RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.49882 (beroep) en NL26.49883 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
en
(gemachtigde: mr. E.M. den Hollander).
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Eiser heeft voldoende mogelijkheden gehad om zijn bezwaren tegen overdracht aan Spanje kenbaar te maken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De proceskosten van eiser worden wel vergoed. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en geboren te zijn op [datum] 1995. Eiser heeft op 6 juni 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 20 augustus 2026 de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Gelijktijdig met het instellen van het beroep heeft eiser ook verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, met het doel dat hij niet kan worden uitgezet tot op het beroep is beslist.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stond in de Dublinverordening. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening, maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). In deze zaak dateert de aanvraag van vóór 12 juni 2026 maar is het bestreden besluit op 20 augustus 2026 genomen. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen met toepassing van de AMBV. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit niet op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV, maar nog op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening.
Op grond van de Dublinverordening en de AMBV neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is gebleken dat eiser asiel heeft aangevraagd in Spanje. In dit geval heeft Nederland bij Spanje op 27 juli 2026 een kennisgeving van terugname gedaan. Spanje heeft de kennisgeving op 30 juli 2026 bevestigd.
Heeft verweerder eiser onterecht niet gehoord?
4. Eiser voert aan dat hij onterecht niet is gehoord in zijn procedure. Hij heeft daarmee zijn bezwaren tegen overdracht aan Spanje niet kenbaar kunnen maken.
Verweerder stelt zich op de zitting op het standpunt dat er geen gebrek is. Verweerder is bij het nemen van het bestreden besluit uitgegaan van de AMBV en wijst op paragraaf C2/3.4.2 van de Vc, waaruit volgt dat bij een terugnameprocedure een gehoor niet is voorgeschreven. Eiser heeft de mogelijkheid gehad om zijn bezwaren schriftelijk kenbaar te maken en is hier met de brief van 12 augustus 2026 van op de hoogte gesteld.
De rechtbank overweegt dat verweerder eiser wel moest horen in deze procedure. Zoals toegelicht in overweging 3, beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening. Op grond van artikel 5, eerste lid van de Dublinverordening bestaat er een verplichting om eiser te horen. Omdat eiser niet gehoord is, constateert de rechtbank een zorgvuldigheidsgebrek in de zin van artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank ziet echter aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat niet is gebleken dat eiser door het gebrek is benadeeld. Eiser heeft namelijk in de beroepsprocedure geen bezwaren tegen overdracht aan Spanje kenbaar gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser de mogelijkheid gehad om zijn bezwaren kenbaar te maken?
5. Eiser voert aan dat zijn gemachtigde te laat geïnformeerd is over zijn zaak, nu deze daar pas kennis van nam op de dag van de beschikking. Hierdoor is eiser niet goed voorbereid op zijn procedure en heeft hij onvoldoende mogelijkheid gehad om zijn bezwaren tegen overdracht aan Spanje kenbaar te maken.
De rechtbank overweegt dat de enkele stelling dat eisers gemachtigde op de dag van de beschikking kennis heeft genomen van deze procedure, onvoldoende is om aan te nemen dat eiser niet in de gelegenheid is geweest zich voor te bereiden of zijn bezwaren kenbaar te maken. Uit het dossier kan niet worden afgeleid wanneer de gemachtigde is gekoppeld aan eiser. Het had op de weg van eiser en gemachtigde gelegen om hierover nadere informatie te verstrekken, maar zij zijn niet op de zitting verschenen. Desgevraagd kon verweerder hier op de zitting ook geen aanvullende informatie over geven. Dat gemachtigde pas op de dag van de beschikking kennis kon nemen van deze procedure staat daarmee onvoldoende vast. De rechtbank betrekt ook bij deze beoordeling dat eiser op 12 augustus 2026 een brief heeft gehad waarin staat dat hij schriftelijk in de gelegenheid wordt gesteld om zijn bezwaren tegen overdracht aan Spanje kenbaar te maken. Tot slot was eiser in de beroepsprocedure - onder begeleiding van zijn gemachtigde - in de gelegenheid bezwaren tegen de overdracht kenbaar te maken. Dit heeft hij niet gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder onterecht het risico op indirect refoulement niet betrokken bij de beoordeling?
6. Eiser voert aan dat hij in zijn land van herkomst, Algerije, gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Wanneer eiser terug moet keren naar Spanje, loopt hij risico op indirect refoulement.
De rechtbank overweegt dat zij in deze procedure niet toekomt aan de toets of er een reëel risico is op indirect refoulement bij overdracht aan Spanje. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft immers in de uitspraak van 12 juni 2024, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023, geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, zolang een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten in de zin van het arrest Jawo. Ook onder de nieuwe AMBV is die rechtspraak onverkort van toepassing. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wel een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 934,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift).
8. Omdat op het beroep is beslist, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Verzoeker krijgt vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wel een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van € 934,- aan eiser.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van € 934,- aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramondt, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.E.C. de Groot, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.