ECLI:NL:RBDHA:2026:30257

ECLI:NL:RBDHA:2026:30257

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-10-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer NL25.19643
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Eiseres komt uit Jemen en is met haar gezin naar Turkije gevlucht. Zij verblijft daar momenteel nog met haar twee jongste zoons. Haar man en de twee oudste zoons zijn via Griekenland naar Nederland gevlucht en hebben hier asiel gekregen. De man van eiseres heeft daarna namens eiseres en hun twee jongste zoons een aanvraag voor nareis ingediend, zodat het gezin in Nederland weer herenigd kon worden. De man van eiseres is voordat verweerder op deze aanvraag had beslist, plotseling overleden. Verweerder heeft de nareisprocedure vanwege het overlijden van de man van eiseres beëindigd. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij vindt dat M., één van haar oudste zoons die naar Nederland is gevlucht samen met zijn vader, de nareisprocedure kan voortzetten. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hereniging van het gezin niet door middel van deze nareisprocedure kan worden bereikt. M. kan de nareisprocedure namelijk niet van zijn vader overnemen. Daarom wil verweerder geen machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) verlenen aan eiseres en haar twee jongste zoons. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van verweerder, gezien de vergaande gevolgen daarvan voor de hereniging van het kerngezin en de zeer bijzondere omstandigheden van deze zaak, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Omdat de procedure al lang loopt en de situatie schrijnend is voor alle gezinsleden vanwege het overlijden van de vader, draagt de rechtbank verweerder op om een mvv te verlenen aan eiseres en de twee jongste zoons van het gezin.

Uitspraak

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. T.J.J.M. Wijngaard)

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K.E. Heins).

Samenvatting

1. Eiseres komt uit Jemen en is met haar gezin naar Turkije gevlucht. Zij verblijft daar momenteel nog met haar twee jongste zoons. Haar man en de twee oudste zoons zijn via Griekenland naar Nederland gevlucht en hebben hier asiel gekregen. De man van eiseres heeft daarna namens eiseres en hun twee jongste zoons een aanvraag voor nareis ingediend, zodat het gezin in Nederland weer herenigd kon worden. De man van eiseres is voordat verweerder op deze aanvraag had beslist, plotseling overleden.

Verweerder heeft de nareisprocedure vanwege het overlijden van de man van eiseres beëindigd.

Eiseres is het hier niet mee eens. Zij vindt dat [zoon 1] , één van haar oudste zoons die naar Nederland is gevlucht samen met zijn vader, de nareisprocedure kan voortzetten.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hereniging van het gezin niet door middel van deze nareisprocedure kan worden bereikt. [zoon 1] kan de nareisprocedure namelijk niet van zijn vader overnemen. Daarom wil verweerder geen machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) verlenen aan eiseres en haar twee jongste zoons.

De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van verweerder, gezien de vergaande gevolgen daarvan voor de hereniging van het kerngezin en de zeer bijzondere omstandigheden van deze zaak, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Omdat de procedure al lang loopt en de situatie schrijnend is voor alle gezinsleden vanwege het overlijden van de vader, draagt de rechtbank verweerder op om een mvv te verlenen aan eiseres en de twee jongste zoons van het gezin.

Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Achtergrond

2. Eiseres heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [datum] 1963. Haar gezinsleden hebben allen ook de Jemenitische nationaliteit. Eiseres heeft met haar echtgenoot (de heer [echtgenoot] ) vijf zoons. Haar oudste zoon, [oudste zoon] , is in Jemen vermist geraakt. Haar andere zoons heten [zoon 2] , [zoon 1] , [zoon 3] en [zoon 4] . Zij zijn geboren op respectievelijk 2 september 2003, 15 november 2004, 30 december 2005 en 18 oktober 2007. Het gezin woonde in Jemen en is in 2014 naar Turkije gevlucht. Op 28 november 2014 heeft het gezin zich daar geregistreerd. In 2019 is de echtgenoot van eiseres, samen met [zoon 2] en [zoon 1] , uit Turkije naar Griekenland gevlucht. Zij hebben daar een vluchtelingenstatus gekregen en er twee jaar samen gewoond. In Griekenland konden zij eiseres en de twee jongste zoons echter niet laten overkomen. Daarom zijn zij naar Nederland doorgereisd. Op 22 oktober 2021 kwamen zij met z’n drieën in Nederland aan en hebben hier tegelijkertijd een asielaanvraag ingediend. [zoon 2] was toen net 18 jaar en [zoon 1] 16 jaar. De echtgenoot van eiseres, [zoon 2] en [zoon 1] hebben ieder op 1 augustus 2024 een zelfstandige verblijfsvergunning asiel gekregen.

