ECLI:NL:RBDHA:2026:30206

ECLI:NL:RBDHA:2026:30206

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-10-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer NL26.57930
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Maatregel van bewaring

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.57930

geboren op [geboortedatum] ,

van Turkse nationaliteit,V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),

en

(gemachtigde: mr. P. Loijenga).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 29 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M.H. K. van Middelkoop als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Voorts is er een tolk in de Turkse taal verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

De minister heeft de gronden j en t ter zitting laten vallen.

Voortraject

5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

Grondslag

6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft op 9 februari 2026 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag heeft eiser op 15 september 2026 ingetrokken. Voorts is aan eiser op 24 september 2026 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.

Gronden

7. De rechtbank is van oordeel dat grond a terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag is gelegd. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser zonder een geldig grensoverschrijdingsdocument Nederland is ingereisd, hetgeen door eiser ook niet wordt betwist. Voorts is de rechtbank van oordeel dat grond r terecht aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Eiser heeft in dit kader tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring verklaard dat hij geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft en dat hij niet is ingeschreven in het BRP. Verder is voldoende gemotiveerd dat eiser, door het niet hebben van een vaste woon- of verblijfplaats, zich niet beschikbaar stelt voor voorbereidingen op terugkeer en/of de verwijderingsprocedure. Hiermee heeft de minister het onderduikrisico nader gemotiveerd.

8. De rechtbank laat de gronden p en s onbesproken, omdat de hiervoor besproken gronden voldoende zijn om de maatregel te kunnen dragen.

Lichter middel

9. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onderduiken is gegeven. De rechtbank onderkent dat eiser tijdens het gehoor heeft verklaard dat hij wil terugkeren naar Turkije. De minister heeft in deze enkele verklaring echter geen aanleiding hoeven te zien om te volstaan met het opleggen van een lichter middel. Daarbij is van belang dat eiser heeft verklaard dat hij sinds zijn komst in de Europese Unie geen stappen heeft ondernomen om aan nieuwe identiteitsdocumenten te komen en dat hij sinds het intrekken van zijn asielaanvraag evenmin stappen heeft ondernomen om zijn vertrek te bespoedigen. Dat eiser ten tijde van het intrekken van zijn asielaanvraag gedetineerd was, maakt niet dat eiser, al dan niet met behulp van zijn gemachtigde, geen handelingen kon verrichten om zijn vertrek te bespoedigen.

10. Ten aanzien van het betoog van eiser dat de maatregel van bewaring voor hem onevenredig bezwarend is, nu hij psychische problemen en claustrofobie heeft, overweegt de rechtbank als volgt. In de maatregel van bewaring heeft de minister ten aanzien van de medische en psychische gesteldheid van eiser gemotiveerd dat het penitentiair psychiatrisch centrum contact heeft gehad met het detentiecentrum Rotterdam en dat de zorg daar voldoende is om eiser te behandelen. Daarbij is overwogen dat als de zorg niet voldoende kan worden gegeven, eiser zal worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. Door eiser is niet gesteld dat hij niet voor zijn medische en psychische gesteldheid in het dentitiecentrum kan worden behandeld. De rechtbank acht hierbij ook van belang dat eiser zijn benodigde medicatie heeft meegekregen bij zijn plaatsing in het detentiecentrum.

Voortvarend handelen en zicht op uitzetting

11. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. In dit kader acht de rechtbank van belang dat eiser op 15 september 2026 zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. Op 24 september 2026 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Op 30 september 2026 heeft er een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Omdat de minister op dat moment nog niet beschikte over de Kimlik van eiser, is er op 1 oktober 2026 een aanvraag voor een vervangend reisdocument verzonden naar de Turkse autoriteiten. Op 2 oktober 2026 is gebleken dat de Kimlik van eiser aanwezig was bij het ILC. De minister heeft op dezelfde dag op grond van de Kimlik het terugnameverzoek bij de Turkse autoriteiten geannuleerd en direct een vlucht voor eiser aangevraagd naar Istanbul. Ter zitting heeft de minister aangegeven dat eiser op zeer korte termijn zal vertrekken naar Turkije.

Refoulementbeoordeling 12. De rechtbank stelt vast dat in de maatregel voldoende is gemotiveerd dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen de uitzetting van de eiser. Daartoe is overwogen dat er voor Turkije geen vertrekmoratorium geldt en dat zelfstandige en gedwongen terugkeer naar Turkije mogelijk is. Voorts heeft eiser zelf aangegeven graag terug te willen keren naar Turkije en er geen zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

13. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. G.G. Doornbos, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Tesfai

Griffier

  • mr. G.G. Doornbos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand