RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,geboren op [geboortedatum],van Jemenitische nationaliteit, V-nummer: [nummer],
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7643
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en
(gemachtigde: mr. L. Drenthe).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook was een tolk aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag, dat het in Jemen niet veilig is vanwege de verschillende groeperingen die tegen elkaar vechten. Verder vreest eiser persoonlijk voor gevaar vanwege zijn werk bij een humanitaire organisatie. Oxfam heeft een slechte reputatie in Jemen. De organisatie wordt onder andere beschuldigd van evangeliseren. Eiser is meerdere keren bedreigd tijdens zijn werk. Zo heeft een leider van de veiligheidsgordel hem tot doelwit gemaakt. In Jemen is er geen autoriteit die burgers kan beschermen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. Bedreiging door een groep mannen tijdens zijn werkzaamheden in Lahj; 3. Aanval in Dar Saad en tot doelwit gemaakt door [persoon].
De minister vindt de eerste twee asielmotieven geloofwaardig, maar het derde asielmotief niet. Eiser heeft namelijk onvoldoende bewijs overgelegd van het incident dat heeft plaatsgevonden tussen hem en [persoon]. Daarnaast heeft eiser wisselend verklaard over de directe aanleiding van zijn vertrek uit Jemen. In Aden, waar eiser vandaan komt, geldt een relatief hoger niveau van willekeurig geweld, maar eiser heeft volgens de minister niet aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van dit willekeurige geweld.
Wat vindt eiser?
5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn asielaanvraag heeft afgewezen. Eiser vindt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hem vanwege individuele omstandigheden bescherming moet worden geboden. Om dit te onderbouwen heeft eiser documenten overgelegd van de problematiek die voortvloeit uit zijn werkzaamheden voor een humanitaire organisatie (Oxfam). Volgens eiser heeft de minister daar onvoldoende gewicht aan toegekend. Ook heeft [persoon], leider van de veiligheidsgordel, eiser tot persoonlijk doelwit gemaakt. Om de algehele onveilige situatie in Jemen te onderbouwen heeft eiser verschillende stukken overgelegd, zoals een artikel over aanvallen van de Houthi’s, een negatief reisadvies voor Jemen, een artikel over de veiligheidssituatie in Jemen en een artikel van de speciale gezant van de Verenigde Naties voor Jemen met een waarschuwing voor escalerend geweld aldaar.
Verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld
6. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser is afkomstig uit de stad Aden. Voor Aden geldt een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Voor zover eiser dit in beroep betwist, overweegt de rechtbank als volgt. In een uitspraak van de meervoudige kamer van deze zittingsplaats is uitgelegd waarom zich in Jemen niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld voordoet. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan en maakt de dragende overwegingen tot de hare. Bovendien zien de door eiser overgelegde stukken op andere provincies in Jemen dan Aden.
7. Bij lagere niveaus van willekeurig geweld moet eiser aan de hand van zijn persoonlijke individuele situatie en omstandigheden aannemelijk maken dat juist hij specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Naar het oordeel van de rechtbank kon de minister zich op het standpunt stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt, dat juist hij specifiek vanwege zijn individuele situatie en omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De rechtbank legt dat hieronder uit.
Vooropgesteld moet worden, dat medewerkers van humanitaire organisaties niet opgenomen als risicoprofiel in het landenbeleid voor Jemen. Ook de door eiser overgelegde stukken tonen niet aan dat medewerkers van deze organisaties zonder meer een verhoogd risico lopen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Verder stelt de minister terecht dat eiser wisselend heeft verklaard over de reden van zijn vertrek. Zo zegt eiser eerst te zijn gevlucht vanwege de algemene situatie in Jemen en de negatieve belangstelling voor medewerkers van humanitaire organisaties. Later verklaart eiser te zijn gevlucht vanwege de bedreigingen tijdens het uitvoeren van werkzaamheden voor Oxfam. Van eiser mag verwacht worden dat hij consistent verklaart over de directe aanleiding van zijn vertrek, hetgeen hij niet heeft gedaan.
Ook heeft de minister niet ten onrechte geconcludeerd dat er verschillen zijn in de verklaringen van eiser en die van de directeur-generaal van de uitvoerende eenheid van de ontheemden (hierna: de directeur-generaal) over het incident met [persoon]. Zo verklaart eiser dat [persoon] persoonlijk naar hem toe kwam, aan zijn kleren trok, hem uitschold en met de kolf van zijn geweer op zijn linkerschouder sloeg. De directeur-generaal verklaart echter dat er een wapen werd gericht op het gehele veldteam. De minister stelt hierbij niet ten onrechte dat er een wezenlijk verschil is tussen het richten van een wapen op een groep mensen en een persoonlijke aanval op één individu. Verder mocht de minister vinden dat aan deze officiële melding van dit incident weinig waarde kan worden gehecht, omdat het een verklaring van een derde, de directeur-generaal, betreft die niet zelf bij het incident aanwezig was. Hierbij is ook van belang dat de directeur-generaal niet [persoon], leider van de veiligheidsgordel, als dader noemt, maar spreekt van een bedreiging door een van de bewoners die in het gebied verblijven. Bij een officiële melding van een incident aan de Jemenitische autoriteiten mag verwacht worden dat de dader genoemd wordt.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Ook krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.