Op 2 september 2024 heeft de echtgenoot van eiseres namens haar een verzoek gedaan om hereniging van het kerngezin, oftewel een aanvraag voor nareis. In het digitale formulier is de echtgenoot van eiseres aangegeven als referent. Op 28 februari 2025 liep de termijn om op die aanvraag te beslissen af. Op 27 maart 2025 heeft de gemachtigde van eiseres verweerder in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing. Op 25 april 2025 heeft de gemachtigde van eiseres beroep ingesteld tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing.

De echtgenoot van eiseres is op 23 juni 2025 plotseling overleden. Op dat moment was er nog geen besluit genomen op de nareisaanvraag. Verweerder heeft op 2 juli 2025 een brief gestuurd met het bericht dat de procedure vanwege het overlijden wordt afgesloten. Op 10 juli 2025 heeft de gemachtigde van eiseres verweerder verzocht om de procedure te heropenen en zoon [zoon 1] aan te merken als referent. Op 15 juli 2025 heeft verweerder geantwoord dat hij de procedure niet heropent.

De gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank op 18 juli 2025 verzocht om het beroep niet-tijdig ‘om te klappen’ naar een beroep tegen de brief van 2 juli 2025, die door de gemachtigde wordt aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste en tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor de gronden verwijst hij naar zijn brief van 10 juli 2025. Op diezelfde dag heeft [zoon 1] aan de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, met als doel dat zijn moeder (eiseres) en zijn twee jongste broertjes mogen overkomen naar Nederland, in afwachting van het besluit op de nareisaanvraag.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 februari 2026 afgewezen, omdat het belang van verweerder om eerst vast te stellen of aan de vereisten van de nareisaanvraag is voldaan, zwaarder weegt dan het belang van [zoon 1] om in afwachting daarvan het voorlopig verblijf van zijn moeder en broertjes toe te staan.

Op 26 maart 2026 heeft [zoon 1] , naar aanleiding van wat op de zitting bij de voorzieningenrechter is besproken, opnieuw ten behoeve van eiseres en zijn jongste broers een aanvraag voor hereniging van het gezin gedaan. Daarbij is gevraagd de aanvraag als nareisaanvraag te behandelen en, mocht dat volgens verweerder niet kunnen, de aanvraag aan te merken als aanvraag voor verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM. Op 29 juli 2026 heeft verweerder die aanvraag afgewezen. Verweerder heeft de aanvraag behandeld als aanvraag voor verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM en vindt dat [zoon 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven met zijn moeder en broertjes. [zoon 1] is immers inmiddels jongvolwassen, hij en [zoon 2] wonen sinds het overlijden van hun vader niet meer samen met een ouder en daardoor wonen zij sinds 2019, ondanks de gedwongen scheiding, niet meer in gezinsverband met hun moeder samen. Bovendien voorzien zij in hun eigen onderhoud. Daarmee voldoen zij niet aan de voorwaarden voor het jongvolwassenenbeleid. Ook vindt verweerder dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen [zoon 1] , [zoon 2] en hun moeder en jongere broers.

Op 26 augustus 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het omgeklapte beroep van 18 juli 2025 op 16 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Verder waren [zoon 2] en [zoon 1] aanwezig. Als tolk is dhr. A. Tribak verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

De standpunten van partijen

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de brieven van 2 en 15 juli 2025 geen besluiten zijn. Zelfs als ze wel als besluiten kunnen worden aangemerkt, kan [zoon 1] niet als belanghebbende worden aangemerkt. Hij kan de procedure namelijk niet overnemen van zijn vader. Ook stelt verweerder dat er geen procesbelang is bij de nareisprocedure, nu de echtgenoot van eiseres, die als referent optrad, is overleden. Omdat [zoon 1] alleen overkomst kan vragen van zijn moeder en broertjes op grond van artikel 8 van het EVRM, wat een ander verblijfsdoel is, kan eiseres met de procedure niet meer bereiken wat zij beoogt. Verweerder verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 april 2025.

4. Eiseres voert aan dat verweerder de nareisprocedure ten onrechte heeft afgesloten. Referent is weliswaar overleden, maar hij diende de nareisaanvraag niet enkel in namens zichzelf, maar ook namens zijn twee oudste zoons. Zij wensen immers ook herenigd te worden met hun moeder en broertjes. De brieven van 2 en 15 juli 2025 zijn volgens eiseres wel aan te merken als besluiten. [zoon 1] is daarbij aan te merken als belanghebbende.

Is er sprake van een besluit?

5. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 2 juli 2025, waarmee verweerder de nareisprocedure heeft afgesloten, aan te merken is als een besluit. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Uit artikel 1:3, eerste lid, van de Awb volgt dat een besluit een schriftelijke beslissing is van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. In artikel 6:2, onder a, van de Awb is neergelegd dat een schriftelijke weigering een besluit te nemen gelijkgesteld wordt met een besluit.

Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 2 juli 2025 gelijk te stellen met een besluit, omdat de brief aan te duiden is als een schriftelijke weigering een besluit te nemen op de nareisaanvraag en daarmee ook een weigering om de aanvraag in te willigen. Die weigering heeft rechtsgevolgen voor eiseres en haar twee jongste zoons, omdat zij nu niet meer op grond van deze nareisaanvraag naar Nederland kunnen komen om het gezin te herenigen.

Dat betekent dat met de brief van 2 juli 2025 alsnog een besluit is genomen op de aanvraag van 2 september 2024. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep niet tijdig van eiseres van 25 april 2025 mede betrekking op dit besluit.

Zijn [zoon 1] en zijn moeder belanghebbende?

6. Naar het oordeel van de rechtbank zijn zowel [zoon 1] als eiseres als belanghebbenden aan te merken. Uit artikel 1:2, eerste lid, van de Awb volgt immers dat een persoon als belanghebbende kan worden aangemerkt, als zijn belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [zoon 1] rechtstreeks belang bij de overkomst van zijn moeder en broertjes en heeft eiseres rechtstreeks belang bij hereniging met haar oudste zonen.

Is er sprake van procesbelang?

7. De rechtbank is van oordeel dat eiseres belang heeft bij de beoordeling van haar beroep. De rechtbank overweegt daartoe dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat eiseres met deze procedure kan bereiken wat met de nareisaanvraag werd beoogd. De rechtbank acht daarvoor van belang dat niet kan worden volgehouden dat de aanvraag met de vader als referent op een ander doel ziet dan het doel dat eiseres heeft bij voortzetting van de procedure met [zoon 1] als referent. De nareisaanvraag gaat immers om het weer bij elkaar brengen van het (kern)gezin. Dat is ook het doel van voortzetting van de procedure met [zoon 1] als referent. Daarin onderscheidt deze zaak zich van de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling, waar het ging om een aanvraag voor verblijf bij een partner, die tijdens de hoger beroepsprocedure was overleden.

De rechtbank acht het, gezien de zeer bijzondere omstandigheden van deze zaak en gezien de jurisprudentie van de Afdeling, het Hof en het EHRM, niet op voorhand uitgesloten dat de weigering van verweerder om op de nareisaanvraag van 2 september 2024 te beslissen en daarmee de weigering om aan eiseres en haar twee jongste zoons in deze procedure een mvv te verlenen, in strijd is met het (Unierechtelijk) evenredigheidsbeginsel. De rechtbank zal het beroep daarom inhoudelijk beoordelen.

Inhoudelijke beoordeling van de weigering in deze procedure een mvv te verlenen Toetsingskader

8. De weigering van verweerder om op de nareisaanvraag te beslissen en de gevraagde mvv’s te verlenen, valt binnen het bereik van het Unierecht. De voorwaarden voor overkomst van familieleden vinden immers hun grondslag in de Gezinsherenigingsrichtlijn (Gri). Voor de rechterlijke beoordeling is daarom de jurisprudentie van het Hof van belang. Ook speelt daarbij de jurisprudentie van het EHRM een rol.

De doelstelling van de Gri is om gezinshereniging te bevorderen en daarbij bijzondere aandacht te geven aan de kwetsbare positie van vluchtelingen en de zeer kwetsbare positie van minderjarige vluchtelingen. Uit meerdere arresten van het Hof volgt dat bij gezinshereniging van vluchtelingen de vraag of iemand minderjarig is, niet afhankelijk mag worden gesteld van de duur van de procedure. Het Hof houdt bij alleenstaande minderjarige vluchtelingen de datum van de asielaanvraag aan en bij andere gezinsherenigingsprocedures de datum van de aanvraag voor gezinshereniging. Verder blijkt uit de jurisprudentie van het Hof dat een gezinsherenigingsprocedure van een gezin met minderjarige kinderen met spoed moet worden opgepakt, omdat een lange scheiding van het gezin de kind-ouder relatie kan schaden. Tot slot volgt uit die jurisprudentie dat de bepalingen uit de Gri moeten worden uitgelegd en toegepast in het licht van het in het Handvest beschermde recht op eerbiediging van het familieleven en de belangen van kinderen. In dit kader is ook het EHRM-arrest Dotani van belang, waarin het EHRM heeft overwogen dat de eenheid van het gezin een essentieel recht van de vluchteling is en dat gezinshereniging een fundamenteel element vormt om personen die aan vervolging zijn ontvlucht, in staat te stellen weer een normaal leven op te bouwen. Daarbij hanteert het EHRM het flexibiliteitsvereiste: het besluitvormingsproces moet zorgen voor voldoende flexibiliteit, snelheid en effectiviteit.

Toepassing toetsingskader op de feiten

De rechtbank gaat ervan uit dat de vader destijds als hoofd van het (kern)gezin de nareisaanvraag ten behoeve van eiseres en de jongste zoons ook namens [zoon 1] (en [zoon 2] ) heeft ingediend. Zij zijn sinds hun vertrek uit Turkije immers altijd in gezinsverband samen geweest en de vader was het hoofd van dat gezin. Dat op het nareisformulier alleen de vader als referent is genoemd, betekent niet dat de aanvraag niet mede namens [zoon 1] en [zoon 2] is gedaan. Het vasthouden aan dat formulier en de weigering [zoon 1] als referent aan te merken na het overlijden van zijn vader is naar het oordeel van de rechtbank in dit bijzondere geval onevenredig.

Uit de bepalingen van de Gri volgt echter dat met [zoon 1] als referent er voor eiseres geen direct recht op hereniging van het gezin bestaat. Weliswaar volgt uit de jurisprudentie van het Hof dat [zoon 1] als minderjarige moet worden aangemerkt in de nareisprocedure, maar [zoon 1] werd ten tijde van zijn asielaanvraag begeleid door zijn vader. Op het moment dat zijn vader overleed was Mohamed inmiddels meerderjarig. Daarmee wordt dus niet voldaan aan artikel 10, derde lid, van de Gri.

De rechtbank is desalniettemin van oordeel dat het vasthouden van verweerder aan zijn standpunt dat daarom in deze procedure met [zoon 1] als referent de gevraagde mvv’s moeten worden geweigerd, onevenredig is. De rechtbank betrekt daarbij het volgende.

Zoals aangegeven dient een gezinsherenigingsprocedure van een gezin met minderjarige kinderen volgens het Hof met spoed te worden opgepakt. Dat is in dit geval van belang, omdat niet alleen de belangen van [zoon 1] en [zoon 2] bij deze procedure betrokken zijn, maar ook de belangen van de twee jongste broertjes. Zij waren ten tijde van de asielaanvraag beiden minderjarig. Op het moment van de nareisaanvraag was [zoon 4] nog steeds minderjarig. Verweerder heeft de procedure echter niet met spoed behandeld. Integendeel, verweerder heeft zich niet gehouden aan de wettelijke beslistermijn en heeft pas een besluit genomen nadat eerst door eiseres een beroep niet tijdig is ingediend en de vader van het gezin twee maanden daarna is overleden.

In dit geval heeft dat voor de kinderen zeer vergaande consequenties. De rechtbank gaat er namelijk vanuit dat als verweerder tijdig op de nareisaanvraag had beslist, die aanvraag zou zijn ingewilligd. Daarvoor is het volgende van belang. Inmiddels staan met het door verweerder genomen besluit van 29 juli 2026, op de nieuwe nareisaanvraag die op 26 maart 2026 door [zoon 1] is gedaan, de volgende feiten vast. Op het moment van de vlucht uit Jemen en later bij het vertrek uit Turkije vormden [zoon 1] , [zoon 2] en hun vader samen met eiseres en de twee jongste broertjes een kerngezin. Zij hebben tot dan toe altijd samen gewoond. Verweerder gaat ervan uit dat het vertrek uit Turkije en daarmee de scheiding met eiseres en de jongste broertjes een gedwongen karakter heeft. Verweerder heeft verder de identiteit van alle familieleden van dit kerngezin vastgesteld. Ook is de familierechtelijke relatie vastgesteld. Van openbare orde aspecten is niet gebleken. Verder staat vast dat de nareisaanvraag van 2 september 2024 binnen drie maanden na het nemen van het asielbesluit is ingediend. Gezien deze feiten en in het licht van de voorwaarden die worden gesteld aan een verzoek tot hereniging van het kerngezin met de vader als referent, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om aan te nemen dat dit verzoek niet zou zijn ingewilligd. Ook de gemachtigde van verweerder heeft ter zitting niet aangegeven op welke grond de nareisaanvraag zou kunnen zijn geweigerd, als de echtgenoot van eiseres nog in leven was.

