RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster], V-nummer: [V-nummer], verzoekster
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15764
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
(gemachtigde: mr. S. Bozkurt).
Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster om een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen, omdat verweerder twijfelt aan de Nederlandse nationaliteit van het minderjarige kind van verzoekster. Volgens verweerder is sprake geweest van een schijnerkenning. Verzoekster is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe.
Procesverloop
1. Verzoekster heeft op 6 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9 van de Vw. Bij een dergelijke aanvraag wordt de bevestiging gevraagd dat een verzorgende ouder van een Nederlands kind een declaratoir verblijfsrecht ontleend aan artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 29 juli 2025 afgewezen. Verzoekster heeft tegen de afwijzing bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 3 maart 2026 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (NL25.64177) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster met mr. M.Z. Sayin (kantoorgenoot en waarnemer van haar gemachtigde) en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster heeft de Surinaamse nationaliteit. Zij is de biologische moeder en verzorgende ouder van [minderjarige] ([minderjarige]). [minderjarige] is geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2014 en heeft van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verkregen, omdat zij in 2019 erkend is door een Nederlandse man. Verzoekster heeft met haar dochter in Suriname gewoond tot het moment dat zij op 28 december 2023 naar Nederland zijn gekomen. Op 6 maart 2024 heeft zij de onderhavige aanvraag ingediend. Verzoekster beroept zich daarmee op het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354). In dat arrest heeft het Hof bepaald dat de verzorgende ouder uit een derde land van een minderjarig Nederlands kind een afgeleid EU-verblijfsrecht heeft als er een zodanige afhankelijkheid tussen de ouder en het kind bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan de ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd. Verweerder heeft de voorwaarden voor het verkrijgen van een dergelijk declaratoir verblijfsrecht opgenomen in paragraaf B10/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Terugmelding
3. Artikel 4, tweede lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap bepaalt dat de Nederlandse nationaliteit automatisch wordt verkregen door de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte vóór de leeftijd van zeven jaar wordt erkend door een Nederlander.
Na de erkenning van [minderjarige] heeft zij een Nederlands paspoort verkregen en is in de BRP geregistreerd als Nederlander.
4. Op grond van artikel 2.34, eerste lid, van de Wet Basisregistratie Personen (Wet BRP) kan een bestuursorgaan dat twijfels heeft over de juistheid van een gegeven uit de BRP hiervan mededeling doen aan het College van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente; dit wordt een terugmelding genoemd. Verweerder heeft op 28 juli 2025 een terugmelding als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, van de Wet BRP gedaan aan de gemeente Rotterdam en de gemeente verzocht om de Nederlandse nationaliteit van [minderjarige] te schrappen, het Nederlands paspoort van [minderjarige] in te nemen en de Nederlandse nationaliteit te wijzigen in de Surinaamse nationaliteit (artikel 2.60, onder e, van de Wet BRP). Verweerder gaat er vanuit dat de erkenning van [minderjarige] niet uit zuivere familierechtelijke motieven is gedaan, maar voor migratierechtelijk voordeel, zodat sprake is van een schijnerkenning. In de brief van 28 juli 2025 worden zeven punten genoemd waarop verweerder dit standpunt baseert. Onder meer noemt verweerder het grote leeftijdsverschil (21 jaar) tussen verzoekster en de erkenner. Verder is verweerder niet gebleken dat verzoekster en de erkenner elkaar kennen of dat zij ooit een relatie hebben gehad. De erkenner had tijdens de verwekking van [minderjarige] een relatie met een andere vrouw en tijdens de erkenning een relatie met weer een andere vrouw. Opvallend hierbij is volgens verweerder dat de erkenner bij beide vrouwen partnerreferent was bij het aanvragen van hun verblijfsvergunningen. Voor zover bij verweerder bekend is, heeft de erkenner in totaal zeven kinderen erkend bij in ieder geval drie verschillende moeders. Verzoekster heeft nog drie andere kinderen, waarvan twee minderjarig, die nog in Suriname verblijven. Deze kinderen kunnen ook verblijfsrecht ontlenen aan de Nederlandse nationaliteit van [minderjarige]. Verder heeft de erkenning niet voor of rond de geboorte van [minderjarige] plaatsgevonden, maar pas op 23 februari 2019, ruim vier jaar na de geboorte. Daarbij is niet gebleken dat de erkenner ooit betrokken is geweest bij de zorg en opvoeding van [minderjarige], of contact of omgang met haar heeft gehad.
Bestreden besluit
5. Met het primaire besluit van 29 juli 2025 heeft verweerder de aanvraag vervolgens afgewezen op de grond dat verzoekster geen minderjarig kind heeft met de Nederlandse nationaliteit en daarom niet voldoet aan de voorwaarde zoals genoemd in paragraaf B10/2.5, onder b, van de Vc. Met verwijzing naar de terugmeldingsbrief van 28 juli 2025 stelt verweerder dat hij op grond van artikel 1.7, tweede lid, van de Wet BRP niet langer gehouden is aan de registratiegegevens van [minderjarige] in de BRP. Dat wil zeggen dat verweerder er niet langer vanuit gaat dat [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit heeft. In het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt, en daarmee de afwijzing van de aanvraag, gehandhaafd.
Standpunt van verzoekster
6. Verzoekster is het met dit besluit niet eens. Met verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 13 mei 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:12604), voert verzoekster aan dat het verweerder in beginsel vrij staat om, indien hij meent dat gerede twijfel bestaat over de Nederlandse nationaliteit van haar dochter [minderjarige] vanwege een mogelijke schijnerkenning, op grond van artikel 2.34 van de Wet BRP een terugmelding te doen naar de gemeente. De enkele omstandigheid dat een dergelijke terugmelding is gedaan laat echter onverlet dat [minderjarige] nog steeds als een minderjarig kind met de Nederlandse nationaliteit in de BRP geregistreerd staat. Verweerder zal zich eerst over de band van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) tot de civiele rechter moeten wenden om te kunnen bewerkstelligen dat de ‘schijnerkenning’ van tafel gaat en de Nederlandse nationaliteit van [minderjarige] kan worden ingetrokken. Om die reden meent verzoekster dat haar beroep een redelijke kans van slagen heeft. Zij wil met haar verzoek dan ook bereiken dat zij wordt beschouwd als ware zij in het bezit van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9 van de Vw.
Spoedeisend belang
7. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als sprake is van onverwijlde spoed, waardoor de beslissing op bezwaar of de uitspraak in beroep niet kan worden afgewacht.
De voorzieningenrechter neemt het spoedeisend belang in deze zaak wel aan. Verzoekster verblijft al bijna drie jaar met haar dochter [minderjarige] in Nederland. [minderjarige] gaat hier ook naar school (zij zit inmiddels in groep 8). Als gevolg van het bestreden besluit mag verzoekster niet werken, terwijl zij voor haar levensonderhoud en dat van haar dochter wel van inkomsten uit arbeid afhankelijk is, aangezien haar ziektewetuitkering per 9 oktober 2026 wordt stopgezet. Daar komt bij dat de toeslagen en het kindgebonden budget die verzoekster tot nu toe heeft ontvangen vanwege haar verblijfsrechtelijke situatie zullen worden stopgezet. Verzoekster zal de onverschuldigd ontvangen toeslagen moeten terugbetalen en als gevolg daarvan te maken krijgen met (oplopende) betalingsachterstanden, terwijl zij op dit moment vrijwel geen inkomsten heeft.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe
8. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in de hoofdzaak.
Niet is in geschil dat [minderjarige] is erkend door een Nederlandse man. Omdat zij op dat moment nog geen zeven jaar oud was, is zij door deze erkenning Nederlander geworden, in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort en in de BRP van Rotterdam geregistreerd met de Nederlandse nationaliteit. Met de terugmeldingsbrief van 28 juli 2025 heeft verweerder het college kennis gegeven van het feit dat bij hem gerede twijfel is ontstaan over de juistheid van de BRP-registratie van [minderjarige], voor zover zij staat geregistreerd met de Nederlandse nationaliteit. De terugmelding heeft op grond van artikel 1.7, tweede lid, van de Wet BRP tot gevolg dat verweerder niet langer verplicht is om uit te gaan van de juistheid van de nationaliteit van [minderjarige] zoals die in de BRP staat geregistreerd. Vooralsnog heeft het College geen actie ondernomen naar aanleiding van de terugmelding.
Als er sterke aanwijzingen zijn dat er sprake is van een schijnerkenning, waardoor gerede twijfel bestaat aan de juistheid van een gegeven in de basisregistratie, zoals de vastgestelde nationaliteit, is verweerder op grond van artikel 2.34 van de Wet BRP verplicht een terugmelding te doen. In dat geval is verweerder niet langer gehouden om van het gegeven in de basisregistratie gebruik te maken. Dat geldt volgens de voorzieningenrechter ook als het gaat om de registratie van de nationaliteit. Dat neemt echter niet weg dat verweerder zich, na het doen van een terugmelding, vervolgens wel een eigen oordeel zal moeten vormen over de bij de uitvoering van zijn taak te hanteren gegevens. Dit volgt uit de Memorie van Toelichting bij de Wet BRP, 33 219, Nr. 3, p. 118.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder met de terugmeldingsbrief van 28 juli 2025 voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat aanwijzingen bestaan dat sprake is geweest van een schijnerkenning. Die aanwijzingen maken dat bij verweerder gerede twijfel heeft kunnen bestaan aan de juistheid van de Nederlandse nationaliteit van [minderjarige], zoals vastgesteld in de BRP. Gelet op de bestaande twijfel voert het naar het oordeel van de voorzieningenrechter te ver om van verweerder te verlangen dat hij zich over de band van de RWN eerst tot de civiele rechter wendt om de (schijn)erkenning aan te vechten, om vervolgens te bewerkstelligen dat de Nederlandse nationaliteit van [minderjarige] wordt ingetrokken. Dit zou immers betekenen dat verweerder eerst een zeer tijdrovende en ingewikkelde procedure moet doorlopen alvorens de Chavez-aanvraag te kunnen afwijzen, terwijl op dit moment al concrete aanwijzingen bestaan dat verzoekster niet voor de gevraagde vergunning in aanmerking komt.
Dit betekent echter niet dat verweerder de aanvraag zonder meer heeft mogen afwijzen. Dat verweerder zich een eigen oordeel zal moeten vormen over de bij de uitvoering van zijn taak te hanteren gegevens houdt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook in dat verweerder verzoekster in de gelegenheid zal moeten stellen om te reageren op het standpunt van verweerder dat sprake is van een schijnerkenning. Het had dan ook op de weg van verweerder gelegen om verzoekster hierover te horen. De stelling van verweerder dat de Chavez-procedure hiervoor geen ruimte biedt, verwerpt de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter volgt verweerder dan ook niet in de stelling dat verzoekster het standpunt van verweerder over de schijnerkenning slechts kan betwisten in een procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap (artikel 17 van de RWN). Dit standpunt impliceert namelijk dat verzoekster zich, in tegenstelling tot verweerder, wel eerst tot de civiele rechter zou moeten wenden.
9. Uit het voorgaande volgt dat het onderzoek door verweerder niet volledig en niet zorgvuldig is geweest en dat daarom het beroep een gerede kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding voor het treffen van de hiernavolgende voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep. Dit betekent dat verzoekster vooralsnog moet worden beschouwd als ware zij in het bezit van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9 van de Vw.
11. Verzoekster krijgt tevens een vergoeding van de kosten die zij in verband met deze procedure redelijkerwijs heeft moeten maken. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.