RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.58669
geboren op [geboortedatum] ,
van Georgische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
Procesverloop
1. Bij besluit van 2 oktober 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 7 oktober 2026 de maatregel opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Zijn gemachtigde is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Grondslag
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
h. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
6. Naar het oordeel van de rechtbank valt eiser onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Eiser heeft op 13 augustus 2026 een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 18 augustus 2026 niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft niet langer rechtmatig verblijf. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
7. De rechtbank oordeelt dat grond a feitelijk juist is en daarom terecht aan eiser is opgelegd. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel verklaard dat hij via Duitsland en Frankrijk naar Nederland is gereisd. Niet in geschil is dat eiser zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de EU heeft bewogen. Het enkele feit dat eiser Nederland al in 2024 is binnengekomen, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. Daarnaast was eiser bij binnenkomst in Nederland niet in het bezit van een paspoort of ander geldig grensoverschrijdingsdocument. Dat eiser zijn paspoort in Duitsland heeft achtergelaten komt voor zijn rekening en risico. De grond b is ook feitelijk juist. Eiser heeft niet voldaan aan zijn vertrekplicht. Zo heeft eiser meerdere asielbesluiten ontvangen waaruit de plicht om Nederland te verlaten blijkt. De meest recente asielaanvraag van eiser is bij besluit van 18 augustus 2026 niet-ontvankelijk verklaard, waarin is verwezen naar het eerder op 15 juli 2015 opgelegd terugkeerbesluit. Dat er ook perioden zouden zijn geweest waarin eiser zijn procedures afwachtte doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Ook de grond c is feitelijk juist en is daarom terecht tegengeworpen aan eiser. Eiser heeft geen documenten overgelegd en ook geen concrete inspanningen verricht om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. Dat eisers nationaliteit op 23 maart 2026 door de Georgische autoriteiten is bevestigd, maakt dat oordeel niet anders, nu de vaststelling van eisers nationaliteit heeft plaatsgevonden door inspanningen van de Nederlandse autoriteiten. Daarnaast is eiser meerdere keren met onbekende bestemming vertrokken, waardoor de lp-aanvragen zijn beëindigd. Grond h is ook feitelijk juist. Zo heeft eiser tijdens zijn verblijf in Nederland meerdere keren gesproken met de DT&V over zijn vertrekplicht, de meewerkplicht en de mogelijkheden van vrijwillige terugkeer. Eiser heeft tijdens het vertrekgesprek van 2 oktober 2024, zoals eiser stelt, weliswaar verklaard dat hij zal terugkeren naar Georgië als dit moet, maar is daarna meerdere keren met onbekende bestemming vertrokken. Eiser heeft hiermee laten zien dat hij geen concrete stappen heeft ondernomen om zijn terugkeer naar Georgië mogelijk te maken. Ook de grond j is feitelijk juist en daarom terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser heeft op 13 augustus 2026 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is door de minister bij besluit van 18 augustus 2026 niet-ontvankelijk verklaard. Door de minister is deugdelijk gemotiveerd dat eiser, ondanks een eerdere afwijzing, Nederland niet zelfstandig heeft verlaten, zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken door met onbekende bestemming te vertrekken en het risico bestaat dat eiser zich opnieuw aan het toezicht zal onttrekken. Grond o is eveneens feitelijk juist. Eiser is meerdere keren met onbekende bestemming vertrokken. Dat eiser zich daarna steeds weer heeft gemeld en dat de laatste MOB-registratie meer dan zes maanden is geleden, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af.
De rechtbank laat de gronden p, q, r en s onbesproken, omdat de overige hiervoor besproken gronden al voldoende zijn om de maatregel te kunnen dragen.
Lichter middel
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico is gegeven.
Verder is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiser heeft de minister in de maatregel erop gewezen dat binnen de detentie- en uitzetcentra (gespecialiseerde) medische zorg beschikbaar is en dat de medische dienst ook de mogelijkheid heeft om, aan mensen die een afkickprogramma volgen, methadon te verstrekken. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
Voortvarendheid
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Zo heeft de minister op 2 oktober 2026 een vlucht aangevraagd met als datum 13 oktober 2026. Op 7 oktober 2026 is de maatregel van bewaring opgeheven in verband met een strafrechtelijke detentie.
Zicht op uitzetting
10. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw en het Unierecht indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Georgië in het algemeen niet ontbreekt. Daarnaast zijn de Georgische autoriteiten akkoord gegaan met een terug- en overnameverzoek. In aanvulling hierop heeft de minister op de zitting aangegeven dat een reisdocument inmiddels voorhanden is.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
12. De rechtbank stelt vast dat eiser in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit.
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.