Dat betekent dat de zeer schrijnende situatie waarin eiseres en haar vier zoons zich nu bevinden, mede te verwijten is aan verweerder, omdat hij niet op tijd heeft besloten op de nareisaanvraag. Wanneer verweerder tijdig had beslist, dan zou het gezin al herenigd zijn op het moment dat de echtgenoot van eiseres overleed. Dan hadden alle kinderen samen met hun moeder het verdriet daarover kunnen delen en gezamenlijk afscheid van hun vader kunnen nemen. Ook had eiseres haar twee oudste zoons in die zeer trieste tijd kunnen steunen.

Door nu desalniettemin vast te houden aan de weigering om de mvv’s in deze procedure te verlenen, geeft verweerder er geen blijk van dat hij de belangen van de minderjarige kinderen in het kader van artikelen 7 en 24 van het Handvest en artikel 3, lid 1, van het IVRK, heeft meegewogen. Zoals het Hof in zijn arrest van 11 maart 2021 heeft overwogen, heeft artikel 3, eerste lid, van het IVRK betrekking op alle beslissingen en handelingen die kinderen direct of indirect raken. Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat de verplichting om het belang van het kind de eerste overweging te laten vormen, zich ook tot de rechterlijke instantie richt.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het in het licht van de doelstelling van de Gri en de belangen van de minderjarige kinderen bij hereniging van het gezin in dit bijzondere geval onevenredig is dat verweerder vasthoudt aan zijn standpunt dat de mvv’s in deze procedure moeten worden geweigerd.

Hoewel uit de jurisprudentie van het Hof en de Afdeling volgt dat verweerder in beginsel naar de reguliere procedure voor verblijf kan verwijzen indien geen rechtstreeks recht (meer) aan de Gri kan worden ontleend, overweegt het Hof echter uitdrukkelijk dat dit uitgangspunt niet in alle gevallen geldt. De rechtbank is van oordeel dat handhaving van dit uitgangspunt in dit bijzondere geval, gezien de langdurige besluitvorming en de daardoor mede aan verweerder te verwijten schrijnende situatie, onevenredig bezwarend is, ook in verband met de daarmee gemoeide vertraging en de belangen van de kinderen bij spoedige hereniging.

Conclusie en gevolgen

10. Uit het voorgaande volgt dat de weigering aan eiseres en haar jongste zoons in deze procedure een mvv te verlenen, in strijd is met het (Unierechtelijk) evenredigheidsbeginsel. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het besluit van 2 juli 2025.

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf een beslissing te nemen en verweerder op te dragen om aan eiseres en haar twee jongste zoons een mvv te verlenen voor het doel dat met de aanvraag is gevraagd. Het gezin is immers al sinds 2019 gescheiden en leeft sindsdien in onzekerheid. Bovendien zijn [zoon 1] , [zoon 2] en hun vader al in oktober 2021 in Nederland aangekomen en heeft verweerder pas in augustus 2024 asiel aan hen verleend. Verweerder heeft niet op tijd op de nareisaanvraag beslist en het op 2 juli 2025 genomen besluit om de nareisprocedure af te sluiten, heeft de onzekerheid van het gezin alleen maar doen toenemen. De rechtbank verwijst in dit kader naar het arrest Afrin van het Hof, waaruit volgt dat het belang van het gezin op een snelle beslissing aan urgentie toeneemt naarmate de onzekerheid langer voortduurt. Ook verwijst de rechtbank naar jurisprudentie van de Afdeling waarin wordt benadrukt dat een langdurige scheiding van gezinsleden afbreuk doet aan het nuttig effect van de Gri en dit wezenlijk raakt aan het in de artikelen 7 en 24 van het Handvest vervatte recht op familieleven en het recht van kinderen op bescherming. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat verweerder op de zitting heeft aangegeven bij zijn standpunt te blijven dat er in deze procedure geen procesbelang bestaat en dat verweerder op geen enkele manier heeft willen ingaan op de jurisprudentie van het Hof en EHRM.

Omdat eiseres geen griffierecht heeft betaald, hoeft verweerder geen griffierecht te vergoeden. Eiseres krijgt, nu het beroep gegrond is, wel een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 2 juli 2025 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- draagt verweerder op om binnen vier weken de gevraagde mvv’s aan eiseres en haar twee jongste zoons te verlenen;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand