ECLI:NL:RBDHA:2026:30216

ECLI:NL:RBDHA:2026:30216

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer NL26.58975
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Vrijheidsontnemende maatregel – artikel 6, lid 3, van de Vw – medische situatie van de vreemdeling – lichter middel – beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.58975

(gemachtigde: mr. N. van Bremen),

en

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling van het beroep. Eiser heeft op 7 oktober 2026 beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft diezelfde dag een reactie daarop ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 8 oktober 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is op 2 oktober 2026 om 17:54 uur aangekomen op Schiphol en heeft vervolgens een asielwens geuit. Eiser heeft op grond van artikel 4.6 van het Vb een aanwijzing gekregen om zich voor een nacht op te houden in de internationale lounge. Op 3 oktober 2026 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Diezelfde dag heeft verweerder het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. Het beroep ziet uitsluitend op de vrijheidsontnemende maatregel, nu tegen de uitgestelde toegangsweigering geen beroep openstaat.

2. De maatregel is gebaseerd op artikel 6, derde lid, van de Vw. Op grond van deze bepaling kan, in het kader van het nemen van een beslissing over de toegang tot Nederland en/of het uitvoeren van de screening als bedoeld in de Screeningsverordening, een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd aan de vreemdeling die aan de buitengrens van Nederland een asielwens uit. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Vereist is dat aan de grens een verzoek om internationale bescherming is ingediend en dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toegang als vastgelegd in artikel 6, eerste lid, onder a tot en met e, van de Schengengrenscode. De vrijheidsontnemende maatregel wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

3. Eiser voert aan dat de vrijheidsontnemende maatregel van meet af aan onrechtmatig is, omdat verweerder voorafgaand aan de maatregel onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar eisers psychiatrische problematiek, bijzondere kwetsbaarheid en zijn geschiktheid voor grensdetentie. Voorafgaand aan de maatregel heeft eiser verklaard dat hij depressief is, een angststoornis heeft en een leeftijdsidentititeitsstoornis heeft. In de verklaringen van eiser tijdens het gehoor had verweerder concrete aanwijzingen moeten zien voor een mogelijke psychiatrische stoornis en een ernstig suïciderisico. Deze verklaringen zijn niet beoordeeld door gespecialiseerd personeel. Er is niet onderzocht of eiser verantwoord de grensdetentie kan ondergaan. De algemene verwijzing in de maatregel naar de beschikbaarheid van gespecialiseerde zorg in het detentiecentrum is onvoldoende. Eiser acht dit in strijd met artikel 5.9 van het Vb en artikel 59c van de Vw. Ook wijst eiser op een drietal uitspraken van deze rechtbank en twee uitspraken van de Afdeling.

4. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig te achten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

5. Uit de maatregel volgt dat deze zowel in het kader van het nemen van een beslissing op de asielaanvraag als in het kader van de screening van eiser is opgelegd. Eisers asielaanvraag wordt behandeld in de asielgrensprocedure omdat hij aan de buitengrens een asielwens geuit en hij niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland. Op de asielaanvraag is nog niet beslist. Daarmee is verweerder bevoegd tot het op leggen van de vrijheidsbenemende maatregel bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Vw.

6. Voor zover eiser aanvoert dat ten onrechte geen voorlopige medische beoordeling heeft plaatsgevonden, wordt dit niet gevolgd. Het volledig uitvoeren van de screening, inclusief medische screening, is geen voorwaarde voor het opleggen van grensdetentie.. Eiser heeft zijn medische problemen kenbaar kunnen maken aan de medewerkers van de Koninklijke Marechaussee die belast zijn met het grenstoezicht. Zij kunnen in voorkomend geval een medisch deskundige inschakelen. Uit artikel 16, eerste lid, van de Schengengrenscode, volgt immers dat ambtenaren van de KMar zijn opgeleid op het gebied van het herkennen van en het omgaan met situaties waarin kwetsbare personen betrokken zijn.

7. De Afdeling heeft in de uitspraak van 2 september 2026 geoordeeld dat verweerder in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag zien om een vrijheidsontnemende maatregel overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn op te leggen. Die noodzaak hoeft niet nader te worden gemotiveerd. De vaststelling dat grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, betekent niet dat in ieder individueel geval automatisch een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. Zoals is overwogen in de eerdere genoemde uitspraak van de Afdeling, dient verweerder steeds te beoordelen of met een lichter middel moet worden volstaan. Deze beoordeling strekt niet verder dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is.

8. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel heeft eiser verklaard dat hij last heeft van depressie, angststoornis en leeftijdsherkenningsstoornis. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij medicatie gebruikt voor zijn depressie en angststoornis en voldoende medicatie bij zich heeft voor één maand. Daarnaast heeft eiser verklaard dat er geen spoedeisende omstandigheden zijn die aanleiding zouden moeten geven om eiser zijn asielprocedure in vrijheid te laten doorlopen. De door eiser genoemde medische omstandigheden heeft verweerder betrokken bij de maatregel. Verweerder heeft terecht overwogen dat voor mensen met psychische problemen gespecialiseerde zorg aanwezig is in het detentiecentrum en dat, als psychiatrische klachten zich voordoen, behandeling kan worden aangevraagd, aangevangen of voortgezet. Als de zorg niet voldoende kan worden gegeven, vindt overplaatsing naar een ziekenhuis, penitentiair psychiatrisch centrum of gesloten gezondheidsinstelling plaats. Verweerder heeft dan ook terecht gesteld dat er voor eiser voldoende waarborgen zijn en dat hij door zijn psychische problematiek niet detentieongeschikt is. Ten aanzien van de verwijzing van eiser naar een e-mail van de medische dienst van JC Schiphol, wordt voorts overwogen dat de inhoud van deze e-mail ziet op een andere vreemdeling en dat hieruit niet afgeleid kan worden dat in het algemeen geen toereikende psychologische zorg aanwezig is in het detentiecentrum.

Een dag nadat de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, namelijk op 4 oktober 2026, heeft eiser in het kader van zijn asielprocedure verklaringen afgelegd over zijn leeftijdsidentiteitsstoornis en suïcidegedachten. Deze verklaringen kon verweerder niet betrekken bij het opleggen van de maatregel. Daarnaast bieden ze als zodanig, gelet op de in detentie beschikbare medische zorg, geen concreet aanknopingspunt voor het oordeel dat de vrijheidsbenemende maatregel voor eiser onevenredig bezwarend is. Niet is gebleken van bijkomende feiten of omstandigheden op grond waarvan in dit geval aanvullend onderzoek naar een bijzondere opvangbehoefte is aangewezen.

9. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 13 oktober 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.F.I. Sinack

Griffier

  • mr. W. van Loon

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand