RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39775
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.A. Pieters)
en
(gemachtigde: mr. E.N. Spijkerman).
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 1 juni 2023.
Met het besluit van 21 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep van eiser tegen het niet-tijdig beslissen heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op het alsnog genomen besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting in Breda behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder. De heer [tolk] trad op als tolk.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedag] 1963 en dat hij de Somalische nationaliteit heeft. Hij heeft op 1 juni 2023 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is geboren in [geboorteplaats] en heeft daar tot 2018 gewoond. Daarna is hij naar Somalië gegaan, naar [plaats] , in de regio Sool. In 2023 hebben leden van de stam van de Dhulbahante een mislukte poging gedaan om eisers jongere halfbroer voor hun organisatie te rekruteren, maar omdat ze de halfbroer thuis niet aantroffen hebben ze eiser meegenomen. De Dhulbahante hebben eiser 9 dagen vastgehouden en na betaling van losgeld weer vrijgelaten, op de uitdrukkelijke voorwaarde dat hij [plaats] zou verlaten. Eiser is samen met zijn stiefmoeder en halfbroertjes en -zusjes eerst naar Somaliland, en later naar Ethiopië gevlucht. In Somalië werd eiser, die behoort tot de Madhiban stam, vanwege zijn etniciteit gediscrimineerd.
2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
De geloofwaardig geachte elementen zijn volgens verweerder onvoldoende om vluchtelingschap aan te nemen. De aanvraag is als kennelijk ongegrond afgewezen omdat eiser niet zo spoedig mogelijk asiel heeft aangevraagd. Er is naar het oordeel van verweerder voor eiser geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië. Verweerder heeft tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd met een vertrektermijn van vier weken.
3. Eiser voert tegen het bestreden besluit aan dat hij wel degelijk samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over de ervaringen die hij heeft ondervonden met de Dhulbahante, dat verweerder geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft uitgevoerd en dat het bestreden besluit daarom ondeugdelijk is gemotiveerd. Ten aanzien van de late indiening van zijn asielverzoek voert eiser aan dat hij hiervoor een goede verklaring heeft gegeven, en dat een geringe termijnoverschrijding van slechts 48 uur onvoldoende reden is om zijn verklaringen ongeloofwaardig te achten. De discriminatie die eiser als Madhiban/Midgan heeft ondervonden en waarmee hij bij terugkeer opnieuw verwacht te worden geconfronteerd, kwalificeren wel degelijk als een vervolgingsgrond. Eiser vreest bovendien voor ernstige schade bij terugkeer omdat in de regio Sool sprake is van een hoger niveau van willekeurig geweld dan dat waarvan verweerder is uitgegaan. Op basis van de door eiser aangevoerde individuele omstandigheden had wel een subsidiaire beschermingsstatus moeten worden verleend. Ten slotte voert eiser aan dat hij medische problemen heeft die zijn verergerd sinds het bestreden besluit, en die zo ernstig zijn dat eiser in aanmerking zou moeten komen voor uitstel van vertrek op medische gronden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Geloofwaardigheid van de problemen met Dhulbahante
4. Omdat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten heeft verweerder een geloofwaardigheidsbeoordeling uitgevoerd ten aanzien van de gestelde problemen met de Dhulbahante-stam. Verweerder heeft hierbij naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormden omdat eiser niet precies kan uitleggen hoe zijn ontvoering in zijn werk is gegaan, hoe eiser wist door wie hij ontvoerd is, wie precies voor zijn vrijlating heeft betaald, en of het losgeld is betaald opdat eiser zou worden vrijgelaten, of juist dat het losgeld pas na zijn vrijlating is betaald. Het gegeven dat eiser niet zelf bij de overhandiging van het losgeld aanwezig is geweest, is onvoldoende om de tegenstrijdigheden ten aanzien van deze essentiële onderdelen van zijn vluchtverhaal te verklaren. Verweerder heeft hier in de gehoren voldoende op doorgevraagd. Anders dan verweerder, acht de rechtbank de verklaringen van eiser dat niet hij, maar zijn stiefbroer doelwit was van de rekrutering en dat eiser bij wijze van ‘onderpand’ is meegenomen door gewapende strijders, wel geloofwaardig. Dit oordeel doet echter niet af aan het oordeel dat het bestreden besluit op het punt van de geloofwaardigheid van de problemen met de Dhulbahante voldoende is gemotiveerd omdat de overgebleven argumenten het besluit kunnen dragen.
