[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Somalische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. J.G. Brands),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M.C. Kadijk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 augustus 2026, op grond van de AMbV, niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij heeft daarom beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.
De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig met de voorlopige voorziening, op 5 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiser heeft op 15 juli 2026 in Nederland een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de AMbV. Op grond van de AMbV neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
In dit geval heeft Nederland op 24 juli 2026 bij Duitsland een kennisgeving inzake terugname gedaan. In de bijgevoegde resultaten van de Eurodac-bevraging is een aanvraag in Duitsland uit 2022 terug te vinden. Duitsland heeft de kennisgeving op 28 juli 2026 bevestigd.
3. De rechterlijke toets van het beroep tegen het overdrachtsbesluit is bij een terugnamesituatie beperkt tot een beoordeling of:
a. a) de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest;
b) er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening.
De rechtbank verwijst in dit kader ook naar het arrest Jawo van Het Hof van Justitie van de Europese Unie en naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats en van 11 augustus 2026.
Is er sprake van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van de AMbV?
4. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van de AMbV. Eisers stellingen dat hij in november een religieus huwelijk is aangegaan met een in Nederland verblijvende partner, dat zij recent een dochter hebben verwelkomd, dat hij voor het kind wil zorgen en dat zijn partner en het kind afhankelijk van hem zijn leiden niet tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt hiertoe dat dit geen omstandigheden na het overdrachtsbesluit betreffen die bepalend zijn voor de juiste toepassing van de AMbV. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser de band en de afhankelijkheid tussen hem, zijn partner en hun kind onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank merkt daarnaast op dat de AMbV niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een familie- of gezinslid in Nederland kan worden verkregen, omdat daar andere regelingen voor openstaan. De beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank overweegt verder dat eisers stelling dat hij in Duitsland is afgewezen het oordeel ook niet anders maakt. Duitsland heeft met het accepteren van de kennisgeving gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen, in overeenstemming met de verdragsverplichtingen. Indien eiser in Duitsland problemen ondervindt, kan hij hierover klagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan dan wel dat de (hogere) Duitse autoriteiten eiser niet willen of kunnen helpen.
Gelet op het bovenstaande is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder a of onder b, van de AMbV.
Is het besluit zorgvuldig voorbereid?
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister af heeft mogen zien van het houden van een persoonlijk onderhoud. Artikel 22 van de AMbV bepaalt dat lidstaten voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat een persoonlijk onderhoud voeren met een verzoeker met het oog op de toepassing van artikel 39 van de AMbV. Artikel 39 van de AMbV ziet op overnameverzoeken. In het geval van eiser gaat het om een terugnameverzoek en is er een kennisgeving verstuurd naar de verantwoordelijke lidstaat. Uit WI 2026/17 volgt dat in het geval van een terugnameverzoek in beginsel geen persoonlijk onderhoud plaatsvindt. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen volstaan met het bieden van de mogelijkheid aan eiser om schriftelijk zijn bezwaren tegen overdracht naar Duitsland naar voren te brengen.
De rechtbank oordeelt verder dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad zijn bezwaren tegen een overdracht kenbaar te maken en dat geen sprake is van onzorgvuldige voorbereiding van het besluit. Uit het dossier valt af te leiden dat eiser op 16 juli 2026 is geïnformeerd over de voorgenomen overdracht aan Duitsland. Ook blijkt uit het dossier dat eiser op 23 juli 2026 op de hoogte is gesteld van zijn gemachtigde. De rechtbank overweegt dat alhoewel er een korte periode is gelegen tussen het moment dat eiser een advocaat toegewezen heeft gekregen en de datum van de beschikking, dit geen aanleiding vormt voor een ander oordeel. Ook de stellingen dat de brief enkel in het Nederlands aan eiser is verzonden, dat een termijn voor het indienen van de gronden in de brief ontbreekt en dat de eerste mogelijkheid voor een afspraak tussen eiser en zijn gemachtigde 4 augustus 2026 was, leiden niet tot een ander oordeel. Eiser was namelijk vanaf 16 juli 2026 op de hoogte van de voorgenomen overdracht en had in elk geval vanaf 23 juli 2026 de mogelijkheid om aan zijn gemachtigde door te geven waar hij verbleef, op welke wijze contact met hem opgenomen kon worden en om zijn bezwaren kenbaar te maken. De minister wijst er terecht op dat het aan eiser is om zijn bezwaren zo spoedig mogelijk kenbaar te maken. Daarnaast heeft eiser de mogelijkheid gehad om in deze beroepsprocedure zijn bezwaren tegen overdracht naar Duitsland naar voren te brengen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser ongelijk krijgt, het overdrachtsbesluit in stand blijft en eiser mag worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.