ECLI:NL:RBDHA:2026:3020

ECLI:NL:RBDHA:2026:3020

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-02-2026
Datum publicatie 17-02-2026
Zaaknummer NL25.19126
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Asiel Sri Lanka, Tamil-bevolkingsgroep; BNT niet-ontvankelijk, wel PKV; gebrek in de voorbereiding van de afwijzing van de aanvraag; geloofwaardigheid van asielrelaas niet in strijd met Unierecht; niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser in Sri Lanka ten onrechte wordt verdacht van een verkeersongeluk; niet in negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten; uitzetting is niet in strijd met het recht op eerbiediging van zijn gezinsleven; geen recht om bij zijn (stief)kinderen in Nederland te blijven op grond van Chavez-Vilchez; beroep gegrond, maar rechtsgevolgen kunnen in stand blijven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.19126

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven, maar dat wel sprake is van een gebrek in de voorbereiding van de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank vernietigt daarom het besluit, maar bepaalt ook dat de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig acht dat eiser in Sri Lanka ten onrechte wordt verdacht van een verkeersongeluk. De minister kan ook tot de conclusie komen dat eiser niet in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat of komt te staan. Verder is de uitzetting van eiser niet in strijd met het recht op eerbiediging van zijn gezinsleven en heeft eiser ook geen recht om bij zijn (stief)kinderen in Nederland te verblijven op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop uiteen (2). Daarna volgt de beoordeling door de rechtbank (3-12). Tot slot geeft de rechtbank een conclusie en de gevolgen van die conclusie (13).

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 februari 2022 een asielaanvraag ingediend.

De minister heeft op 21 oktober 2024 een voornemen uitgebracht. Eiser heeft daarop gereageerd met een zienswijze van 18 november 2024.

Eiser heeft op 2 februari 2025 de minister in gebreke gesteld omdat de minister nog niet op de asielaanvraag had beslist. Op 24 april 2025 heeft eiser vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.

Met een nieuw voornemen van 22 mei 2025 heeft de minister het eerdere voornemen ingetrokken. Eiser heeft daarop gereageerd met een zienswijze van 19 juni 2025.

De minister heeft vervolgens met het bestreden besluit van 15 juli 2025 alsnog op de asielaanvraag beslist en de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft op 30 juli 2025 tegen het bestreden besluit beroepsgronden ingediend.

De minister heeft op 12 september 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Eiser heeft op 23 september 2025 op het verweerschrift gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser nog een belang bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen?

3. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep wegens niet tijdig beslissen, omdat de minister in beroep alsnog op de asielaanvraag van eiser heeft beslist. Het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag is daarom niet-ontvankelijk. Wel heeft eiser recht op een vergoeding van zijn proceskosten, omdat de minister niet tijdig heeft beslist en het indienen van het beroep daarom terecht was.

Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat dit beroep ook is gericht tegen het besluit van 15 juli 2025. De rechtbank zal dit besluit daarom hierna toetsen aan de hand van gronden die eiser daartegen heeft aangevoerd.

Het asielrelaas

4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Sri Lankaanse nationaliteit en behoort tot de Tamil-bevolkingsgroep. In januari 2017 was hij getuige van een verkeersongeluk waarbij een persoon is overleden. Eiser werd ten onrechte verantwoordelijk gehouden, gearresteerd, geslagen en ondervraagd op het politiebureau. Na betaling van steekpenningen door zijn neef werd hij vrijgelaten. Diezelfde nacht werd hij in zijn woning door vier mannen, onder wie vermoedelijk de veroorzaker van het ongeluk, aangevallen en voor dood achtergelaten. Na ziekenhuisopname vernam eiser van zijn neef dat de politie waarschijnlijk bij het incident was betrokken en zijn adres aan de belagers had doorgegeven. Eiser dook vervolgens onder, terwijl de politie naar hem bleef zoeken en meerdere huiszoekingen verrichtte. Op 23 juli 2018 heeft hij Sri Lanka verlaten. Eiser vreest bij terugkeer voor de politie en voor de veroorzaker van het ongeluk. Daarnaast vreest hij voor de autoriteiten vanwege zijn politieke activiteiten. In Europa (onder meer in Duitsland en Nederland) heeft eiser deelgenomen aan demonstraties van de Tamilbeweging en is hij betrokken bij het Tamil Forum en via vrienden bij het Tamil Coordinating Committee (TCC). Hij neemt deel aan herdenkingen en demonstraties zoals de Heldendagen, Black July en 18 mei, en verwijst ter onderbouwing naar foto’s en videobeelden, waaronder een YouTube-filmpje. Eiser geeft hiermee uiting aan zijn streven naar een onafhankelijke Tamilstaat (Tamil Eelam). Hij vreest dat de Sri Lankaanse autoriteiten hiervan op de hoogte zijn, omdat zij in Europa spionnen inzetten. Eiser is voornemens om zich ook in Sri Lanka politiek uit te spreken en dat staan de autoriteiten volgens hem niet toe.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

identiteit, nationaliteit en herkomst;

ten onrechte verdachte van een verkeersongeluk;

politieke overtuiging.

De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst (asielmotief één) en de politieke overtuiging van eiser (asielmotief drie) geloofwaardig geacht. De minister heeft het tweede asielmotief, dat eiser ten onrechte verdachte is van een verkeersongeluk, ongeloofwaardig geacht. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve stukken, zijn relaas vormt geen samenhangend en aannemelijk geheel, en eiser heeft zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder b, c en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De minister stelt verder dat de geloofwaardig geachte asielmotieven niet tot de conclusie kunnen leiden dat eiser bij terugkeer naar Sri Lanka te vrezen heeft voor vervolging dan wel dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn identiteit, nationaliteit of herkomst gevaar loopt of dat hij als gevolg van zijn politieke overtuiging in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat of komt te staan. De minister heeft de asielaanvraag daarom afgewezen.

Zorgvuldige totstandkoming van het bestreden besluit

6. Eiser betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser voert daartoe aan dat de minister in het bestreden besluit dezelfde motivering over artikel 8 van het EVRM hanteert als in het voornemen van 21 oktober 2024, terwijl dat voornemen bij het voornemen van 22 mei 2025 was ingetrokken. Omdat dat voornemen was ingetrokken was de motivering voor eiser niet kenbaar en heeft hij daar niet in de zienswijze op kunnen reageren. Eiser is door de kortere termijn die hij nu heeft om op deze motivering te reageren niet in staat om alle relevante feiten en argumenten volledig naar voren te brengen. Daarmee is sprake van een gebrek dat niet kan worden gepasseerd. Ook heeft de minister pas in het bestreden besluit beoordeeld of sprake is van een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Ook daarop heeft hij daarom niet in de zienswijze kunnen reageren.

De rechtbank begrijpt eisers betoog zo dat de minister op grond van artikel 3.119 van het Vb 2000 een nieuw voornemen had moeten uitbrengen en daarin de beoordeling op grond van artikel 8 van het EVRM en de Chavez-beoordeling had moeten motiveren zodat vervolgens vier weken tijd zou hebben om daarop met een zienswijze te reageren.

Artikel 3.119 van het Vb 2000 is een procedurele zorgvuldigheidseis die ertoe strekt dat, als één van de in dat artikel genoemde omstandigheden zich voordoet, een nieuw voornemen wordt uitgebracht om te voorkomen dat een vreemdeling in het uiteindelijke besluit wordt overvallen door nieuwe feiten of door een nieuwe weging of beoordeling zonder dat hij - voordat dat besluit is genomen - daarop heeft kunnen reageren. Uit paragraaf C1/2.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) volgt dat alleen een nieuw voornemen wordt uitgebracht als het eerder uitgebrachte voornemen niet meer alle gronden voor afwijzing van de aanvraag voor de verblijfsvergunning asiel bevat.

De rechtbank is van oordeel dat de minister een nieuw voornemen had moeten uitbrengen, omdat het voornemen van 25 mei 2025 niet meer alle gronden voor afwijzing van de aanvraag voor de verblijfsvergunning bevatte. In zoverre is sprake van een gebrek in de besluitvorming. Wat betreft de beoordeling op grond van artikel 8 van het EVRM heeft de minister in het bestreden besluit uiteindelijk wél een belangenafweging opgenomen. Deze motivering was eiser ook bekend omdat het dezelfde motivering is als die was opgenomen in het ingetrokken voornemen van 21 oktober 2024. De minister heeft in het verweerschrift van 12 september 2025 de belangenafweging verder toegelicht. Eiser heeft bovendien in het beroepschrift, in de aanvullende beroepsgronden, in de reactie op het verweerschrift én ter zitting de gelegenheid gehad om op deze belangenafweging te reageren. De gemachtigde van eiser heeft ook niet verder toegelicht waarvoor meer tijd nodig was. Dat geldt ook voor de beoordeling of sprake is van een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez. De minister heeft uiteindelijk inhoudelijk beoordeeld of eiser voldoet aan de voorwaarden van dit verblijfsrecht en eiser is in de gelegenheid geweest daartegen gronden aan te voeren. De rechtbank zal daarom hierna beoordelen of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten.

Strijd met Unierecht

7. Eiser betoogt dat de wijze waarop de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas is beoordeeld, in strijd is met het Unierecht. Hij verwijst hierbij naar de prejudiciële vragen van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond die aan het Hof van Justitie zijn gesteld. Volgens eiser heeft de minister, in afwachting van de beantwoording van deze vragen, niet op zorgvuldige wijze op de aanvraag kunnen beslissen.

Eisers betoog dat de door de minister toegepaste, en in WI 2024/6 opgenomen geloofwaardigheidsbeoordeling niet in overeenstemming is met het Unierecht slaagt niet. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juni 2025 en 8 september 2025.De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat het nieuwe beleid met onmiddellijke ingang van toepassing is en oordeelt dat de minister het bestreden besluit in lijn met het nieuwe beleid – WI 2024/6 - mocht nemen. Het uitgangspunt is in het bestuursrecht immers dat een besluit wordt genomen op basis van het op dat moment geldende beleid. Dat kan anders zijn als er sprake is van overgangsrecht of als dat uit (andere) wetgeving volgt, maar dat is voor WI 2024/6 niet het geval. De minister heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat niet uitsluitend het ontbreken van documenten tot de ongeloofwaardigheid van het tweede asielmotief heeft geleid, maar dat ook de landeninformatie en verklaringen van eiser in deze beoordeling zijn betrokken. De minister heeft kunnen overwegen dat er geen andere voorwaarden zijn tegengeworpen aan eiser, dus dat hij niet in een nadeliger positie is gekomen dan bij toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals bedoeld in de eerdere WI 2014/10. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie af te wachten.

Acht de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig dat eiser ten onrechte verdachte is van een verkeersongeluk?

8. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig acht dat hij in Sri Lanka ten onrechte verdachte is van een verkeersongeluk. Hij voert daartoe aan dat de minister miskent dat eisers asielmotief niet uitsluitend is gebaseerd op informatie die hij van zijn neef heeft gekregen, maar ook op dat wat hij zelf heeft meegemaakt en ondervonden en waardoor hij in het ziekenhuis is opgenomen. Daarnaast is van belang dat eiser weliswaar niet betwist dat de politie hem zocht voor een getuigenis, maar óók stelt dat dit hem in gevaar zou kunnen brengen bij zijn belagers. Het is niet uit te sluiten dat de politie een dubbele agenda heeft. Ter onderbouwing verwijst eiser naar het algemeen ambtsbericht Sri Lanka van oktober 2014 waarin staat dat de politie corrupt is. De minister miskent ook dat eiser niet uit het ziekenhuis is vertrokken omdat hij daaruit is ontslagen, maar om zo snel mogelijk onder te duiken. En de minister miskent dat de politie de controle heeft over het hele land, zodat hij nog steeds kan worden benaderd om een getuigenis af te leggen als hij zich elders vestigt. Daarnaast werpt de minister eiser bij de beoordeling van zijn verklaringen ten onrechte opnieuw tegen dat hij geen documenten heeft die zijn asielmotief onderbouwen. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat de minister een cirkelredenering heeft gemaakt, omdat is vastgesteld dat er geen documenten zijn, en bij de beoordeling van de verklaringen opnieuw wordt tegengeworpen dat documenten ontbreken. De gemachtigde van eiser heeft daarbij ter onderbouwing verwezen naar pagina’s 6 en 9 van het voornemen van 22 mei 2025.

Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over de problemen als gevolg van het verkeersongeluk niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b, c, en d van de Vw 2000.

Eisers betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat ongeloofwaardig is dat eiser ten onrechte verdachte is van een verkeersongeluk. Eisers betoog in de aanvullende beroepsgronden is grotendeels een herhaling van dat wat hij in de zienswijze van 18 november 2024 heeft aangevoerd. De minister heeft in het voornemen van 22 mei 2025 de zienswijze van 18 november 2024 verwerkt. In het voornemen van 22 mei 2025 stelt de minister niet ten onrechte dat de opmerking van eisers neef én de uitspraken van eisers belagers speculatief blijven en geen directe samenspanning tussen de politie en dader aantonen. De minister acht het niet ten onrechte ongerijmd dat eiser zonder enig onderzoek heeft aangenomen dat de autoriteiten tegen hem waren en dat hij ondanks het door hem gestelde risico nog anderhalf jaar in Sri Lanka is gebleven zonder verdere problemen of juridische stappen. Wat betreft de gestelde samenwerking tussen de belagers en de politie stelt de minister in het voornemen van 22 mei 2025 niet ten onrechte dat een samenwerking onwaarschijnlijk is gezien het tijdsverloop en eisers verklaring dat de echte daders van het ongeval hun doel al hebben bereikt, namelijk dat eiser geen verklaring meer aflegt omdat hij bang is voor hen. Over eisers vertrek uit het ziekenhuis stelt de minister zich in het voornemen van 22 mei 2025 niet ten onrechte op het standpunt dat het onwaarschijnlijk is dat eiser, na zo ernstige verwondingen dat zijn belagers dachten dat hij dodelijk verwond was, na een kort ziekenhuisverblijf direct kon vluchten. De minister hoeft niet te geloven dat hechtingen voldoende waren om na het ontwaken in het ziekenhuis direct te kunnen onderduiken. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting verder nog toegelicht dat geen sprake is van een cirkelredenering, omdat in het voornemen op pagina’s 6 en 9 wordt terugverwezen naar de conclusie die de minister daarvoor heeft getrokken over de documenten. De rechtbank kan de minister daarin volgen. Niet valt in te zien dat met zo’n terugverwijzing sprake is van een cirkelredenering.

Mocht de minister zich op het standpunt stellen dat eiser niet in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat of komt te staan?

9. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat of bij terugkeer zal komen te staan.

Politieke activiteiten in Europa en na terugkeer in Sri Lanka

Eiser voert aan dat de minister een onjuiste uitleg geeft aan de term ‘prominent’ die in het Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka van juni 2024 (thematisch ambtsbericht) wordt gebruikt. Uit het thematisch ambtsbericht blijkt dat hiermee wordt bedoeld burgers die openlijk uiting geven aan hun streven naar een onafhankelijke staat voor de Tamils (Tamil Eelam). Alle personen en organisaties die streven naar een Tamil Eelam, zoals ook eiser, worden door de Sri Lankaanse autoriteiten gezien als een bedreiging en zijn strafbaar op grond van de Prevention of Terrorism Act (PTA). Er is sprake van groepsvervolging van personen die een onafhankelijke staat nastreven en kritiek uiten op de regering, en eiser behoort tot deze groep. Eiser verwijst ter onderbouwing naar een e-mail (rapport) van VluchtelingenWerk Nederland. Eiser neemt in Nederland deel aan demonstraties en herdenkingen van het Tamil Forum en het TCC, zijnde organisaties die streven naar een Tamil Eelam en die in Sri Lanka in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan. Hij doet dat zowel fysiek als via sociale media. Volgens eiser blijkt uit het thematisch ambtsbericht dat Tamils die zich inzetten voor Tamil Eelam of deelnemen aan herdenkingsactiviteiten onder verhoogde aandacht staan en dat ook activisten risico lopen op arrestatie of mishandeling. Daarbij verwijst eiser naar voorbeelden van personen die vanwege het gebruik van symbolen of uiten van berichten op sociale media zijn opgepakt. Nu het TCC in Sri Lanka als verboden organisatie geldt en de Nederlandse afdeling daarvan in mei 2025 eveneens verboden is verklaard, vreest eiser dat zijn betrokkenheid daarbij hem bij terugkeer verdacht maakt van terroristische sympathieën. Omdat hij op foto- en videomateriaal van bijeenkomsten zichtbaar is en voornemens is zich ook in Sri Lanka politiek uit te spreken en symbolen te gebruiken, heeft hij volgens hem te vrezen voor vervolging of loopt hij een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De minister heeft de risico’s in dit verband volgens eiser onvoldoende onderzocht en ten onrechte niet alle landeninformatie in de beoordeling betrokken. Hierbij is nog relevant dat uit het thematisch ambtsbericht blijkt dat de omvang van de publieke voetafdruk van de gebruiker van sociale media niet doorslaggevend is. Dat de minister stelt dat eiser in Nederland geen concrete problemen heeft ondervonden miskent dat eiser in Nederland onder bescherming van de Nederlandse autoriteiten staat en dat het erom gaat of hij bij terugkeer in Sri Lanka wordt vervolgd vanwege zijn politieke overtuiging. Twijfel hierover mag niet in eisers nadeel worden uitgelegd.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze beroepsgrond voorop dat zij over de positie van (terugkerende) Tamils in Sri Lanka recentelijk meerdere uitspraken heeft gedaan. Uit deze uitspraken volgt, steeds met verwijzing naar het thematisch ambtsbericht, dat de situatie voor Tamils in Sri Lanka verbetert en dat in toenemende mate ruimte ontstaat voor (discussies over) Tamilherdenkingen en demonstraties. Het uitsluitend verlangen naar of het uitspreken van de wens om een Tamil Eelam leidt niet onmiddellijk tot vervolging. Het tonen van symbolen van de Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE) is nog wel steeds problematisch en kan in sommige gevallen tot arrestatie en/of kortdurende detentie leiden. Verder worden Tamils in binnen- en buitenland tot op zekere hoogte door de Sri Lankaanse autoriteiten gemonitord, maar gaat de aandacht daarbij voornamelijk uit naar personen die prominent actief zijn voor verboden Tamilorganisaties of die zich openlijk hebben uitgelaten voor een onafhankelijk Tamil Eelam. Tot slot voeren de Sri Lankaanse autoriteiten op de luchthaven van Colombo ondervragingen uit met het oog op criminele antecedenten en activiteiten in het buitenland, zoals activiteiten voor Tamilorganisaties. Ondervragingen op de luchthaven kunnen soms enkele uren duren, waarna terugkeerders de luchthaven mogen verlaten.

Eisers betoog slaagt niet. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser geen lid is of is geweest van de LTTE. Hij neemt wel deel aan activiteiten die worden georganiseerd door het TCC. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn politieke overtuiging of activiteiten in Nederland in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat of zal komen te staan. De minister stelt terecht dat de activiteiten van eiser in Nederland – deelname aan enkele herdenkingen en bijeenkomsten van het TCC – beperkt zijn en geen prominente politieke rol laten zien. Uit het thematisch ambtsbericht volgt dat de aandacht van de autoriteiten vooral uitgaat naar personen die zich nadrukkelijk voor een Tamil Eelam uitspreken of leidinggevende taken hebben binnen verboden organisaties. De minister stelt ook terecht dat eiser niet heeft onderbouwd dat zijn activiteiten – door bijvoorbeeld publicatie op sociale media – bekend zijn geraakt bij de Sri Lankaanse autoriteiten. Verder stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser als gevolg van zijn politieke overtuiging en activiteiten die hij in Sri Lanka wil verrichten niet in de negatieve belangstelling zal komen te staan. Zoals onder 8.2 is overwogen, is er in Sri Lanka in zekere zin ruimte voor de politieke overtuiging en activiteiten van eiser. Dat het tonen van de symbolen van de onafhankelijkheidsstrijd fundamenteel onderdeel van deze politieke overtuiging is, maakt dat niet anders. De arrestatie en/of kortdurende detentie die het tonen van deze symbolen kan opleveren, maakt nog niet dat eiser hierdoor heeft te vrezen voor vervolging in de zin van artikel 1(A), tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag. In zoverre wordt van eiser dan ook niet verwacht dat hij afstand doet van zijn politieke overtuiging. Dat het TCC in Nederland recent zou zijn verboden, leidt evenmin tot een ander oordeel. De beschikbare landeninformatie biedt geen aanknopingspunten dat dit verbod gevolgen heeft voor de behandeling van terugkeerders of dat vreedzame betrokkenheid bij het TCC structureel leidt tot een negatieve belangstelling die leidt tot vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting desgevraagd aangegeven niet bekend te zijn met omstandigheden en ontwikkelingen die zijn gewijzigd sinds het thematisch ambtsbericht. Gelet op eisers beperkte activiteiten en zijn niet-prominente profiel, is niet aannemelijk dat hij bij terugkeer in Sri Lanka vanwege zijn politieke overtuiging of zijn betrokkenheid bij het TCC in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat en daardoor een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Op de luchthaven

Eiser voert aan dat hij bij terugkeer op de luchthaven van Colombo zal worden ondervraagd omdat hij met een laissez-passer zal terugkeren naar Sri Lanka, waardoor hij aan een onderzoek zal worden onderworpen. Uit het thematisch ambtsbericht blijkt dat daarbij langdurig voorarrest tot 15 maanden voorkomt. Een ondervraging of detentie bij terugkeer gaat bovendien vaak gepaard met intimidatie, surveillance of mishandeling. Voor iemand als eiser, die heeft deelgenomen aan activiteiten van het TCC, is dat reëel. Eiser wijst ter onderbouwing op een artikel in de Sunday Observer waaruit volgens hem blijkt dat de Sri Lankaanse autoriteiten gezichtsherkenningssoftware gebruiken om diaspora-activisten te identificeren.

Eisers betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het niet aannemelijk is dat eiser bij aankomst op de luchthaven niet in een zodanig negatieve belangstelling komt te staan dat hij voor vervolging heeft te vrezen. Daarbij is allereerst van belang dat, zo heeft de minister terecht gesteld, uit het thematisch ambtsbericht blijkt dat de gezichtsherkenningstechnologie op de luchthaven wordt ingezet om criminelen te herkennen en dat er geen aanwijzingen zijn dat de technologie ook wordt ingezet om Tamils te herkennen die zich in het buitenland voor de Tamilzaak hebben ingezet. Dat neemt niet weg dat, en dat voert eiser op zichzelf genomen terecht aan, de Sri Lankaanse autoriteiten op de luchthaven ondervragingen uitvoeren met het oog op criminele antecedenten en activiteiten in het buitenland, bijvoorbeeld activiteiten voor Tamilorganisaties. De minister heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld (zie onder 9.3) dat niet aannemelijk is dat eiser door zijn politieke overtuiging of activiteiten in Nederland in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat of zal komen te staan. In het verlengde daarvan is het ook niet aannemelijk dat eiser op de luchthaven door de autoriteiten zal worden ondervraagd. Dat de activiteiten voor een Tamil Eelam (ook) vallen onder de PTA en als zodanig strafbaar zijn maakt dat oordeel niet anders. Voor zover eiser bij aankomst op de luchthaven zal opvallen en zal worden ondervraagd, wijst de minister er terecht op dat het gelet op het thematisch ambtsbericht aannemelijk is dat eiser de luchthaven na die ondervraging zal mogen verlaten. Ook de verwijzing naar het artikel in de Sunday Observer maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, nu het thematisch ambtsbericht vermeldt dat er geen aanwijzingen zijn dat gezichtsherkenning systematisch wordt ingezet om diaspora-activisten te identificeren. Omdat elke zaak volgens UNHCR individueel moet worden beoordeeld en dat daarbij de aanwezigheid van littekens van belang is, heeft de minister ook eisers zaak ook met het oog daarop individueel beoordeeld. Eiser heeft littekens. De aanwezigheid van littekens is in het verleden, naar verluidt, door de autoriteiten opgevat als een aanwijzingen dat de betreffende persoon voor de LTTE had gevochten. Eiser heeft in het aanvullend gehoor verklaard geen lid te zijn geweest van LTTE en ook dat niemand uit zijn familie lid is geweest van LTTE. De minister hoeft daarom niet aan te nemen dat de mogelijke extra aandacht bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade voor eiser oplevert. Overigens wordt in het thematisch ambtsbericht ook vermeld dat de meeste in 2024 geraadpleegde bronnen bevestigden dat, voor zover bekend, in recente jaren terugkerende personen niet werden gecontroleerd op de aanwezigheid van littekens of tatoeages.

Conclusie over deze beroepsgrond

Het betoog van eiser slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat of bij terugkeer komt te staan.

Is de uitzetting van eiser in strijd met het recht op respect voor gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM?

10. Eiser betoogt dat aan hem ten onrechte verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM en humanitaire gronden is geweigerd. Daartoe voert hij het volgende aan. Bij de beoordeling op grond van artikel 8 van het EVRM én bij toetsing aan humanitaire gronden moet worden meegewogen dat eisers privé- en gezinsleven zich in Nederland verder heeft kunnen ontwikkelen, omdat de minister niet tijdig op de aanvraag heeft beslist. Hierdoor is er vanaf het moment van indiening van de asielaanvraag geen sprake geweest van ontwikkeling van het gezinsleven tijdens illegaal verblijf. Overigens beschermt artikel 8 van het EVRM het recht op gezinsleven ongeacht de verblijfsstatus bij aanvang van verblijf in Nederland. Dit betekent dat gezinsleven dat is ontstaan tijdens een periode van onrechtmatig verblijf en wordt voortgezet tijdens procedureel rechtmatig verblijf wel bescherming kan genieten, zeker als sprake is van een duurzame en stabiele relatie. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het feit dat eiser twee jaar heeft gewacht met het indienen van een asielaanvraag zwaarder zou moeten wegen dan zijn belang en het belang van zijn partner en stiefkinderen, die inmiddels vijf jaar met hem samenleven in Nederland. Ook is volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom van zijn partner en stiefkinderen mag worden verwacht dat zij het gezinsleven met hem in Sri Lanka voortzetten. De beoordeling van het gezinsleven moet zich richten op de daadwerkelijke impact op het dagelijkse leven en de emotionele en sociale stabiliteit van het gezin. Het vertrek naar Sri Lanka zou een ernstige ontwrichting van het gezinsleven inhouden met een negatieve impact voor zowel eiser als de minderjarige zoon van zijn partner. De zoon van zijn partner is 16 jaar en is geworteld in Nederland. Hoewel de zoon van zijn partner niet volledig afhankelijk is van eiser, vervult eiser wel een wezenlijke rol als verzorgende ouder. Daarnaast lijdt eiser zelf aan epilepsie, gehoorproblemen en staat hij onder controle voor gezwellen. Dit maakt deel uit van zijn privé- en familieleven. Verder voert eiser aan dat zijn partner en haar kinderen (zijn stiefkinderen) ten onrechte niet zijn gehoord over de belangen die in de belangenafweging betrokken moeten worden. Nu de minister stelt over onvoldoende informatie te beschikken, had het op de weg van de minister gelegen om eiser en zijn gezinsleden te horen.

De minister stelt zich op het standpunt dat het belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt dan het belang van eiser bij verblijf in Nederland. Daarbij is voor de minister het volgende van belang. Eiser is een relatie met zijn partner aangegaan terwijl er geen zekerheid bestond over zijn verblijfsrecht in Nederland. Eiser is in 2020 illegaal Nederland binnengekomen en heeft zich pas na anderhalf tot twee jaar gemeld voor asiel, terwijl hij al die tijd bij zijn partner woonde. Eiser heeft zodoende bewust omzeild dat de Nederlandse staat op de hoogte was van zijn aanwezigheid en mocht er niet op vertrouwen dat hij zijn familieleven in Nederland zou kunnen voortzetten zonder eerst een legaal verblijfsrecht te verkrijgen. Er kan ook geen zwaarwegend belang worden gehecht aan de duur van de relatie of het moment waarop de relatie is aangegaan, omdat eiser zich bewust had moeten zijn van de onzekerheid rondom uw verblijfsstatus. Daarnaast stelt de minister dat er geen sprake is van een “certain degree of hardship” die een objectieve belemmering vormt om het familieleven in Sri Lanka uit te oefenen. Zowel eiser als zijn partner is afkomstig uit Trincomalee, wat betekent dat er een duidelijke band is met het land van herkomst. Eisers partner is bovendien tijdens de relatie naar Sri Lanka gereisd en heeft documenten mee gekregen van eisers vader, waaronder een verklaring dat hij ongehuwd is. Zij is dus in staat om naar Sri Lanka te reizen en er zijn ook praktische stappen zijn genomen om daar zaken te regelen. De minister stelt verder dat het belang van de kinderen als eerste overweging is meegenomen. Maar de hechte band met de kinderen is opgebouwd in een periode waarin eiser geen verblijfsrecht had. Dit brengt een zwaardere bewijslast met zich. De kinderen zijn bovendien grotendeels zelfredzaam, de moeder is zelfstandig werkend en er zijn geen belemmeringen gebleken om het gezinsleven in Sri Lanka voort te zetten. In die afweging weegt het belang van de staat om het vreemdelingenbeleid te handhaven zwaarder. Van een schending van artikel 8 EVRM is dan ook geen sprake. Het feit dat eiser aan het middelenvereiste voldoet, maakt dit niet anders. Verder heeft eiser epilepsie en gehoorproblemen waarvoor hij in Nederland in behandeling is en staat eiser onder controle voor gezwellen. Die medische omstandigheden zijn echter niet van dien aard dat het gezinsleven niet buiten Nederland kan worden uitgeoefend. Omdat eisers asielaanvraag ongeloofwaardig is geacht en er geen buitengewone moeilijkheden zijn aangetoond die het onmogelijk maken om het gezinsleven in Sri Lanka voort te zetten, is er geen reden waarom het familieleven niet in Sri Lanka kan worden uitgeoefend. Het enkele feit dat eisers partner en haar kinderen in Nederland een leven hebben opgebouwd, vormt geen objectieve belemmering voor het voortzetten van de relatie in Sri Lanka.

Tussen partijen is niet in geschil dat tussen eiser, zijn partner en stiefkinderen, sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Dit betekent dat de minister een belangenafweging moest maken om te beoordelen of aan eiser vanwege dat gezinsleven verblijf in Nederland moet worden toegestaan.

Uit vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), en de rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven dan wel privéleven een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt daarnaast dat als de vreemdeling het gezinsleven is aangegaan tijdens zijn illegale verblijf in Nederland de minister bijzondere omstandigheden mag vereisen om de belangenafweging in het voordeel van de vreemdeling te laten uitvallen.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het gezinsleven zich in Nederland heeft kunnen ontwikkelen doordat de minister niet tijdig heeft beslist, zodat dit niet langer als illegaal opgebouwd gezinsleven zou moeten worden gezien. De rechtbank stelt hierbij voorop dat de minister als uitgangspunt heeft mogen nemen dat het gezinsleven is ontstaan en opgebouwd tijdens illegaal verblijf, zonder dat eiser daarvóór rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, en dat eiser bovendien twee jaar heeft gewacht met het indienen van een asielaanvraag. Dat de procedure daarna enige tijd heeft geduurd, maakt niet dat de minister de hiervoor genoemde maatstaf niet mag toepassen. Ook bij de toetsing aan humitaire gronden heeft de minister een beperkt gewicht mogen toekennen aan omstandigheden die zijn gerezen tijdens het niet rechtmatige verblijf van de eiser.

De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat van bijzondere omstandigheden niet is gebleken. De minister stelt niet ten onrechte dat niet is gebleken van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Sri Lanka voort te zetten, nu de partner van eiser uit Sri Lanka afkomstig is, de taal spreekt, daar familie heeft en ook tijdens de relatie naar Sri Lanka is teruggekeerd. Dat voortzetting van het gezinsleven in Sri Lanka mogelijk ontwrichtend is voor de kinderen, maakt het oordeel niet anders, omdat, zo volgt ook rechtspraak van het EHRM, dergelijke gevolgen inherent zijn aan een verhuizing en slechts in uitzonderlijke situaties doorslaggevend kunnen zijn. De minister heeft de belangen van de kinderen van de partner van eiser ook kenbaar gemotiveerd in de afweging betrokken. Uit rechtspraak van het EHRM blijkt dat bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de omstandigheden van de betrokken minderjarige kinderen, en dan met name hun leeftijd, hun situatie in het of de betrokken landen en de mate waarin zij afhankelijk zijn van hun ouders. De minister heeft dat gedaan door te overwegen dat de biologische vader van de kinderen buiten beeld is en eiser met het gezin samenwoont, huishoudelijke taken uitvoert en in de praktijk een vaderrol vervult. De minister heeft ook overwogen dat eisers band met de kinderen is opgebouwd in een periode waarin hij geen verblijfsrecht had, dat de kinderen grotendeels zelfredzaam zijn en dat er geen belemmeringen zijn gebleken om het gezinsleven in Sri Lanka voort te zetten. De minister stelt zich hierover vervolgens niet ten onrechte op het standpunt dat het belang van de staat om het vreemdelingenbeleid te handhaven zwaarder weegt dan het belang om het gezinsleven in Nederland uit te oefenen. Wat betreft eisers medische omstandigheden stelt de minister niet ten onrechte dat de omstandigheden niet van dien aard zijn dat het gezinsleven niet buiten Nederland kan worden uitgeoefend. Van bijzondere omstandigheden om verblijf toe te staan (zie onder 10.3) is dus niet gebleken.

Voor zover eiser betoogt dat zijn partner en stiefkinderen over het gezinsleven hadden moeten worden gehoord, volgt de rechtbank dat betoog niet. In WI 2020/16 is geen verplichting opgenomen om familieleden afzonderlijk te horen. Er is ook verder geen rechtsregel die voorschrijft dat eisers partner en stiefkinderen hadden moeten worden gehoord. De minister heeft op zitting afdoende toegelicht dat de relevante feiten over het gezinsleven uit het aanvullend gehoor met eiser en de overgelegde stukken voldoende naar voren kwamen en dat geen aanwijzingen bestonden of bestaan dat het horen van de partner of de stiefkinderen nieuwe informatie zou opleveren die voor de belangenafweging van betekenis zou zijn. De gemachtigde van eiser heeft, ook na gerichte vragen van de rechtbank, niet geconcretiseerd welke specifieke belangen van de partner of stiefkinderen van eiser niet zijn betrokken of welke informatie door het horen daarvan zou kunnen worden verkregen. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat het niet horen heeft geleid tot een onzorgvuldige voorbereiding of een ontoereikende belangenafweging.

Chavez-Vilchez-verblijfsrecht

11. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hem geen verblijfsrecht toekomt op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Eiser voert hiertoe aan dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij reeds vijf jaar deel uitmaakt van het gezin, vanaf het moment dat de kinderen respectievelijk 11 en 17 jaar oud waren. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom desondanks geen sprake zou zijn van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat het vertrek van eiser ertoe zou leiden dat de kinderen – in het bijzonder de Nederlandse minderjarige – feitelijk genoodzaakt zouden zijn om de Europese Unie te verlaten. Eiser en zijn gezinsleden zijn hierover bovendien ten onrechte niet gehoord.

Uit het arrest Chavez-Vilchez vloeit voort dat een ouder die onderdaan is van een derde land een afgeleid verblijfsrecht heeft van zijn minderjarige Unieburger-kind op grond van artikel 20 van het VWEU, als weigering van een verblijfsrecht aan die ouder tot gevolg heeft dat het kind gedwongen wordt om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Relevant is volgens het Hof van Justitie de mate van afhankelijkheid tussen de derdelander ouder en het Unieburger-kind. Daartoe moeten volgens het Hof van Justitie alle betrokken omstandigheden in de beschouwing worden betrokken, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn of haar lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn of haar affectieve relatie zowel met de ouder die burger van de Unie is als met de ouder die onderdaan van een derde land is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het kind van deze laatste ouder zou worden gescheiden. In dat kader is van belang of de derdelander ouder een stabiele factor in het leven van het kind is en of het kind in zijn of haar ontwikkeling wordt bedreigd als de derdelander ouder zijn rol meer op afstand zou moeten vervullen.

De beroepsgrond slaagt niet. Bij de beoordeling op dit punt heeft de minister niet alleen gekeken naar het ontbreken van een formele familierechtelijke betrekking en het ontbreken ouderlijk gezag, maar ook naar de overige, hiervoor genoemde relevante omstandigheden (zie onder 11.1). De minister erkent dat vanwege het samenwonen een affectieve band is ontstaan, maar stelt terecht dat dat op zichzelf onvoldoende is om de afhankelijkheidsrelatie aan te nemen. De gemachtigde van eiser heeft verder niet concreet gemaakt waarom eiser desondanks een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez zou moeten worden verleend noch heeft zij toegelicht waarom dit standpunt van de minister in het verweerschrift onjuist zou zijn. Voor zover eiser betoogt dat zijn partner en stiefkinderen over het verblijfsrecht hadden moeten worden gehoord, volgt de rechtbank dat betoog niet. Er is geen rechtsregel die voorschrijft dat familieleden worden gehoord in het kader van de beoordeling of sprake is van een Chavez-Vilchez-verblijfsrecht.

Artikel 64 van de Vw 2000

12. Eiser betoogt dat het bestreden besluit ten onrechte deugdelijk onderzoek naar zijn medische situatie veronderstelt. Daartoe voert hij het volgende aan. De minister maakt in asielprocedures gebruik van het advocatenportaal als het aangewezen communicatiemiddel. Het is volgens eiser dan aan de minister om via dat kanaal aanvullende medische of andere relevante stukken op te vragen indien daartoe aanleiding bestaat. Door dit na te laten en vervolgens te concluderen dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een medische belemmering voor terugkeer, heeft de minister gehandeld in strijd met de op hem rustende onderzoeksplicht. Hierdoor is het besluit in zoverre onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd.

De beroepsgrond slaagt niet. Eiser betwist niet dat hij bij zijn aanvraag geen medische gegevens heeft overgelegd die voldoen aan de vereisten van paragraaf A3/7.2.4 van de Vc 2000. Deze paragraaf bepaalt dat bij een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000, de daarin genoemde bewijsmiddelen worden overgelegd. De minister stelt (door eiser ook niet betwist) dat de door eiser overgelegde stukken hieraan niet voldeden: zij waren ouder dan zes maanden en bevatten onvoldoende informatie over zijn huidige medische situatie. De minister heeft daarom, zo heeft hij in het bestreden besluit toegelicht, eiser vervolgens op 7 juli 2025 in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende informatie alsnog aan te leveren en daarbij uit coulance een aanvullende termijn tot 14 juli 2025 geboden. Eiser heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Daarmee heeft de minister mogen concluderen dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een medische belemmering voor terugkeer. De rechtbank ziet, zonder nadere toelichting en die ontbreekt, geen grond voor het oordeel dat de minister zijn onderzoeksplicht heeft geschonden omdat hij via het advocatenportaal aanvullende medische of andere relevante stukken had moeten opvragen. Het lag in de eerste plaats op de weg van eiser om bewijsmiddelen zoals bedoeld in paragraaf A3/7.2.4 van de Vc 2000 aan te leveren.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk, omdat de minister alsnog op de asielaanvraag heeft beslist. Hoewel eiser geen belang meer heeft bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, heeft eiser recht op een vergoeding van zijn proceskosten. Het beroep is namelijk terecht ingediend. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend (1 punt). De rechtbank hanteert voor het indienen van het beroep wegingsfactor 0,5.

Gelet op dat wat onder 6.3 is overwogen is het beroep gegrond. Maar onder 10-11.2 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister met zijn motivering in het bestreden besluit en het verweerschrift voldoende heeft gemotiveerd waarom de uitzetting van eiser niet in strijd is met zijn recht op respect voor het gezinsleven en dat aan eiser geen verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez toekomt. Dit brengt mee dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde van € 934 per punt en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 15 juli 2025, gegrond;

- vernietigt het besluit van 15 juli 2025;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?