RECHTBANK Den Haag
Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/712023 / KG ZA 26-959
Vonnis in kort geding van 29 september 2026
in de zaak van
[partij A] te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. D.D.S. Doelam,
tegen
[partij B] te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. M.H.C. Morshuis.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 september 2026, met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties en aanvullende producties;- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte overlegging nadere producties en vermeerdering van eis in reconventie, met producties.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 september 2026. De advocaten van partijen hebben ter zitting het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. Deze pleitnotities maken deel uit van het dossier. Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen zijn sinds 2007 gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna: de woning) en bewonen de woning gezamenlijk. Op de woning rust een schuld uit hoofde van een (hypothecaire) geldlening, aangegaan bij ING Bank N.V. Aan de hypothecaire geldlening is een kapitaalverzekering (levensverzekering) verbonden. De woning is op 5 september 2025 getaxeerd op een bedrag van € 550.000.
Er zijn onderlinge spanningen tussen partijen en [partij B] heeft [partij A] vanaf augustus 2025 meerdere keren verzocht om mee te werken aan de toedeling van de woning aan haar.
Bij vonnis in kort geding van 24 april 2026 (hierna: het Vonnis) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, op vordering van [partij B] , [partij A] veroordeeld om mee te werken aan de toedeling van de woning aan [partij B] en om na levering de woning te verlaten. Het dictum luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
veroordeelt [partij A] om, indien [partij B] binnen drie maanden na vandaag aan [partij A] schriftelijk heeft aangetoond dat zij de woning aan de [adres] tegen een waarde van € 550.000 kan overnemen onder ontslag van [partij A] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek, binnen vier weken zijn medewerking te verlenen aan de notariële levering van zijn aandeel in de woning aan [partij B] ;
beveelt dat, in het geval [partij B] de woning overneemt, [partij A] de woning twee weken na betekening van dit vonnis, maar niet eerder dan op 1 oktober 2026 dient te verlaten;
bepaalt dat, indien [partij A] niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald in 5.2.. dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van [partij A] dat hij zijn aandeel in de woning aan [partij B] levert;”
In het Vonnis is [partij A] in zijn tegenvorderingen niet ontvankelijk verklaard, omdat hij niet werd bijgestaan door een advocaat, maar door een gemachtigde.
In 4.8 van het Vonnis is met betrekking tot de belangen van [partij A] het volgende overwogen:
“4.8. [partij A] heeft ook aangevoerd dat hij de woning wil overnemen. Zijn vordering daartoe kan de voorzieningenrechter niet in behandeling nemen (zie 1.4), wel zullen de stellingen van [partij A] worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of het voldoende aannemelijk is dat [partij B] de woning krijgt toebedeeld. [partij A] stelt dat de woning is aangepast op zijn medische situatie en dat hij daarom als eerst in staat moet worden gesteld de woning over te nemen. De voorzieningenrechter volgt [partij A] daarin niet. De enige aanpassing die uit de door [partij A] overgelegde foto's blijkt, is een wandbeugel in het toilet op de begane grond. Los van het feit dat dit een minimale aanpassing betreft, volgt uit de eigen stellingen van [partij A] dat de woning juist niet goed aansluit bij zijn situatie. [partij A] maakt vanwege zijn mobiliteitsbeperking gebruik van een scootmobiel, een rollator en
krukken. Vanwege deze beperking gebruikt [partij A] alleen begane grond, waar ook zijn bed is geplaatst, terwijl de woning drie verdiepingen telt.”
Tegen het Vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
Op 21 juli 2026 heeft [partij A] de Spoedeisende hulp bezocht.
Bij e-mailbericht van 22 juli 2026 heeft de advocaat van [partij B] met verwijzing naar een bericht van de financieel adviseur [partij B] aan [partij A] en zijn gemachtigde meegedeeld dat [partij B] in staat is om de woning over te nemen en [partij A] te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.
Bij e-mailbericht van 12 augustus 2026 heeft de financieel adviseur van [partij B] aan [partij A] verzocht om het verzoek tot afkoop van de levensverzekering en een addendum om uitbetaling via de notaris mogelijk te maken te ondertekenen.
[partij A] heeft het verzoek tot afkoop van de levensverzekering en het addendum niet ondertekend.
Op 13 augustus 2026 heeft de huisarts van [partij A] schriftelijk verklaard dat [partij A] sinds 2009 een kwetsbare gezondheid heeft en dat hij op 21 juli 2026 een herseninfarct heeft doorgemaakt en daarbij een epileptisch insult heeft gehad. Daarnaast heeft de huisarts verklaard dat als [partij A] zijn woning moet verlaten dit vermoedelijk significante extra gezondheidsproblemen zal geven die voor hem niet zonder risico zijn.
3. Het geschil
in conventie
Na wijziging van eis vordert [partij A] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, dat de voorzieningenrechter:
I. de tenuitvoerlegging van het Vonnis, meer specifiek de onderdelen 5.2, 5.3 en 5.4, schorst totdat door de bodemrechter onherroepelijk is beslist in de tussen partijen te voeren verdelingsprocedure;
II. subsidiair: de executie schorst voor de duur van 12 maanden na heden, althans
totdat medisch verantwoorde vervangende woonruimte met passende Wlz-
begeleiding is gerealiseerd;
III. meer subsidiair: de executie schorst voor de duur van 3 maanden na heden, teneinde [partij A] in de gelegenheid te stellen de woning over te nemen, [partij B] uit te kopen en te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid conform de overgelegde hypotheekverklaring d.d. 28 augustus 2026;
IV. [partij B] beveelt om de tenuitvoerlegging van het vonnis, de ontruiming en het
inroepen van de wilsverklaring ex art. 3:300 lid 2 BW met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden;
V. [partij B] te veroordelen in de werkelijke proceskosten, te vermeerderen met rente.
[partij A] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag.
[partij A] heeft een zwaar herseninfarct doorgemaakt. Gedwongen ontruiming van de woning op korte termijn leidt voor hem tot een levensbedreigende situatie en acute dakloosheid. Dit belang weegt zwaarder dan de financiële belangen van [partij B] . Daarnaast heeft [partij B] in het eerdere kort geding de voorzieningenrechter onjuist geïnformeerd door te stellen dat partijen geen affectieve relatie met elkaar hebben gehad. Hiermee heeft [partij B] de obligatoire afwikkeling van vergoedingsrechten omzeild en een snelle ontruiming geforceerd. Voor de verdeling van de gemeenschap is een bodemprocedure aangewezen. Tot slot is [partij A] in staat om, samen met zijn huidige partner, de woning zelf over te nemen. Door onder deze omstandigheden het Vonnis te executeren, maakt [partij B] misbruik van haar executiebevoegdheid. Omdat [partij B] de voorzieningenrechter in het eerdere kort geding onjuist heeft geïnformeerd is het Vonnis door bewuste misleiding tot stand gekomen. Ook daarom levert tenuitvoerlegging misbruik van executiebevoegdheid op. De tenuitvoerlegging van het Vonnis moet daarom worden geschorst.
[partij B] voert verweer. [partij B] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij A] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de werkelijke kosten van deze procedure, te vermeerderen met rente.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
[partij B] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
I. [partij A] te veroordelen binnen één week na betekening van dit vonnis zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het ondertekenen van de afkoopbrief en het addendum zoals overgelegd als productie 7;
II. te bepalen dat indien [partij A] de onder I. bedoelde niet tijdig verleent, dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste medewerking, toestemming, wilsverklaring en/of handtekening van [partij A] ;
III. [partij A] te veroordelen in de werkelijke proceskosten, te vermeerderen met rente.
[partij B] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag.
Het ondertekenen van de afkoop van de kapitaalverzekering is onderdeel van de levering van de woning. Nu [partij A] zonder goede reden weigert het afkoopverzoek en het addendum te ondertekenen, heeft [partij B] recht op en belang bij toewijzing van haar vordering. Een veroordeling in de werkelijke proceskosten is aangewezen, omdat de afkoop van de kapitaalverzekering voortvloeit uit de toedeling van de woning aan [partij B] .
[partij A] voert verweer. [partij A] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij B] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij B] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie
Tegen het Vonnis is geen hoger beroep ingesteld en daarmee is het in kracht van gewijsde gegaan. Dit betekent dat [partij A] moet meewerken aan de toedeling van de woning aan [partij B] en dat hij de woning moet verlaten. Schorsing van een uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan kan alleen worden uitgesproken indien (verdere) tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid zou opleveren. Misbruik van executiebevoegdheid kan het geval zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
[partij A] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het Vonnis een klaarblijkelijke misslag bevat in de zin van voormeld criterium. [partij A] hecht er veel belang aan dat partijen een affectieve relatie zouden hebben gehad, iets dat [partij B] gemotiveerd betwist. Nog daargelaten de betwisting van [partij B] , valt niet in te zien dat de beslissing in het Vonnis anders was geweest indien de voorzieningenrechter had aangenomen dat sprake was geweest van een affectieve relatie. Voor de eventuele aanspraak op vergoedingsrechten verband houdende met de (kosten van de) woning is de vraag naar de aard van de relatie tussen partijen, die hoe dan ook deelgenoten zijn, in ieder geval niet van belang. Verder heeft [partij A] niet aannemelijk gemaakt dat de door hem gestelde vergoedingsrechten ertoe hadden moeten leiden tot afwijzing van de vorderingen van [partij B] . [partij B] heeft erkend dat [partij A] gedurende langere tijd de (netto) hypotheeklasten heeft voldaan, maar zij heeft daartegenover gesteld dat zij onder meer de kosten voor de huishouding en de opstalverzekering betaalde en dat zij een bedrag van € 24.580 aan [partij A] heeft voldaan. Hiertegenover heeft [partij A] zijn vorderingsrecht niet concreet gemaakt en hij heeft ter zake ook geen procedure aanhangig gemaakt. Er is daarom geen aanleiding om het Vonnis te schorsen in verband met mogelijke vergoedingsrechten van [partij A] .
[partij A] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een noodtoestand als bedoeld in 4.1. Zo’n noodtoestand kan alleen worden aangenomen op grond van ná het Vonnis voorgevallen feiten. Dat [partij A] de woning moet verlaten is inherent aan het Vonnis en levert geen noodtoestand op. Verder staat vast dat [partij A] een kwetsbare gezondheid heeft. In het Vonnis is daarmee rekening gehouden. [partij A] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn gezondheidstoestand na het Vonnis zodanig is verslechterd dat tenuitvoerlegging van het Vonnis in daarom tijdelijk achterwege zou moeten blijven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij verklaard dat na het in juli 2026 doorgemaakte herseninfarct zijn zicht minder is geworden en dat hij daarvoor injecties krijgt. Uit niets blijkt dat deze klachten levensbedreigend zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maken deze klachten niet dat de tenuitvoerlegging van het Vonnis tijdelijk moet worden geschorst.
Ook de overige door [partij A] gestelde feiten en omstandigheden kunnen niet leiden tot het oordeel dat [partij B] misbruik van bevoegdheid maakt. Dat [partij B] opzettelijk onjuist zou hebben verklaard over de affectieve relatie van partijen is in dit verband in ieder geval niet van belang. Daar komt bij dat [partij A] de affectieve relatie van partijen in het eerdere kort geding zelf naar voren had kunnen brengen. De stelling van [partij A] dat ook hij in staat is om de woning over te nemen komt te laat. Voor herbeoordeling van het geschil is in een executiegeschil immers geen plaats.
Voor zover [partij A] nog heeft gesteld dat het Vonnis niet uitvoerbaar is, omdat hij op grond van het Vonnis niet gehouden zou zijn om mee te werken aan de ondertekening van een akte van verdeling, gaat de voorzieningenrechter daaraan voorbij. Op grond van het Vonnis is [partij A] gehouden om medewerking te verlenen aan de toedeling van de woning aan [partij B] , en dus niet enkel aan de levering van zijn aandeel in de woning. De voorzieningenrechter ziet geen reden om te twijfelen aan de stelling van [partij B] dat de notaris na afkoop van de kapitaalverzekering tot toedeling van de woning zal overgaan. Mocht dit toch anders zijn, dan is een nieuw kort geding aangewezen. Dit vormt in ieder geval geen reden voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het Vonnis.
De slotsom is dat de vorderingen van [partij A] worden afgewezen. [partij A] is daarmee in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. [partij B] maakt aanspraak op de werkelijke proceskosten.
Voor toewijzing van de werkelijke proceskosten is slechts plaats indien sprake is van onrechtmatig handelen of misbruik van procesrecht in de zin van Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dit geval onvoldoende aannemelijk dat het aanhangig maken van dit kort geding geheel achterwege had behoren te blijven. Weliswaar heeft [partij A] in dit executiegeschil ten onrechte aangestuurd op een nieuwe inhoudelijke beoordeling, maar hem kan niet worden tegengeworpen dat hij de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van het Vonnis aan de orde stelt.
De voorzieningenrechter acht een proceskostenveroordeling volgens het liquidatietarief op zijn plaats. De proceskosten van [partij B] worden begroot op:
- griffierecht
€
314,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.639,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
In het Vonnis is [partij A] veroordeeld om (onder de daar gestelde voorwaarden) medewerking te verlenen aan de toedeling van de woning aan [partij B] . Toedeling van de woning met ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid brengt mee dat de aan de hypotheeklening verbonden kapitaalverzekering wordt afgekocht.
Anders dan [partij A] heeft betoogd, is voor de afkoop van de kapitaalverzekering geen bodemprocedure vereist. Mede gelet op wat in conventie is overwogen met betrekking tot de door [partij A] gestelde vergoedingsrechten, valt niet in zien welk rechtens te respecteren belang [partij A] heeft bij het tegenhouden van die afkoop. Dat afkoop van de kapitaalverzekering zou leiden tot een buitengewoon onredelijke uitkomst, is in ieder geval niet aannemelijk geworden.
Nu [partij A] overigens geen verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen van [partij B] , worden deze op de hierna te vermelden wijze toegewezen.
[partij A] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Aangezien in het eerdere kort geding de kapitaalverzekering geen onderwerp van debat is geweest, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten. De proceskosten van [partij B] worden begroot op:
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.325,00
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
wijst de vorderingen van [partij A] af;
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 1.680, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in reconventie
veroordeelt [partij A] om binnen één week na betekening van dit vonnis zijn
onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de afkoop van de kapitaalverzekering door het ondertekenen van de afkoopbrief en het addendum zoals overgelegd als productie 7 door [partij B] ;
bepaalt dat indien [partij A] die medewerking niet tijdig verleent, dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste medewerking, toestemming, wilsverklaring en/of handtekening van [partij A] ;
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 1.325,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in conventie en in reconventie
veroordeelt [partij A] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 tot en met 5.7 vermelde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.
WJ