RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit Heerenveen, eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4949
(gemachtigde: mr. M.A. Jansen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder
(gemachtigde: mr. S.S. Wiltjer-Rienstra).
1. Deze uitspraak gaat over de herziening van eisers uitkering op grond van de Wet WIA over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 augustus 2024. Tevens gaat deze uitspraak over de terugvordering van een bedrag ter hoogte van € 51.384,66 bruto over dezelfde periode vanwege teveel ontvangen uitkering.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de herziening en de (herberekende) terugvordering terecht zijn.
Procesverloop
3. Bij besluit van 6 september 2024 heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Wet WIA ingetrokken met ingang van 1 januari 2019 vanwege schending van de inlichtingenplicht. Het recht op een uitkering is volgens verweerder niet (langer) vast te stellen.
4. Bij besluit van 11 september 2024 heeft verweerder het teveel aan verstrekte uitkering over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 augustus 2024 teruggevorderd tot een bedrag van € 134.663,13 bruto.
5. Eiser is in bezwaar gegaan tegen dit besluit. Met het besluit op bezwaar van 19 november 2024 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 november 2024. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. De echtgenote van eiser was ook op de zitting aanwezig.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak geschorst voor de duur van vier weken om eiser en verweerder de gelegenheid te geven met elkaar in gesprek te gaan en verweerder de gelegenheid te geven nader onderzoek te doen. Gelet op de door eiser in beroep ingediende stukken zijn er bij verweerder aanvullende vragen ontstaan over eisers situatie. Hij heeft daarom op de zitting aangegeven met eiser in gesprek te willen gaan. Verweerder wil nader onderzoek doen naar de vraag of er sprake is van schending van de inlichtingenplicht en eventueel naar de omvang van het recht op de WIA-uitkering. Eiser heeft op de zitting aangegeven bereid te zijn in gesprek te gaan.
Op 16 oktober 2025 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank bericht dat het overleg niet is gelukt. Gemachtigde verzoekt namens eiser om uitspraak te doen op basis van de stukken.
De rechtbank heeft op 8 december 2025 een inlichtingencomparitie gehouden. In de uitnodiging is aangegeven dat de rechtbank partijen zal vragen waarop de gesprekken die hebben plaatsgevonden na de schorsing van het onderzoek zijn stukgelopen. Uiterlijk op de comparitiezitting wenst zij een reactie van verweerder op de door eiser in beroep ingebrachte stukken te vernemen en wenst zij geïnformeerd te worden over wat het nader onderzoek heeft uitgewezen en wat dit doet met verweerders standpunt. Verder zal de rechtbank eiser vragen in hoeverre hij op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht.
Aan de comparitiezitting hebben deelgenomen: eiser (bijstaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. De echtgenote van eiser was ook op de zitting aanwezig. Aan het einde van de comparitiezitting heeft de rechtbank met partijen afgesproken dat verweerder een nieuw besluit neemt in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, dat in de plaats komt van het bestreden besluit
Op 5 februari 2026 heeft verweerder een gewijzigd besluit op bezwaar genomen en het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. De rechtbank neemt dit nieuwe besluit op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mee in haar beoordeling.
Op 3 april 2026 heeft eiser gronden ingediend tegen het gewijzigde besluit.
Nadat partijen zijn gewezen op hun recht op een nadere zitting te worden gehoord en zij niet hebben verklaard gebruik te willen maken van dat recht, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Zij doet uitspraak met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
6. Eiser ontvangt met ingang van 23 november 2010 een uitkering op grond van de WIA naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.
7. Op 4 december 2023 heeft verweerder via de FIOD een melding ontvangen van twee (niet anonieme) melders. Volgens die melders handelt eiser al zes jaar op grote schaal in fietsen. Naast fietsen - waarbij het volgens de melders zou gaan om in totaal zo’n 1.000 fietsen in zes jaar - zou eiser ook nog aanhangwagens, fietsonderdelen, kleding, banden, sportschoenen, spelcomputers en spelletjes verkopen.
8. Naar aanleiding van deze melding heeft verweerder een onderzoek ingesteld. Hij heeft internetonderzoek verricht en onder meer Marktplaats benaderd met het verzoek om informatie over de handel op Marktplaats.
9. Vervolgens heeft verweerder eiser uitgenodigd voor gesprekken. Als eiser echter verscheen op een gesprek (wat niet altijd het geval was), was een inhoudelijk gesprek met hem niet mogelijk. Verweerder heeft ook contact gezocht met de politie omdat hij wist dat die een garagebox van eiser aan de Europalaan heeft bezocht. Verweerder heeft daarnaast waarnemingen verricht bij de garagebox. De resultaten van de bevindingen zijn neergelegd in het onderzoeksrapport Handhaving Inspectie van 24 juli 2024.
10. Bij het besluit van 6 september 2024 heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Wet WIA ingetrokken met ingang van 1 januari 2019 vanwege schending van de inlichtingenplicht. Verweerder vermoedt dat eiser structureel handelt via Marktplaats. Eiser heeft daarover geen verklaring willen afleggen tijdens de gesprekken met de onderzoeker op 16 juli 2024 en 23 juli 2024. Daarom is het recht op uitkering niet (langer) vast te stellen. Bij het besluit van 11 september 2024 heeft verweerder de teveel verstrekte uitkering over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 augustus 2024 teruggevorderd tot een bedrag van € 134.663,13 bruto.
11. Met het besluit van 19 november 2024 heeft verweerder eisers bezwaar tegen de besluiten van 6 en 11 september 2024 ongegrond verklaard en zich onveranderd op het standpunt gesteld dat het recht op een WIA-uitkering vanaf 1 januari 2019 niet meer is vast te stellen. Ook heeft hij de terugvordering gehandhaafd. Er zijn volgens verweerder sterke aanwijzingen dat eiser zich op grote schaal bezighoudt met de verkoop van fietsen, fietsonderdelen en overige goederen. Door eisers gedrag tijdens de gesprekken heeft er geen inhoudelijk gesprek plaatsgevonden over de bevindingen van het onderzoek. Hierdoor kunnen de daadwerkelijke inkomsten niet inzichtelijk gemaakt worden. Uit advertenties blijkt dat eiser al meer dan tien jaar actief is op Marktplaats. In ieder geval is er vanaf 2019 voor een bedrag van € 135.836,00 aan vraagprijzen geplaatst bij Marktplaats. Dat eisers echtgenote zich bezig houdt met de verkoop van fietsen - hetgeen ook zou blijken uit haar inschrijving bij de Kamer van Koophandel per 3 juli 2024 - acht verweerder niet aannemelijk. Hij vindt het om meerdere redenen juist aannemelijk dat de geplaatste advertenties aan eiser zijn te koppelen. Zo wordt eiser door de melders genoemd als de handelaar van fietsen en aanhangwagens. Er zijn meerdere foto’s door de melders ingebracht van te koop aangeboden aanhangwagens en fietsen op Marktplaats, die eerder bij de portiekflat - vlakbij eisers woning - geparkeerd stonden.
Daarnaast is eiser tijdens de waarneming gezien bij de aanhangwagens die klaar stonden voor de verkoop. Hij is ook gezien bij de garagebox, als hij bezig is foto’s te maken van aanhangwagens die vervolgens op internet te koop gezet worden. Eiser maakt voor het vervoer van deze aanhangwagens gebruik van zijn kenteken. Verder heeft hij zelf tegenover de politie verklaard dat hij fietsen opknapt en die vervolgens weer verkoopt waardoor hij waarde toevoegt aan die fietsen. Ook zijn de op Marktplaats gebruikte ‘Gebruikers ID/accountnamen’ aan eiser te koppelen middels zijn e-mailadres en telefoonnummer. Eiser wordt verantwoordelijk gehouden voor de (omvangrijke) handel op Marktplaats. Dat de activiteiten ten aanzien van de fietsen hobbymatig dan wel een soort van dagbesteding zijn, volgt verweerder niet. Tot slot heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen dringende redenen zijn om van verlaging van de terugvordering af te zien dan wel geheel van terugvordering af te zien.
Standpunten van partijen
12. Eiser stelt in beroep dat er onvoldoende feitelijke grondslag voor de intrekking en terugvordering is en dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Het onderzoeksrapport is niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen. Eiser heeft de stelling ingenomen dat niet hij, maar zijn echtgenote verantwoordelijk is voor de handel. Dit blijkt mede uit haar inschrijving bij de Kamer van Koophandel per 3 juli 2024. Eiser klust slechts hobbymatig aan fietsen om tot rust te komen, maar deze fietsen worden niet verkocht. Daarnaast zijn de Marktplaatsadvertenties gekoppeld aan het account en bankrekening van zijn echtgenote. Om dat aan te tonen heeft eiser in de beroepsprocedure meerdere stukken ingebracht.
Eiser betwist dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht gedurende de gehele te beoordelen periode. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verweerder zelf in het onderzoeksrapport van 24 juli 2024 heeft aangegeven dat het internetonderzoek niet heeft uitgewezen dat eiser is te linken aan de handel in fietsen en andere zaken. Bovendien hebben eiser en zijn echtgenote altijd consequent verklaard dat de echtgenote in fietsen handelt; het enige wat dan overblijft is de melding van de anonieme buurman. Er is onvoldoende zorgvuldig onderzoek verricht. Het enige wat vaststaat is dat eiser hobbymatig oude fietsen opknapt ter afleiding van zijn oorlogstrauma. Ook staat niet ter discussie dat zijn echtgenote inmiddels staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en dat zij via internet fietsen en andere spullen verhandelt. In het onderzoeksrapport van Handhaving van 26 november 2025 staat alleen vermeld dat de rapporteur eiser heeft gezien bij een waarneming en dat de anonieme melders met foto’s zouden hebben aangetoond dat hij zich bezighoudt met fietsenhandel. Dat eiser fietsen verkoopt is niet waargenomen door de rapporteur zelf. De Marktplaatsadvertenties die verweerder bij het gewijzigde besluit heeft gevoegd zijn gekoppeld aan het account en de bankrekening van de echtgenote van eiser. Volgens de rapporteur is er in de periode 2019 tot en met 2024 in totaal een bedrag van € 716,81 ontvangen door eiser via Marktplaats. Dat is gemiddeld op jaarbasis ongeveer € 130,-. Dit bedrag is te laag om te kunnen zeggen dat eiser zich heeft beziggehouden met handel op Marktplaats.
13. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat niet kan worden vastgesteld in hoeverre eiser over de in geding zijnde periode recht heeft op een uitkering. Ook in bezwaar en beroep heeft eiser onvoldoende duidelijkheid gegeven over de gang van zaken. Dat alleen zijn echtgenote verantwoordelijk is voor de verkoop is weliswaar met enkele stukken onderbouwd, maar daarmee is naar de mening van verweerder allerminst aangetoond dat eiser hierin geen enkele rol speelt. Hij erkent immers zelf dat hij de fietsen opknapt. Daarmee voegt hij waarde toe aan de goederen. Zijn werkzaamheden moeten daarom worden beschouwd als op geld waardeerbare activiteiten in het economisch verkeer. Uit de bankafschriften kan ook worden opgemaakt dat eiser betrokken is bij de verkoop van goederen. Zo worden er onder andere bedragen naar hem overgemaakt die zien op een verkoop via Marktplaats. Mogelijk zou kunnen worden gezegd dat er sprake is van een gezamenlijke onderneming, maar zonder volledige openheid van zaken kan dit niet worden vastgesteld, vindt verweerder.
In het gewijzigde besluit op bezwaar heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, omdat hij tot een verlaging van het bedrag van de terugvordering komt. Verweerder heeft op basis van de gegevens die eiser tijdens de beroepsprocedure heeft ingebracht en de gegevens die verweerder tijdens het onderzoek al heeft verkregen schattenderwijs eisers inkomsten bepaald. De bevindingen van het nader onderzoek zijn neergelegd in het onderzoeksrapport van Handhaving van 26 november 2025. Daarin komt verweerder tot de conclusie dat de inkomsten voor 80% aan eiser zijn toe te schrijven en voor 20% aan zijn partner. Het bedrag dat eiser teveel heeft ontvangen, bedraagt dan € 51.384,66. Dit bedrag wordt teruggevorderd. Er zijn geen dringende redenen om af te zien van herziening en terugvordering. Daarbij is van belang dat er sprake is van een schending van de inlichtingenplicht. Verweerder heeft hierin zelf geen rol gespeeld. Bovendien heeft eiser tot op heden geen volledige openheid van zaken gegeven, waardoor slechts schattenderwijs een inkomen kan worden vastgesteld. Dit alles betekent dat verweerder vindt dat het recht nu alsnog kan worden vastgesteld op basis van de geschatte inkomsten van eiser en er niet langer sprake is van een situatie waarin het recht helemaal niet kan worden vastgesteld.
14. Eiser handhaaft de reeds aangevoerde gronden tegen het gewijzigde besluit. Eiser meent dat de inkomsten uit de Marktplaatshandel niet aan hem zijn toe te rekenen. Verweerder heeft nog altijd geen bewijs geleverd dat cliënt verantwoordelijk was voor de fietsenhandel. In de aanvullende rapportage is voorts vermeld dat de rapporteur heeft gezien dat er totaal (in de periode 2019 tot en met 2024) een bedrag van € 716,81 is ontvangen door cliënt via Marktplaats. Dat is gemiddeld ongeveer € 130,- op jaarbasis. Ook daaruit kan niet worden afgeleid dat eiser zich bezig heeft gehouden met Marktplaatshandel. Daarnaast meent eiser dat de berekening van de inkomsten onjuist is. Door wel de verkoopprijzen bij elkaar op te tellen, maar geen rekening te houden met de bekende kosten die zijn gemaakt, heeft verweerder de gestelde inkomsten te hoog vastgesteld. Daarnaast is de verdeling tussen eiser en zijn echtgenote onvoldoende onderbouwd. De verdeling zou moeten worden gebaseerd op de geconstateerde betalingen op de bankrekening van eiser. De verdeling zou 1% voor eiser en 99 % voor zijn echtgenote moeten zijn.
Wat moet de rechtbank beoordelen?
15. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden, of verweerder het bestreden besluit (het gewijzigde besluit op bezwaar) over de herziening en terugvordering van de WIA-uitkering van eiser terecht in stand heeft gelaten. De te beoordelen periode loopt van 1 juli 2019 tot en met 30 augustus 2024. Tevens dient de rechtbank nog een oordeel te geven over het besluit van 19 november 2024.
16. Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, verstrekt een verzekerde, die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie aan het UWV, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte of de betaling daarvan.
17. In artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA is bepaald dat het UWV een beschikking op grond van deze wet herziet of intrekt, indien als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op uitkering niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld.
18. Op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA wordt een op grond van deze wet onverschuldigd betaalde uitkering door het UWV teruggevorderd.
19. Artikel 77, zesde lid, van de Wet WIA geeft het UWV de bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien als daarvoor dringende redenen zijn.
Het oordeel van de rechtbank
20. Een besluit tot herziening en terugvordering van de WIA-uitkering is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op verweerder. Dit betekent dat verweerder de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. In dit geval brengt dit mee dat verweerder feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat eiser in de te beoordelen periode werkzaamheden heeft verricht waarmee hij geld heeft verdiend, dan wel die moeten worden aangemerkt als activiteiten die in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn, zonder daarvan bij verweerder melding te doen. Indien op grond van de feiten aannemelijk is dat eiser in de te beoordelen periode dergelijke werkzaamheden heeft verricht, dan ligt het op zijn weg om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. Indien aannemelijk is dat eiser werkzaamheden heeft verricht die moeten worden aangemerkt als activiteiten die in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn, ligt daarin besloten dat mag worden verondersteld dat hij daarvoor ook daadwerkelijk geld of een op geld waardeerbare tegenprestatie heeft ontvangen. Ook hiervoor geldt dat het op zijn weg ligt om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
Heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat eiser op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en daarvoor geld of een op geld waardeerbare tegenprestatie heeft ontvangen?
21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onder verwijzing naar de resultaten van het onderzoek neergelegd in de onderzoeksrapporten van 24 juli 2024 en 26 november 2025 voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is (geweest) van structurele handel waarmee eiser inkomsten kon genereren. Gelet op het grote aantal advertenties op Marktplaats, is geen sprake geweest van incidentele verkoop van privégoederen die in beginsel niet gemeld hoeft te worden. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.
22. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft voldaan aan zijn bewijslast om met feiten aannemelijk te maken dat aan de wettelijke voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan. Uit zijn onderzoeksbevindingen komt namelijk een zodanig beeld naar voren van de aard, de omvang, de duur en het terugkerende karakter van de werkzaamheden van eiser op Marktplaats dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er een vermoeden bestond dat eiser handelsactiviteiten heeft verricht. De verkoopactiviteiten op basis van het grote aantal Marktplaatsadvertenties hebben, anders dan eiser beweert, duidelijk een structureel en geen hobbymatig karakter. Dat er alleen sprake zou zijn van een therapeutische bezigheid als verwerking van een trauma is door eiser ook niet met concrete, al dan niet medische gegevens onderbouwd.
23. Naar vaste rechtspraak mag, gelet op de omvang van het aantal advertenties, voorondersteld worden dat eiser uit die handelsactiviteiten ook daadwerkelijk inkomsten heeft gegenereerd. Gelet op de vele handelsactiviteiten en de hoogte van de totale inkomsten heeft verweerder terecht vastgesteld dat sprake is van op geld waardeerbare werkzaamheden.
24. Het is dan aan eiser om de onjuistheid van het standpunt van verweerder, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. Daarin is hij niet geslaagd. Eiser heeft zijn stelling dat hij gedurende de gehele te beoordelen periode geen op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht niet met voldoende concrete, objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Dat de Marktplaatsadvertenties gekoppeld zouden zijn aan de accounts en de bankrekening van zijn vrouw doet daar verder niet aan af. Het is namelijk gelet op de onderzoeksbevindingen van verweerder aannemelijk dat eiser door het klussen aan de fietsen, het verplaatsen van fietsen en goederen en het maken van foto’s met het plaatsen van die advertenties zélf op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht.
Heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden?
25. Het had eiser redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij zijn werkzaamheden en de daaruit verkregen inkomsten bij verweerder moest melden. Dat heeft hij niet gedaan. Dat betekent dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.
26. Gelet op het voorgaande en gelet op de verplichting van verweerder op grond van artikel 76, eerste lid, van de Wet WIA om in geval van schending van de inlichtingenverplichting de WIA-uitkering te herzien, bieden de onderzoeksbevindingen voldoende grondslag voor herziening van de WIA-uitkering over de periode in geding.
Schattenderwijs vaststellen.
27. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is verweerder in een geval waarin de betrokkene geen concrete, verifieerbare gegevens over zijn werkzaamheden en inkomen heeft verschaft, bevoegd om dat inkomen schattenderwijs vast te stellen. Van die bevoegdheid heeft verweerder gebruik gemaakt. Hieronder zal de rechtbank beoordelen of hij dat op een juiste manier heeft gedaan.
28. Om aan te tonen dat niet hij, maar zijn echtgenote handelt in fietsen heeft eiser in de beroepsprocedure meerdere stukken ingebracht, waaronder een uittreksel van de Kamer van Koophandel. Hieruit blijkt de inschrijving van Mina Fietsenhandel op 28 juni 2024. De eigenaar van Mina Fietsenhandel is de echtgenote van eiser. Het emailadres van Mina Fietsenhandel [email] . Verder zijn afschriften van de betaalrekening van eisers echtgenote ingebracht over de periode van 1 januari 2023 tot en met 20 juni 2024. Verweerder heeft ook bankafschriften van eiser gekregen over de periode van 2019 tot en met 2024. Omdat verweerder niet zeker was van de inzending van alle bankafschriften, heeft hij ook zelf afschriften opgevraagd bij de bank van eiser over de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 december 2024. Eiser heeft vervolgens schermafdrukken van Ideal-betalingen van verkopen van fietsen via Marktplaats ingebracht van het account van zijn echtgenote over de periode van januari 2023 tot en met september 2024. Tot slot heeft hij meerdere facturen over de periode van 2019 tot en met 2024 - op naam van zijn echtgenote - ingebracht van de aankoop van verschillende fietsonderdelen.
29. Op basis van de overgelegde stukken heeft verweerder schattenderwijs eisers inkomsten bepaald. De rechtbank oordeelt dat die schatting voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder heeft namelijk op basis van de stukken in het dossier voldoende gemotiveerd en inzichtelijk gemaakt dat eiser over de te beoordelen periode op basis van de geplaatste advertenties op Marktplaats uit de verkoop van fietsen, aanhangwagens, fiets- en autoaccessoires (waarbij de dubbele advertenties niet zijn meegenomen bij de vaststelling van de omzet) een mogelijke omzet heeft gehaald van € 96.807,00, waarvan 80% is toe te schrijven aan eiser en 20% aan zijn echtgenote. Verweerder heeft inzichtelijk weergegeven wat de hoogte is geweest van de girale ontvangsten, die de stortingen bij de bank uit mogelijke verkoop handel omvatten en de ontvangen inkomsten van Marktplaats. Ook is door verweerder uitgelegd hoe hoog de girale uitgaven zijn geweest en is opgesomd dat die bestaan uit uitgaven aan materiaal en gepinde bedragen voor aankoop van (mogelijke) handelswaar. Verder heeft verweerder inzichtelijk gemaakt bij welke bedrijven eiser materialen heeft besteld en is te zien dat veel van deze bedrijven goederen of diensten aanbieden op het gebied van auto’s, fietsen en aanhangwagens. Vervolgens heeft hij inzicht verschaft in de hoogte van eisers uitkering over de jaren 2019 tot en met 2024 en de uitkering die hij teveel heeft ontvangen over deze periode. Aan de hand van alle gegevens heeft verweerder de hoogte van de terugvordering nader bepaald op € 51.384,66. Hierbij heeft hij er rekening mee gehouden dat eiser heeft aangetoond dat hij door zijn echtgenote administratief wordt geholpen, bijvoorbeeld bij het bestellen van (fiets)onderdelen. Ook is ingegaan op de door eiser aangevoerde standpunten en stukken en waarom hieruit niet tot een andere conclusie wordt gekomen. Zo heeft verweerder gemotiveerd uitgelegd dat veel van de door eiser overgelegde facturen weliswaar op naam van zijn echtgenote staan, maar dat deze voor het grootste gedeelte betaald worden van eisers rekening en de inschrijving van echtgenote in de Kamer van Koophandel pas aan het eind van de te beoordelen periode heeft plaatsgevonden. De rechtbank volgt verder de stelling van eiser dat verweerder verder rekening had moeten houden met verwervingskosten, niet.
30. Door eiser zijn geen ondubbelzinnige, concrete en verifieerbare inkomensgegevens overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat de schatting onjuist is. Daardoor is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van die schatting. Gelet op het bovenstaande is het redelijk 80% van de inkomsten aan eiser toe te rekenen. De rechtbank merkt daarbij nog op dat verweerder eiser in beroep nogmaals de mogelijkheid heeft geboden om in gesprek te gaan en uitleg te geven, maar dat hij dat opnieuw heeft geweigerd.
31. Omdat achteraf de inkomsten van eiser niet meer kunnen worden vastgesteld, heeft verweerder bij het schatten van deze inkomsten in redelijkheid kunnen uitgaan van hetgeen hiervoor is overwogen. Verweerder is dan ook terecht overgegaan tot herziening en terugvordering van € 51.384,66 van de ten onrechte door eiser in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 augustus 2024 ontvangen WIA-uitkering.
32. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroep heeft gedaan op dringende redenen om van terugvordering af te zien. Van een dringende reden is de rechtbank ook niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
33. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht de WIA-uitkering van eiser heeft herzien en terecht een bedrag van € 51.384,66 heeft teruggevorderd. Het beroep van eiser is ongegrond. Dit betekent dat de herziening en terugvordering in stand blijven en dat eiser het teruggevorderde bedrag moet terugbetalen aan het verweerder.
34. Ten aanzien van het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 19 november 2024 oordeelt de rechtbank dat er geen sprake meer is van procesbelang. Het besluit van 19 november 2024 is vervangen door het besluit van 5 februari 2026. Het beroep tegen het besluit van 19 november 2024 is daarom niet-ontvankelijk.
35. Omdat verweerder het besluit van 19 november 2024 heeft gewijzigd nadat eiser beroep heeft ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat eiser recht heeft op een proceskostenvergoeding. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802 - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 2 oktober 2025 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 8 december 2025 met een waarde per punt van € 934,- met een wegingsfactor 1).
36. Eiser krijgt het door hem betaalde griffierecht ook terug. In het gewijzigde besluit op bezwaar heeft verweerder reeds toegezegd het griffierecht te zullen vergoeden alsmede over te gaan tot vergoeding van de kosten van het bezwaar.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga, voorzitter, en mr. P.G. Wijtsma en mr. A.S. Broere, leden, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.