ECLI:NL:RBDHA:2026:30213

ECLI:NL:RBDHA:2026:30213

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer NL26.58435
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Grensdetentie, artikel 6 derde lid, geen tegenstrijdigheden in de tijdlijn, toegangsvoorwaarden, lichter middel, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.58435

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),

en

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is op 30 september 2026 om 13:56 uur aangekomen op Schiphol, waar zij vervolgens om 20:50 uur op grond van artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) een aanwijzing heeft gekregen om zich gedurende één nacht op te houden in de internationale lounge. Zij heeft op dezelfde dag om 14:55 uur haar asielwens kenbaar gemaakt, waarvan op 1 oktober 2026 een M35-H formulier is opgemaakt. Vervolgens is eiseres om 07:20 uur gehoord in het kader van de uitgestelde toegangsweigering en het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel.

Verweerder heeft diezelfde dag het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiseres een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. Onderhavig beroep ziet uitsluitend op de vrijheidsontnemende maatregel, nu tegen de uitgestelde toegangsweigering geen beroep openstaat. Gelet op wat hiervoor is beschreven volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat sprake is van tegenstrijdigheden in de tijdlijn tussen het kenbaar maken van de asielwens en de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Van enige strijdig- of onzorgvuldigheid is de rechtbank in dit kader niet gebleken.

2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Vereist is dat aan de grens een verzoek om internationale bescherming is ingediend en dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toegang als vastgelegd in artikel 6, eerste lid, onder a tot en met e, van de Schengengrenscode. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

3. De rechtbank stelt vast dat eiseres aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl zij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Eiseres bestrijdt weliswaar dat zij beschikt over een geldig reisdocument, maar daarmee voldoet eiseres nog steeds niet aan artikel 6, eerste lid, onder a, van de Schengengrenscode, aangezien zij niet beschikt over een geldig toereikend visum.

4. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de bevoegdheid tot het op leggen van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Dit is ook in overeenstemming met artikel 6 van de Screeningsverordening en artikel 43 van de Procedureverordening, waarin is bepaald dat een vreemdeling gedurende de screeningsfase en de grensprocedure geen toegang mag krijgen tot het grondgebied van de lidstaten.

5. Uit recente rechtspraak van de Afdeling volgt dat het grensbewakingsbelang naar zijn aard rechtvaardigt dat een vrijheidsbenemende maatregel wordt toegepast. De vaststelling dat grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, betekent niet dat in ieder individueel geval automatisch een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. Zoals is overwogen in de eerdere genoemde uitspraak van de Afdeling, dient verweerder steeds te beoordelen of met een lichter middel moet worden volstaan, ook al geeft hij dan het grensbewakingsbelang prijs.

6. In het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel staat over de toepassing van een lichter middel het volgende:

‘Tijdens het aan de vrijheidsontnemende maatregel voorafgaande gehoor is (door) de vreemdeling onder meer gewezen op haar psychiatrische problematiek omdat zij last heeft van depressie en autisme. Hiervoor gebruikt zij anti depressiva. Voor mensen die zich met moeite kunnen handhaven (meestal mensen met psychische problemen) is in de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg aanwezig. Indien er zich onverhoopt psychiatrische klachten voordoen kan de behandeling in de detentie- en uitzetcentra worden aangevraagd, aangevangen dan wel worden voortgezet. Als zorg niet voldoende kan worden gegeven, wordt de vreemdeling overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. Nu de psychische zorg in de detentie- en uitzetcentra voldoende is afgedekt, maakt dit de vreemdeling niet detentieongeschikt. In zoverre bezien hoeft hierom niet te worden volstaan met het toepassen van een lichter middel dan de vrijheidsontneming in het kader van de behandeling van de asielaanvraag in de asielgrensprocedure. Tijdens het aan de vrijheidsontnemende voorafgaande gehoor is de vreemdeling onder meer gewezen op zijn gezondheidstoestand. De vreemdeling heeft aangegeven dat zijn gezondheidstoestand te wensen over laat omdat hij last heeft hormoontherapie. Ten aanzien van de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Indien er zich onverhoopt medische omstandigheden voordoen kan de behandeling in de detentie- en uitzetcentra worden aangevraagd, aangevangen dan wel worden voortgezet. Nu er sprake is van gelijkwaardige gezondheidszorg maakt dit de vreemdeling niet detentieongeschikt. In zoverre bezien hoeft hierom niet te worden volstaan met het toepassen van een lichter middel dan het toepassen van een lichter middel dan de vrijheidsontneming in het kader van de behandeling van de asielaanvraag in de asielgrensprocedure. (zie ook het proces verbaal), welke zouden moeten leiden tot het een minder dwingende maatregel, maakt diens vrijheidsontnemende maatregel niet onevenredig bezwaarlijk omdat: Evenmin is gebleken van andere omstandigheden die de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend maken.’

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling of een lichter middel moet worden toegepast heeft betrokken. Uit de maatregel blijkt dat verweerder bekend is met de medische omstandigheden van eiseres, dat zij medicijnen hiervoor gebruikt en dat zij daartoe mogelijk zorg nodig heeft. Verweerder heeft onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang voldoende gemotiveerd dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. Verder is naar het oordeel van de rechtbank ook niet gebleken dat de maatregel om andere redenen onevenredig bezwarend is. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat eiseres nog een aanvullende medische intake doorloopt waarin de medische omstandigheden nader worden bekeken in het licht van behandeling en (mogelijke) detentieongeschiktheid. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de in detentie beschikbare zorg in haar geval niet toereikend is, dat zij niet in staat is de vrijheidsontneming op verantwoorde wijze te ondergaan of dat haar medische omstandigheden in detentie door gebrek aan (medische) zorg zullen verslechteren. Van deze omstandigheden is niet gebleken.

8. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 13 oktober 2026 door mr. dr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. dr. E.J. Govaers

Griffier

  • mr. A.S.J.I. Hendrickx

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand