RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.58623
(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),
en
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel (hierna ook: grensdetentie) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan verweerder de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure.
Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze maatregel wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel.
Lichter middel
2. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de vrijheidsontnemende maatregel. In dit kader heeft eiser naar voren gebracht dat hij zichzelf heel snel heeft aangemeld om asiel aan te vragen, dat hij meewerkt en dat zijn identiteit is vastgesteld. Uit deze omstandigheden volgt dat hij zich niet aan het toezicht zal onttrekken. Dit is volgens eiser niet voldoende betrokken in de maatregel. Verder heeft eiser naar voren gebracht dat hij homoseksueel is, en dus behoort tot een kwetsbare groep.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 2 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5077), volgt dat verweerder voldoende noodzaak mag zien in het grensbewakingsbelang om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen, en dat verweerder die noodzaak niet nader hoeft te motiveren, bijvoorbeeld door toe te lichten dat er een risico op onderduiken bestaat. Het bestaan van een onderduikrisico is, behalve in het geval de vreemdeling in grensdetentie wordt geplaatst om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, geen vereiste voor grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Verder heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat de beoordeling of verweerder in grensdetentiezaken met een lichter middel had moeten volstaan niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. Verweerder heeft in de maatregel namelijk terecht en deugdelijk gemotiveerd gesteld dat er door eiser geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht die maken dat de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend voor hem is. De stelling van eiser in beroep dat hij meewerkt aan de procedures en dat er daarom geen risico op onderduiken bestaat, leidt niet tot het oordeel dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen, nu het bestaan van een onderduikrisico geen vereiste is voor grensdetentie en hieruit niet volgt dat de grensdetentie onevenredig bezwarend voor eiser is. Ook in eisers stelling dat hij homoseksueel is en dus behoort tot een kwetsbare groep ligt geen grond voor het oordeel dat grensdetentie voor hem onevenredig bezwarend is, nu hij geen concrete omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit dat blijkt.
De (enige) beroepsgrond dat een lichter middel had moeten worden toegepast slaagt gezien het voorgaande niet.
Slotsom beroepsgrond
3. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgrond van eiser niet leidt tot het oordeel dat de grensdetentie tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Ambtshalve toetsing
4. Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de grensdetentie tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was (vgl. de het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858).
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Helsen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.