Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/64
zaak- /rekestnummer: C/09/713576 / KG RK 26-1395
Beslissing van 6 oktober 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. D.A.J. Overdijk,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. Het wrakingsverzoek
Het schriftelijke wrakingsverzoek is binnengekomen op 28 september 2026.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer SGR 26/1070 (hierna: de hoofdzaak).
Verzoekster heeft aan haar wrakingsverzoek het volgende ten grondslag gelegd:
“Tot op heden blijven zowel de berichtgeving van mijn advocaat als mijn e-mails onbeantwoord. Ruim drie maanden voorafgaand aan de zittingsdatum is mijn verhindering gemeld. Desondanks is zonder afstemming een zittingsdatum vastgesteld. Ook op de daaropvolgende verzoeken wordt niet inhoudelijk gereageerd.
Het gaat niet om één voorval, maar inmiddels om een patroon.
1. Tijdig gemelde verhindering genegeerd
De verhindering is ruim drie maanden vooraf gemeld. De zittingsdatum is desondanks zonder afstemming vastgesteld.
2. Correspondentie van mijn advocaat wordt genegeerd
Ook de berichten van mijn advocaat blijven onbeantwoord. Daarmee gaat het niet om een incidenteel gemiste e-mail, maar om het structureel uitblijven van een inhoudelijke reactie.
3. Mijn eigen verzoeken worden eveneens genegeerd
Mijn herhaalde verzoeken om motivering (o.a. 22 juni, 1 juli, 6 juli 2026, 13 juli 2026), maar ook een oplossing en een andere zittingsdatum blijven zonder inhoudelijke beantwoording.
4. Verdere communicatie wordt afgesloten
Vervolgens is meegedeeld dat op verdere e-mails over de zittingsdatum niet meer zal worden gereageerd. Het probleem wordt niet opgelost, terwijl verdere communicatie daarover wordt geweigerd.
5. Effectieve deelname aan de procedure wordt belemmerd
Het gevolg is dat een zitting wordt gehandhaafd op een datum waarop ik niet aanwezig kan zijn, terwijl mijn mogelijkheden om dit tijdig op te lossen feitelijk worden genegeerd.
6. Afwijking van de procesregels zonder inhoudelijke toelichting
Niet alleen wordt van de toepasselijke procesregels afgeweken, ook op vragen daarover volgt geen inhoudelijke reactie. Een kenbare motivering voor deze handelwijze ontbreekt.
7. Eerdere omstandigheden betreffende de onpartijdigheid
Dit staat niet op zichzelf. Ook eerder in deze procedure hebben zich omstandigheden voorgedaan die vragen hebben opgeroepen over de vereiste onpartijdigheid. De huidige handelwijze bevestigt dit.
8. Cumulatie en schijn van partijdigheid
Mijn verhindering wordt genegeerd, mijn advocaat krijgt geen antwoord, mijn eigen berichten blijven onbeantwoord en verdere communicatie wordt onmogelijk gemaakt.
Deze omstandigheden lijken te bevestigen dat mijn processuele positie niet met de vereiste onpartijdigheid wordt behandeld.
De rechtbank laat mij daarmee geen reële mogelijkheid meer om deze kwestie langs de normale weg op te lossen. Er is evenmin nog tijd voor verdere correspondentie die onbeantwoord blijft.
9. Oneigenlijk gebruik van processuele bevoegdheid oftewel rechterlijke machtsmisbruik
De rechtbank negeert eigen procesregels en bepaalt eenzijdig de procesgang. Tegelijkertijd wordt verdere communicatie hierover eenzijdig afgesloten. Wanneer de rechtbank haar processuele positie gebruikt om een partij feitelijk iedere mogelijkheid tot inhoudelijke reactie of correctie te ontnemen, ontstaat de schijn dat processuele bevoegdheden niet uitsluitend worden aangewend voor een behoorlijke procesorde, maar tevens om inhoudelijke toetsing van de eigen handelwijze te voorkomen. In samenhang met de overige gronden versterkt dit de huidige patroon waaruit blijkt dat mijn processuele positie niet op onpartijdige en zorgvuldige wijze wordt behandeld.
Onder deze omstandigheden laat de rechtbank Den Haag ons ook geen andere mogelijkheid dan de betreffende rechter te wraken op bovenstaande gronden.”
2. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Naar de wrakingskamer uit het wrakingsverzoek begrijpt is verzoekster onder meer van mening dat de rechter vooringenomen is, omdat er zonder voorafgaande afstemming met haar een zitting is gepland en dat deze zitting, na meerdere verzoeken daartoe van verzoekster, niet verplaatst is.
Een beslissing om een zitting zonder afstemming te plannen alsook een beslissing om een zitting niet te verplaatsen zijn procedurele beslissingen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een dergelijke rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nooit grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Dit is alleen anders in het geval waarin de motivering van de beslissingen in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die de beslissingen heeft genomen. Daarvan is hier geen sprake, het betreft immers strikt procedurele, ongemotiveerde beslissingen.
Nu een motivering van de beslissingen ontbreekt, kan deze dan ook geen grond voor wraking vormen. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek, voor zover het is gebaseerd op de (tussen)beslissingen, niet toewijsbaar is.
Uit het wrakingsverzoek volgt verder dat verzoekster klaagt over de communicatie met de rechtbank. Hierbij worden echter geen concrete feiten of omstandigheden genoemd waaruit de vooringenomenheid van de rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor zijn af te leiden. Ook op deze grond is het wrakingsverzoek niet toewijsbaar.
Tot slot heeft verzoekster nog aangevoerd dat er zich eerder in de hoofdzaak omstandigheden hebben voorgedaan die vragen hebben opgeroepen over de vereiste onpartijdigheid. Verzoekster heeft deze stelling echter niet nader onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden. Daarom kan het wrakingsverzoek ook op deze grond niet worden toegewezen.
De wrakingskamer is gelet op het bovenstaande dan ook van oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is en zal het verzoek daarom afwijzen.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
3. De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoekster;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.A.W. Schippers, A.M.A. Keulen en E.E. Schotte, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.