinge toezegging van de Italiaanse minister niet genoeg, er moet schriftelijk en verifieerbaar blijken dat het Migratiepact volledig is geïmplementeerd en dat het asielsysteem en de opvangvoorzieningen op orde zijn. Daarvan is volgens eiser geen sprake. Hierbij verwijst eiser ook naar verschillende nieuwsartikelen die zijn standpunt onderbouwen.

Standpunt minister

13. De minister stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Italië weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De minister vindt dat de situatie in Italië, sinds de opschorting van overdrachten aan Italië, wezenlijk is veranderd. De minister wijst erop dat hij een gesprek heeft gehad met de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken, waarbij onder andere is besproken dat Italië medewerking gaat verlenen aan het Asiel- en Migratiepact. Dit is schriftelijk neergelegd in een ‘declaration of intent’ tussen beide ministers. De minister verwijst in dit kader ook naar het openbare informatiebericht dat daarover is gepubliceerd. De brief van de Italiaanse autoriteiten van 5 december 2022 (circular letter), waarin andere lidstaten is gevraagd om Dublinoverdrachten op te schorten, is daarmee niet langer van kracht. Dat staat ook in een brief aan de Tweede Kamer van 22 juni 2026 (Verslag JBZ-Raad). Op basis hiervan is gegarandeerd dat Italië de eenzijdige blokkade voor overdrachten vanaf 12 juni 2026 heeft opgeheven. Volgens de minister betekent dit dat de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023 geen beletsel meer vormt om vreemdelingen over te dragen aan Italië en dat weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan.

14. Daarnaast wijst de minister erop dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat een eenzijdige opschorting van overdrachten door een lidstaat op zichzelf niet bepalend is om te concluderen dat er sprake is van structurele systeemfouten; de vaststelling dat sprake is van structurele systeemfouten kan alleen plaatsvinden na analyse van alle relevante elementen op basis van objectieve en recente informatie.

15. Ten aanzien van de opvang stelt de minister dat een asielzoeker die terugkeert naar Italië toegang zal hebben tot de belangrijkste voorzieningen. Op 15 juli 2026 heeft de Europese Commissie in een rapport opgemerkt dat het nationale opvangsysteem van Italië toereikend lijkt om de vreemdelingen, die op grond van de AMBV worden overgedragen, onder te brengen in het landelijke netwerk voor opvangvoorzieningen. Ook volgt uit dit rapport dat in het geval van toename van het aantal overdrachten een uitbreiding van de opvangcapaciteit mogelijk is. Verder volgt uit landeninformatie niet dat eiser na overdracht aan Italië geen opvang krijgt of dat daar serieuze problemen zijn met de asielprocedure. De minister verwijst naar het AIDA-rapport van juli 2025, het rapport van de European Union Agency for Asylum (EUAA) van juni 2026 en een Asylum and Migration Overview over 2025 van het European Migration Network (EMN). Voor de meest recente cijfers over de aanwezige vreemdelingen in de opvang in Italië, verwijst de minister naar de wekelijkse rapporten van het Italiaanse ministerie van Binnenlandse Zaken hierover. De minister heeft daarnaast gekeken naar informatie van de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) over de situatie in Italië, maar ook daaruit volgt niet dat eiser geen opvang zal krijgen na zijn overdracht aan Italië of dat daar serieuze problemen zijn met de asielprocedure. Bovendien heeft de UNHCR de Europese lidstaten niet gevraagd om mensen niet over te dragen aan Italië, terwijl zij dat soms wel doen als er grote problemen in een land zijn.

Toetsingskader

16. Bij de beoordeling welke lidstaat op grond van de toepasselijke criteria verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling bij een van de lidstaten ingediend asielverzoek, gaat de minister uit van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest. Dat vermoeden, dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, is weerlegbaar. In zijn uitspraak van 26 april 2023 heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister onder de toen geldende omstandigheden niet langer van dat vertrouwen ten aanzien van Italië mocht uitgaan. De Afdeling kwam tot dat oordeel omdat de opvangvoorzieningen in Italië systeemfouten vertoonden en uit de berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten bleek dat voor Dublinclaimanten feitelijk geen opvangfaciliteiten beschikbaar waren. Daardoor bestond volgens de Afdeling een reëel risico dat vreemdelingen buiten hun wil en keuzes om bij overdracht aan Italië terecht zouden komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, zoals bedoeld in punt 92 van het arrest Jawo, waardoor zij niet konden voorzien in hun meest basale behoeften, zoals onderdak, eten en stromend water.

17. Deze uitspraak van de Afdeling zag nog op de Dublinverordening, maar ook onder de nieuwe AMBV geldt dat niet wordt overgedragen als gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op schending van zijn grondrechten in de zin van artikel 4 van het Handvest.

18. Gelet op deze regels in de AMBV en op de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023 is het aan de minister om, omdat hij de overdrachten na 12 juni 2026 weer heeft hervat, aannemelijk te maken en deugdelijk te motiveren dat ten aanzien van Italië weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat sprake is van nieuwe informatie sinds 7 februari 2023 die tot het oordeel moeten leiden dat de voorheen geldende blokkade – die het gevolg is van de door de Italiaanse autoriteiten zelf gestelde opvangproblematiek – niet meer aan de orde is en dat (voldoende) opvangvoorzieningen aanwezig zijn voor vreemdelingen die worden overgedragen.

Beoordeling

19. Op 1 september 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, uitspraak gedaan waarin is geoordeeld dat de minister er niet in geslaagd is om aannemelijk te maken dat weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan. Ook heeft zittingsplaats Utrecht op 14, 16 en 21 september 2026 soortgelijke uitspraken gedaan. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak aanleiding om deze oordelen te volgen, omdat de minister zich in deze zaak op dezelfde informatie en stukken baseert.

20. De minister stelt dat de ‘declaration of intent’ garandeert dat de eenzijdige blokkade vanaf 12 juni 2026 wordt opgeheven en dat vreemdelingen toegang hebben tot de belangrijkste voorzieningen. De rechtbank volgt dit standpunt van de minister niet. Uit de ‘declaration of intent’ volgt namelijk alleen het voornemen van de minister en de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken op operationeel niveau samen te werken bij de uitvoering van het Asiel- en Migratiepact, maar niet dat er concrete afspraken zijn gemaakt over het hervatten van overdrachten, of de beschikbaarheid van opvang vreemdelingen die overgedragen worden.

21. Bovendien constateert de rechtbank dat concrete aanwijzingen ontbreken dat de situatie inmiddels, dan wel sinds de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact op 12 juni 2026, wezenlijk is gewijzigd. Integendeel, er zijn juist aanknopingspunten dat de situatie ongewijzigd is gebleven. In het EU-rapport van juli 2026, waarnaar de minister in het verweerschrift verwijst, heeft de Europese Commissie de eerste drie weken van de toepassing van de nieuwe verantwoordelijkheidsregels van het Asiel- en Migratiepact in Italië beoordeeld. De Commissie vermeldt dat in Italië weliswaar voorbereidingen zijn getroffen voor de uitvoering van het Asiel- en Migratiepact en het opvangsysteem toereikend lijkt, maar dat overdrachten vanuit andere lidstaten nog steeds niet plaatsvinden. In de eerste drie weken werden alle twaalf aangevraagde overdrachten door Italië geweigerd. De Commissie concludeert dat er vooralsnog geen concrete aanwijzingen zijn dat de eerdere praktijk, sinds de brief van 2022 wordt toegepast, is beëindigd. Volgens de Commissie moet Italië de resterende belemmeringen voor overdrachten met voorrang wegnemen. Bij gebrek aan informatie over de redenen van weigering, gaat de rechtbank uit van het vermoeden dat dit – nog altijd – het gevolg is van de situatie in Italië zoals eind 2022 en begin 2023 is geschetst door de Italiaanse autoriteiten en zoals ook nog blijkt uit het AIDA-rapport van juli 2026, namelijk een gebrek aan opvangcapaciteit.

22. Uit de landeninformatie over Italië waar de minister naar heeft verwezen blijkt ook niet dat de situatie is verbeterd. De pagina’s uit het EUAA-rapport waar de minister naar heeft verwezen, gaan helemaal niet in op de opvangsituatie in Italië. Overigens gaat dat rapport ook niet in op de situatie rondom overdrachten op grond van de Dublinverordening of de AMBV, terwijl dat wel de situatie is die de rechtbank moet beoordelen. Ook in de verwijzing naar de Asylum and migration overview 2025 van EMN wordt niet ingegaan op de opvangsituatie. Uit de wekelijkse rapporten van het Italiaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken, waar de minister naar verwijst, leidt de rechtbank verder alleen af hoeveel vreemdelingen er momenteel worden opgevangen, maar ook hierin staat niks vermeld over de totale opvangcapaciteit.

22. Uit de overige door de minister aangehaalde landeninformatie komt bovendien ook een ander beeld naar voren dan door de minister is geschetst. De eerder door Italië zelf gestelde opvangproblematiek lijkt namelijk onveranderd. Uit het AIDA-rapport van 2025 volgt dat het opvangsysteem geen plekken heeft die gereserveerd zijn voor Dublinterugkeerders. In het meest recente AIDA-rapport van 2026 staat een vergelijkbare passage over de situatie in april 2026. Verder wordt in het AIDA-rapport van 2025 de weigerachtige houding van Italië ten aanzien van de Dublinoverdrachten bevestigd. Ook vermeldt het AIDA-rapport dat de aanzienlijke toename van het aantal asielzoekers het Italiaanse opvangstelsel onder druk heeft gezet en dat de Italiaanse autoriteiten in oktober 2024, in het kader van de verlengde noodtoestand, vasthielden aan de opschorting van inkomende overdrachten. De door de minister genoemde landeninformatie bevestigt daarmee juist de structurele opvang- en overdrachtsproblematiek. Andersluidende informatie waaruit volgt dat deze problematiek wezenlijk is verbeterd, ontbreekt.

24. Kort samengevat blijkt uit de door de minister aangehaalde informatie wellicht dat Italië de intentie heeft om vreemdelingen in het kader van de AMBV weer op te nemen en op te vangen, maar over de vraag of Italië daartoe feitelijk ook weer in staat is, ontbreekt concrete informatie. Uit de beschikbare gegevens kan momenteel dan ook onvoldoende worden afgeleid dat de situatie voor vreemdelingen die worden overgedragen naar Italië, is verbeterd ten opzichte van de periode waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat niet meer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. De minister is er dus niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië en dat er geen sprake meer is van een reëel risico dat vreemdelingen buiten hun eigen wil en keuzes om bij overdracht aan Italië terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals onderdak, eten en stromend water. Het beroep is ook daarom gegrond.

Conclusie en gevolgen

25. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank draagt de minister dan ook op om een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

26. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 10 augustus 2026;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 28 september 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand