RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.21306
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Wouters),
en
(gemachtigde: mr. J. Sanchez-Remrev).
Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verweerder heeft in reactie hierop een verweerschrift ingediend.
Partijen zijn uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van het beroep op 11 juli 2024.
De mondelinge behandeling heeft toen geen doorgang gevonden. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden in verband met een door Bureau Documenten uit te voeren onderzoek.
Na ontvangst van het rapport van Bureau Documenten en de reactie hierop van eisers gemachtigde, heeft de rechtbank op 26 november 2024 besloten om de behandeling van de zaak verder aan te houden, om eiser in de gelegenheid te stellen tot het doen uitvoeren van een contra-expertise.
Eisers gemachtigde heeft de rechtbank op 7 oktober 2025 bericht dat geen contra-expertise is uitgevoerd en verzocht om een mondelinge behandeling van het beroep.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1990. Hij heeft op 13 november 2022 een asielaanvraag ingediend. Aan die aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij Syrië heeft verlaten vanwege de slechte veiligheidssituatie in dat land. Ook zouden de Syrische autoriteiten naar hem op zoek zijn. Toen eiser een antecentenverklaring wilde aanvragen werd hem meegedeeld dat hij zich moest melden bij de veiligheidsdienst.
2. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat het niet geloofwaardig is dat de Syrische autoriteiten naar eiser op zoek zijn. Volgens verweerder valt niet in te zien waarom eiser dit pas tijdens het nader gehoor en niet bij gelegenheid van zijn eerdere gehoren heeft kunnen vertellen. Daarnaast valt niet in te zien waarom eiser destijds niet onmiddellijk is gearresteerd toen hij een antecedentenverklaring aanvroeg. Eisers verklaringen zijn verder erg beperkt en summier. Daarbij valt op dat eiser niet weet waar hij zich moest melden. Ten slotte zou het gestelde in 2020 hebben plaatsgevonden, terwijl eiser nog tot eind 2022 in Syrië heeft verbleven en, ondanks alle controleposten ter plaatse, zonder problemen heeft kunnen werken bij een telecomprovider. Eiser heeft Syrië op legale wijze verlaten. Het is volgens verweerder evenmin aannemelijk dat eiser vanwege de algemene veiligheidssituatie bij terugkeer problemen heeft te verwachten. Verweerder wijst er op dat eiser sinds het begin van de burgeroorlog in 2011 tot aan zijn vertrek in 2022 in Damascus heeft gewoond, dat onder controle van het regime stond. Verweerder concludeert daarom dat niet aannemelijk is dat eiser in Syrië een gegronde vrees voor vervolging heeft of bij terugkeer in Syrië zal worden blootgesteld aan ernstige schade.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Allereerst stelt hij dat verweerder ten onrechte tegenwerpt dat eiser pas vrij laat heeft verklaard over het feit dat hij wordt gezocht. In de zienswijze is uitgelegd dat eiser de antecedentenverklaring via een tussenpersoon heeft verkregen en zo ook heeft vernomen dat hij wordt gezocht. Hij heeft zich tot aan zijn vertrek aan problemen weten te onttrekken door controleposten te omzeilen en een enkele keer ambtenaren om te kopen. Ook zijn uitreis via het vliegveld is mogelijk geworden door omkoping. Eiser stelt verder vanwege zijn verblijf in Nederland bij terugkeer in Syrië problemen te verwachten. Ter onderbouwing heeft hij een uittreksel uit het justitieel register, uitgegeven door het Ministerie van Binnenlandse zaken, overgelegd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom hij niet gelooft dat de Syrische autoriteiten al vóór eisers vertrek naar eiser op zoek waren. Zoals verweerder terecht overweegt heeft eiser pas tijdens het nader gehoor op 17 november 2023 verklaard persoonlijk in de negatieve belangstelling van de Syrische autoriteiten te staan. Tijdens het gehoor bij de AVIM verklaarde hij over een persoonsverwisseling met iemand die gezocht wordt. Eiser heeft tijdens het aanmeldgehoor in 2022 niet uitgelegd wat zijn concrete problemen met de Syrische autoriteiten zijn en heeft dit ook niet toegelicht op het schriftelijk vragenformulier in 2023. Het overgelegde document is op 1 oktober 2024 door Bureau Documenten beoordeeld als met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. Dit deskundigenoordeel is in beroep niet bestreden. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eiser zich beroept op valse documenten verder afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eiser.
5. Voor zover eiser overigens heeft aangevoerd dat het voor hem niet veilig is om terug te keren, geldt dat na het vertrek van eiser in Syrië een machtswisseling heeft plaatsgehad. Over de periode daarvóór heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat in het algemeen niet aannemelijk is dat terugkeerders alleen al vanwege hun verblijf in Nederland problemen hadden te verwachten. Eiser heeft het tegendeel niet aannemelijk weten te maken. Evenmin is aannemelijk geworden dat de toenmalige Syrische autoriteiten destijds op de hoogte waren van eisers asielaanvraag.
6. Eiser heeft de rechtbank op 5 januari 2026 schriftelijk bericht dat hij bij terugkeer in Syrië ernstige problemen vreest omdat hij homoseksueel is. Eiser stelt dat schaamte, angst voor afwijzing en culturele taboes hem ervan hebben weerhouden om hierover eerder te verklaren. Hij heeft de rechtbank verzocht om de behandeling van het beroep aan te houden zodat verweerder in de gelegenheid kan worden gesteld om hem aanvullend te horen.
7. De rechtbank stelt vast dat het inhoudelijke beroep sinds mei 2024 aanhangig is. Tot twee keer toe heeft eiser kort voor een met zijn instemming geplande mondelinge behandeling gevraagd om een aanhouding. De behandeling is ook langdurig aangehouden. Eiser heeft daarbij verzuimd om de rechtbank tijdig te berichten dat de grond voor een verdere aanhouding was komen te vervallen. Voor wat betreft eisers stelling dat hij uit schaamte en angst niet eerder in staat is geweest om uit te spreken dat hij in Syrië problemen vreest vanwege zijn homoseksualiteit, merkt de rechtbank op dat eiser bij zijn verzoek om aanhouding heeft toegelicht dat hij sinds eind 2024 een liefdesrelatie heeft met een Nederlandse man en dat hij daarover acht maanden geleden ook met zijn casemanager heeft gesproken en een melding heeft gedaan bij de GZA van een vrije seksuele relatie. Gelet hierop valt voor de rechtbank vooralsnog niet in te zien dat eiser zijn nieuwe asielmotief niet eerder heeft kunnen aanvoeren. Al met al is de rechtbank van oordeel dat het in strijd met de goede procesorde moet worden geacht en tot een ontoelaatbare vertraging van de huidige procedure zal leiden indien het nieuwe asielmotief nu alsnog bij de beoordeling van het beroep wordt betrokken.
8. Verweerder heeft in het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond.
9. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 16 februari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.