ECLI:NL:RBDHA:2026:30212

ECLI:NL:RBDHA:2026:30212

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer NL26.58437
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Grensdetentie, artikel 6 derde lid, beoordeling asielmotieven los van de beoordeling in vreemdelingenbewaring, lichter middel, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.58437

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.A.L. van de Glind),

en

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is op 30 september 2026 om 15:07 uur aangekomen op Schiphol, waar hij vervolgens om 21:30 uur op grond van artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) een aanwijzing heeft gekregen om zich gedurende één nacht op te houden in de internationale lounge. Hij heeft op dezelfde dag om 16:15 uur zijn asielwens kenbaar gemaakt, waarvan op 1 oktober 2026 een M35-H formulier is opgemaakt. Vervolgens is eiser om 07:45 uur gehoord in het kader van de uitgestelde toegangsweigering en het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel. Verweerder heeft diezelfde dag het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. Onderhavig beroep ziet uitsluitend op de vrijheidsontnemende maatregel, nu tegen de uitgestelde toegangsweigering geen beroep openstaat.

2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Vereist is dat aan de grens een verzoek om internationale bescherming is ingediend en dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toegang als vastgelegd in artikel 6, eerste lid, onder a tot en met e, van de Schengengrenscode. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de bevoegdheid tot het op leggen van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Dit is ook in overeenstemming met artikel 6 van de Screeningsverordening en artikel 43 van de Procedureverordening, waarin is bepaald dat een vreemdeling gedurende de screeningsfase en de grensprocedure geen toegang mag krijgen tot het grondgebied van de lidstaten.

4. Daarbij overweegt de rechtbank ook dat verweerder voorafgaand aan het opleggen van deze maatregel geen beoordeling hoefde te maken van eisers asielmotieven. Ook kan de bewaringsrechter zich in beginsel niet inhoudelijk uitlaten over de asielmotieven van eiser, nu slechts de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel ter beoordeling voorligt. De Afdeling heeft daarover namelijk al meermalen overwogen dat verweerder de gelegenheid moet krijgen om onderzoek naar de asielmotieven te doen en een redelijke termijn daarvoor moet krijgen.

5. Uit recente rechtspraak van de Afdeling volgt dat het grensbewakingsbelang naar zijn aard rechtvaardigt dat een vrijheidsbenemende maatregel wordt toegepast. De vaststelling dat grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, betekent niet dat in ieder individueel geval automatisch een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. Zoals is overwogen in de eerdere genoemde uitspraak van de Afdeling, dient verweerder steeds te beoordelen of met een lichter middel moet worden volstaan, ook al geeft hij dan het grensbewakingsbelang prijs.

6. Uit de maatregel volgt dat er door eiser geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die de maatregel onevenredig bezwarend maken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser met de gestelde vragen over mogelijke bijzondere feiten of omstandigheden voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om alles naar voren te kunnen brengen wat van belang kon zijn. Verweerder heeft dan ook aan de op hem rustende onderzoekplicht voldaan. Tijdens het gehoor heeft eiser verklaard gezond te zijn en geen medicatie te gebruiken. Ook heeft hij verklaard dat hij geen bezwaar heeft tegen het verblijf in een gesloten detentiecentrum gedurende de behandeling van zijn asielaanvraag in de grensasielprocedure. De verklaringen van eiser dat hij homoseksueel is en in zijn land van herkomst is gediscrimineerd, beledigd en bedreigd zijn afgelegd in het kader van zijn asielprocedure. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de vrijheidsontnemende maatregel niet verklaard dat dit een omstandigheid is waarmee rekening moet worden gehouden bij het opleggen van de maatregel. De seksuele gerichtheid van eiser biedt als zodanig nog geen concreet aanknopingspunt voor het oordeel dat de vrijheidsbenemende maatregel voor hem onevenredig bezwarend is. Niet is gebleken van bijkomende feiten of omstandigheden op grond waarvan in dit geval aanvullend onderzoek naar een bijzondere opvangbehoefte is aangewezen.

7. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 13 oktober 2026 door mr. dr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. dr. E.J. Govaers

Griffier

  • mr. A.S.J.I. Hendrickx

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand