RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.59280
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 19 augustus 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft op 6 oktober 2026 tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en op 12 oktober 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Uit de uitspraak van 27 augustus 2026 (in de zaak NL26.47857) volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 25 augustus 2026) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 25 augustus 2026.
Gelet op het voorgaande loopt de in deze uitspraak te toetsen periode dus van 25 augustus 2026 tot 12 oktober 2026.
Verzoek om zitting
2. Hoewel eiser heeft verzocht om het beroep in zijn aanwezigheid ter zitting te behandelen, heeft de rechtbank aan dat verzoek geen gevolg gegeven. Het horen van de vreemdeling in vervolgberoepen is niet verplicht. Het horen van eiser is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval ook niet nodig. De rechtbank heeft namelijk op basis van de stukken in het dossier al voldoende informatie om een oordeel te kunnen geven over het vervolgberoep. In dit kader zijn de door eiser aangevoerde en hieronder besproken gronden onvoldoende om het verzoek om op de zitting te worden gehoord, toe te wijzen.
Zicht op uitzetting
3. Eiser stelt dat onduidelijk is of er zicht is op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn, omdat hij op jonge leeftijd uit Marokko is vertrokken. Daarnaast stelt eiser dat onduidelijk is in hoeverre de Marokkaanse autoriteiten hem als onderdaan zouden accepteren, omdat hij stelt de Poolse nationaliteit te hebben.
De rechtbank heeft in de uitspraak van 27 augustus 2026 (NL26.47857) geoordeeld dat er op dat moment zicht op uitzetting naar Marokko bestond. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in de in deze uitspraak te toetsen periode is komen te ontbreken.
Uit het dossier volgt dat de op 25 augustus 2026 ingediende laissez passez (lp) aanvraag nog in behandeling is bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat zij tot op heden nog geen lp hebben afgegeven betekent niet dat er geen zicht op uitzetting is. Met een lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten gaat in het algemeen de nodige tijd gemoeid, zeker als een vreemdeling, zoals in dit geval eiser, al lange tijd geleden zijn land van herkomst heeft verlaten. De door eiser aangevoerde omstandigheid dat hij Marokko op jonge leeftijd heeft verlaten, maakt daarom niet zonder meer dat er geen zicht op uitzetting is. Daarnaast is het van belang dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn lp-traject. Niet is gebleken dat eiser dit in de te toetsen periode voldoende heeft gedaan. Zo blijkt uit de verslagen van de vertrekgesprekken op 26 augustus, 4 september en 10 september 2026 dat eiser niets heeft gedaan om het lp-traject te versnellen en hij de reactie van de Marokkaanse autoriteiten afwacht. Verder zijn er door eiser geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject, als hij wel voldoende zou meewerken, op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. De rechtbank ziet in eisers stelling dat hij de Poolse nationaliteit bezit geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat hij deze stelling niet nader heeft onderbouwd of aannemelijk heeft gemaakt. Gelet op het voorgaande slaagt deze beroepsgrond niet.
Lichter middel
4. Eiser stelt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. In dit kader heeft eiser naar voren gebracht dat hij meewerkt aan zijn uitzetting, zijn kinderen mist, en een emotionele indruk maakt in het detentiecentrum.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan op enig moment gedurende de te toetsen periode, beoordeelt de rechtbank of geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast op enig moment in de te toetsen periode. De reden hiervoor is dat de omstandigheden die eiser aanvoert de rechtbank geen aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel moet worden toegepast. Wat betreft de emotionele indruk die eiser maakt, wijst de rechtbank op de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en (psychologische dan wel medische) zorg. Niet is gebleken dat deze begeleiding en/of zorg voor eiser niet toereikend zijn. In het overige dat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor een ander oordeel. De omstandigheden vormen geen reden om een lichter middel toe te passen. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond niet.
Slotsom beroepsgronden
5. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest. De gronden in de maatregel zijn nog immer van toepassing en van een afname van het risico op onderduiken is niet gebleken.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van vreemdelingenbewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
Evenmin is het de rechtbank gebleken dat het familie- of gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (vgl. het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Helsen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.