Termijnoverschrijding
5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op 11 of 12 mei 2023 in Nederland is aangekomen en zich op 16 mei 2023 heeft gemeld om een asielaanvraag in te dienen. De verklaring voor dit tijdverloop, dat hij eerst bij een vriend in Amsterdam heeft verbleven omdat hij moe was en omdat hij niet wist waar hij naar toe moest, was voor verweerder onvoldoende reden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Eiser voert aan dat de termijnoverschrijding wel verschoonbaar is en dat de (geringe) termijnoverschrijding niet afdoet aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. Hij verwijst in dit verband naar het rapport van de UNHCR ‘Beyond Proof’, waaruit blijkt dat met eisers verklaringen wel degelijk rekening had moeten worden gehouden. De rechtbank overweegt in dit verband dat een vreemdeling in beginsel binnen 48 uur na binnenkomst in Nederland asiel moet aanvragen. In deze termijn zit al een periode van rust en oriëntatie verdisconteerd. Uit de verklaringen van eiser leidt de rechtbank niet af dat hij zich in een zodanig bijzondere situatie bevond dat hem meer tijd vergund had moeten worden. Uit het bestreden besluit blijkt bovendien dat de termijnoverschrijding als onderdeel van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling is meegewogen, en niet zelfstandig tot een afwijzing van het asielverzoek heeft geleid. De beroepsgrond slaagt niet.
Discriminatie Madhiban/Midgan
6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser behoort tot de Madhiban/Midgan bevolkingsgroep, en dat leden van deze bevolkingsgroep in Somalië met discriminatie te maken kunnen krijgen. Eiser voert aan dat hij zelf ook met discriminatie te maken heeft gehad: hij is gepest en uitgescholden, het opstarten van een eigen zaak is mislukt omdat mensen van andere stammen geen klant bij hem willen zijn, hij kan nauwelijks aan werk komen en niet trouwen. Verweerder heeft echter terecht overwogen dat uit eisers verklaringen blijkt dat hij toen hij nog in Somalië verbleef heeft gewerkt bij een garage, dat hij een woning kon huren en dat zijn broertjes en zusjes naar school konden. De discriminatie die eiser heeft ervaren en waar hij voor vreest is daarmee niet zo zwaarwegend, en hij is niet zo ernstig in zijn bestaansmogelijkheden beperkt, dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kon functioneren. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de aangevoerde discriminatie onvoldoende zwaarwegend is om tot vluchtelingschap te kunnen oordelen.
Subsidiaire bescherming - niveau van willekeurig geweld
7. Eiser voert aan dat de regio Sool wordt betwist tussen Somaliland en Puntland. Hij wijst in dit verband op het EUAA-rapport van 2025 waaruit blijkt dat er in de genoemde regio sprake is van willekeurig geweld, hoewel op een relatief laag niveau. Verweerder was volgens eiser daarom gehouden om te beoordelen of eiser op grond van de aangevoerde individuele omstandigheden voor subsidiaire bescherming in aanmerking kon komen. Als individuele omstandigheden heeft eiser aangevoerd dat hij is opgegroeid in [geboorteplaats] zodat hij geen netwerk heeft in Somalië, hij niet bekend is met de cultuur en de gebruiken in Somalië, en dat hij de Somalische taal niet goed spreekt zodat hij altijd opvalt als ‘buitenstaander’. Verweerder is er, onder verwijzing naar het landenbeleid voor Somalië, van uitgegaan dat er in de regio Sool, waar eiser vandaan komt, geen sprake is van willekeurig geweld. In zijn briefverweer heeft hij verwezen naar recente cijfers van ACLED en het rapport van de EUAA van mei 2026, waaruit volgt dat ook de meest recente gegevens geen aanleiding geven om voor de regio Sool een 15c-situatie aan te nemen. De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat in de regio Sool sprake is van een hoger niveau van willekeurig geweld dan waar in het bestreden besluit rekening mee is gehouden. Verweerder was daarom niet gehouden een individuele toets uit te voeren om te bepalen of eiser voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt.
Uitstel van vertrek op medische gronden
8. Verweerder moet bij een eerste asielaanvraag in beginsel ambtshalve toetsen aan artikel 64 van de Vw, namelijk of de vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van zijn medische omstandigheden. De ambtshalve toetsing heeft in dit geval ook plaatsgevonden. Verweerder heeft zich, bij gebrek aan medische informatie, naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen aanleiding bestond om nader onderzoek te doen naar aanleiding van de door eiser gestelde medische problemen. Eiser heeft pas in beroep, op de dag voor de zitting, medische stukken overgelegd en een beroep gedaan op zijn medische situatie. Verweerder heeft de door eiser overgelegde stukken, te weten een uitdraai van zijn medisch dossier, in dit stadium niet (meer) in de beoordeling hoeven te betrekken. Gelet hierop ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en verweerder op te dragen over te gaan tot nader medisch onderzoek. Het staat eiser vrij om een aparte aanvraag in te dienen voor uitstel van vertrek op grond van zijn medische omstandigheden.
Conclusie en gevolgen
9. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
10. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 12 oktober 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Uitgesproken en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.