[naam], eiser,
Geboren op [geboortedatum],
Van Libanese nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M.C. Kadijk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 augustus 2026, op grond van de AMbV, niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij heeft daarom beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.
De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig met de voorlopige voorziening, op 5 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiser heeft op 18 juli 2026 in Nederland een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de AMbV. Op grond van de AMbV neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
In dit geval heeft Nederland op 28 juli 2026 bij Bulgarije een kennisgeving inzake terugname gedaan. Eiser heeft aangegeven dat hij asiel heeft aangevraagd in Bulgarije. Bulgarije heeft de kennisgeving op 29 juli 2026 bevestigd.
3. De rechterlijke toets is bij een terugnamesituatie beperkt tot een beoordeling of:
a. a) de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest;
b) er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening.
De rechtbank verwijst in dit kader ook naar het arrest Jawo van Het Hof van Justitie van de Europese Unie en naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats en van 11 augustus 2026.
Leidt overdracht tot een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest?
4. De rechtbank oordeelt dat eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat overdracht aan Bulgarije leidt tot een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 21 augustus 2026 heeft geoordeeld dat de minister ten aanzien van Bulgarije mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank overweegt dat zij al eerder heeft geoordeeld dat het meest recente AIDA-rapport van mei 2026 (update 2025) waar eiser naar verwijst geen wezenlijk ander beeld schetst dan de rapporten die de Afdeling heeft betrokken in haar oordeel. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding voor een ander oordeel. Eiser heeft dus niet aannemelijk gemaakt van welke tekortkomingen in Bulgarije sprake zou zijn en als dat zo zou zijn, waarom die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid zouden bereiken. Ook is niet gebleken van bijzondere kwetsbaarheid die moet leiden tot het verkrijgen van aanvullende garanties. Indien eiser in Bulgarije problemen ondervindt, kan hij hierover klagen bij de (hogere) Bulgaarse autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan dan wel dat de (hogere) Bulgaarse autoriteiten eiser niet willen of kunnen helpen. Gelet op het bovenstaande is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder a, van de AMbV. Evenmin is gebleken van de toepasselijkheid van artikel 43, aanhef en onder b van de AMbV.
Is het besluit zorgvuldig voorbereid?
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister af heeft mogen zien van het houden van een persoonlijk onderhoud. Artikel 22 van de AMbV bepaalt dat lidstaten voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat een persoonlijk onderhoud voeren met een verzoeker met het oog op de toepassing van artikel 39 van de AMbV. Artikel 39 van de AMbV ziet op overnameverzoeken. In het geval van eiser gaat het om een terugnameverzoek en is er een kennisgeving verstuurd naar de verantwoordelijke lidstaat. Uit WI 2026/17 volgt dat in het geval van een terugnameverzoek in beginsel geen persoonlijk onderhoud plaatsvindt. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen volstaan met het bieden van de mogelijkheid aan eiser om schriftelijk zijn bezwaren tegen overdracht naar Bulgarije naar voren te brengen.
De rechtbank oordeelt verder dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad zijn bezwaren kenbaar te maken en dat geen sprake is van onzorgvuldige voorbereiding van het besluit. Uit het dossier valt af te leiden dat eiser op 22 juli 2026 is geïnformeerd over de voorgenomen overdracht aan Bulgarije. Ook blijkt uit het dossier dat eiser op 29 juli 2026 op de hoogte is gesteld van zijn gemachtigde. De rechtbank overweegt dat alhoewel er een korte periode is gelegen tussen het moment dat eiser een advocaat toegewezen heeft gekregen en het moment dat de beschikking is geslagen, dit geen aanleiding vormt voor een ander oordeel. Ook de stelling dat de brief enkel in het Nederlands aan eiser is verzonden leidt niet tot een ander oordeel. Eiser was namelijk vanaf 22 juli 2026 op de hoogte van de voorgenomen overdracht en had in elk geval vanaf 29 juli 2026 de mogelijkheid om aan zijn gemachtigde door te geven waar hij verbleef, op welke wijze contact met hem opgenomen kon worden en om zijn bezwaren kenbaar te maken. Daarnaast heeft eiser de mogelijkheid gehad om in deze beroepsprocedure zijn bezwaren tegen overdracht naar Bulgarije naar voren te brengen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt, het bestreden besluit in stand blijft en eiser mag worden overgedragen aan Bulgarije. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.