ECLI:NL:RBDHA:2026:30194

ECLI:NL:RBDHA:2026:30194

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer 09/266739-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

De verdachte wordt veroordeeld voor het meermaals aanwezig hebben van harddrugs, het voorhanden hebben van een balletjespistol en munitie en mishandeling van zijn stiefzus. De rechtbank spreekt verdachte vrij van de bedreiging van zijn stiefzus. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk en een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/266739-25

Datum uitspraak: 7 oktober 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 23 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.R.C. Polderman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. H.W. van Eeuwijk naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, gewijzigd op de terechtzitting van 23 september 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van alle feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Vrijspraak

De rechtbank is met betrekking tot het onder 5 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. In de tenlastelegging is als pleegdatum 25 april 2024 opgenomen. In het dossier bevindt zich een aangifte waaruit blijkt dat aangeefster op 26 februari 2024 bedreigd zou zijn door de verdachte door middel van spraakberichten. Deze spraakberichten zijn in het dossier uitgewerkt. De rechtbank kan uit het dossier echter niet afleiden dat deze spraakberichten door de verdachte zijn verstuurd, dan wel door de aangeefster zijn ontvangen op of rond de ten laste gelegde pleegdatum van 25 april 2024. De rechtbank moet de verdachte daarom vrijspreken van dit feit.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor de onder 1,2,3,4 en 6 tenlastegelegde feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft de feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

Verder heeft de officier van justitie met betrekking tot alle feiten gerekwireerd tot bewezenverklaring.

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn als bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij op 11 december 2023 te ’s-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8,1 gram, zijnde cocaïne ongeveer 292,4 gram, zijnde 3-CMC en ongeveer 341,8 gram zijnde MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2

hij op 11 december 2023 te ’s-Gravenhage munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

- 50 kogelpatronen van het kaliber 7,62mm x 25

voorhanden heeft gehad;

3

Hij op 11 december 2023 te ’s-Gravenhage een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder a van de RWM te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat die voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk

- een balletjespistool dat qua afmetingen en uiterlijke verschijningsvormen een sterke gelijkenis vertoont met een echt vuurwapen, te weten een pistool (merk: Walther, type: P99),

voorhanden heeft gehad.

4

hij op 24 februari 2024 te ’s-Gravenhage zijn stiefzuster, [naam] ,

heeft mishandeld door die [naam] meermalen, in/tegen haar gezicht en hoofd en lichaam te slaan en te stompen en meermalen een kopstoot te geven

6

hij op omstreeks 25 september 2024 te ‘s-Gravenhage,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

- 10 witte bolletjes, met een totaal netto gewicht van circa 2,4 gram cocaïne,

zijnde cocaïne

- 1 bruin bolletje, met een totaal netto gewicht van circa 0,2 gram heroïne, zijnde heroïne

- ongeveer 16,5 gram, zijnde cocaïne

- ongeveer 16,1 gram zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drugs en wapens gerelateerde feiten. De verdachte heeft zich daarnaast meermaals schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van harddrugs (MDMA, 3CMC en cocaïne). Harddrugs zijn zeer schadelijk voor de volksgezondheid en vormen daarnaast een bedreiging voor de samenleving in het algemeen vanwege de criminaliteit en de overlast die de handel in en het gebruik van verdovende middelen met zich meebrengt. De verdachte heeft daaraan bijgedragen.

Daarnaast had de verdachte ook een balletjespistool en munitie voorhanden. Het ongecontroleerde bezit van op vuurwapens gelijkende voorwerpen en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen.

Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn stiefzus. Met het bewezenverklaarde handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer in ernstige mate geschonden. Dergelijk handelen zorgt niet alleen voor gevoelens van angst en onveiligheid bij de direct betrokkene, maar ook bij andere personen in de samenleving.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 7 augustus 2026. Hieruit is gebleken dat de verdachte niet recent voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Het strafblad is niet van invloed op de op te leggen straf.

Schending redelijke termijn

De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een strafzaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis in eerste aanleg binnen twee jaar nadat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het EVRM is aangevangen. In deze zaak is die termijn aangevangen op 11 december 2023. De redelijke termijn is overschreden met 9 maanden. De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze overschrijding een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen passende modaliteit meer is.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank houdt in de op te leggen straf rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die op zitting door de raadsman naar voren zijn gebracht. De rechtbank weegt hierin onder andere mee dat de verdachte na een ongeluk mindervalide is geworden en dat hij inmiddels onderdak heeft gevonden.

De op te leggen straf

De rechtbank acht, alles afwegende een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van twee jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen passend en geboden.

De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

7. De inbeslaggenomen voorwerpen

De officier van justitie heeft verzocht het op de beslaglijst (die als bijlage III aan dit vonnis is gehecht) genoemde geldbedrag terug te geven aan de verdachte. De raadsman heeft echter te kennen gegeven dat de verdachte het geldbedrag reeds heeft teruggekregen. Gelet daarop houdt de rechtbank het ervoor dat het beslag reeds is afgewikkeld.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 300 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I;

- 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1,2,3,4 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 en feit 6:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van feit 4:

mishandeling

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) MAANDEN;

bepaalt dat die straf, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 240 (tweehonderd veertig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (honderdtwintig) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.X. Cozijn, voorzitter,

mr. M.R. Aaron, rechter,

mr. J.E. van Essen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R.J. van Egmond, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. F.X. Cozijn
  • mr. M.R. Aaron
  • mr. J.E. van Essen

Griffier

  • mr. R.J. van Egmond

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand