RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32125
(gemachtigde: mr. B.G. Smouter),
en
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 19 juli 2024. De minister heeft het bezwaar van eiser tegen de kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens van 7 juni 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Eiser voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens weliswaar een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar dat het dient ter voorbereiding van het besluit op de asielaanvraag. Op grond van artikel 6:3 van de Awb is zo een besluit niet appellabel, tenzij het eiser rechtstreeks raakt. Dat is hier niet het geval. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 17 juni 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de kennisgeving van de minister van 7 juni 2024 dat eisers geboortedatum is gewijzigd. Met het bestreden besluit van 19 juli 2024 heeft de minister dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Voorgeschiedenis en totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 30 april 2024 in Nederland asiel aangevraagd. Bij deze aanvraag heeft eiser als geboortedatum [geboortedatum 1] 2009 opgegeven.
4. De minister heeft naar aanleiding van de resultaten van de leeftijdsschouw door de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informatie opgevraagd bij de Griekse autoriteiten. Uit deze informatie is gebleken dat eiser in Griekenland met de geboortedatum [geboortedatum 2] 2004 is geregistreerd.
5. Op 7 juni 2024 heeft de minister een ‘kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens’ verzonden aan de AVIM, waarin de minister vermeldt dat de geboortedatum van eiser in Nederland is aangepast naar [geboortedatum 2] 2004.
6. Op 17 juni 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de kennisgeving gewijzigde gegevens van 7 juni 2024.
7. Bij het bestreden besluit van 19 juli 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat het aanpassen van de leeftijd geen handeling is waartegen bezwaar kan worden gemaakt. De minister heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het ‘discussiepunt omtrent de geboortedatum’ van eiser inhoudelijk nog wel wordt meegenomen bij de beoordeling van de asielaanvraag van eiser.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft de minister het bestreden besluit onbevoegd genomen?
8. Het bestreden besluit is ondertekend namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, die op dat moment (19 juli 2024) niet bevoegd was om op het bezwaar van eiser te beslissen. Met ingang van het aantreden van het kabinet-Schoof op 2 juli 2024 is de minister van Asiel en Migratie de bevoegde bewindspersoon voor zover het gaat over aangelegenheden op het terrein van asiel en migratie. Het besluit is dus ten onrechte ondertekend namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een bevoegdheidsgebrek, maar van een ondertekeningsgebrek. Voor de rechtbank is voldoende aangetoond dat de minister het besluit heeft genomen en dat enkel de wijze van ondertekenen nog niet was aangepast op de nieuwe situatie. Er is daarom sprake van een kennelijke verschrijving in de ondertekening.
Is er sprake van een appellabel besluit waartegen eiser beroep heeft kunnen instellen?
9. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. De kennisgeving is volgens eiser een besluit dat gericht is op rechtsgevolgen en appellabel is. Eiser is naar aanleiding van de kennisgeving namelijk overgeplaatst naar een opvang voor volwassenen en krijgt niet meer de voorzieningen zoals hij die ontving in de opvang voor minderjarigen. Eiser is daarnaast rechtstreeks in zijn belangen getroffen, omdat hij er in het bijzonder belang bij heeft om tijdens zijn asielprocedure, met name tijdens het gehoor en de beoordeling van zijn asielaanvraag als minderjarige te worden behandeld, zodat bijzondere waarborgen op hem van toepassing zijn. Als eiser de onjuistheid van de wijziging van de geboortedatum pas in een beroep tegen de beslissing op zijn asielaanvraag aan de orde kan stellen, dan is er geen sprake van een effectief rechtsmiddel. Verder heeft eiser in bezwaar een individueel uittreksel uit de burgerlijke stand en een uittreksel basisregistratie gezinnen overgelegd. Deze documenten vermelden als geboortedatum van eiser [geboortedatum 3] 2009. Daarom is het volgens eiser onevenredig bezwarend om de beslissing op de asielaanvraag af te wachten. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats, van 25 juli 2023 en een uitspraak van zittingsplaats Groningen, van 26 januari 2024.
De rechtbank stelt vast dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 18 december 2024 heeft geoordeeld dat de kennisgeving van de gewijzigde identiteitsgegevens een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, maar geen appellabel besluit in de zin van artikel 6:3 van de Awb. De kennisgeving is namelijk een beslissing ter voorbereiding op het besluit van de asielaanvraag. Daarom staat tegen de kennisgeving geen beroep open, tenzij de vreemdeling door de kennisgeving rechtstreeks in zijn belangen wordt getroffen.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet via deze weg de kennisgeving wijziging leeftijdsgegevens van 7 juni 2024 inhoudelijk aan de orde kan stellen, omdat volgens de Afdeling de kennisgeving wijziging leeftijdsgegevens geen appellabel besluit is in de zin van artikel 6:3 van de Awb. Dat betekent dat in de onderhavige zaak geen beroep open staat tegen de fictieve weigering om een beslissing te nemen ter voorbereiding op het besluit van de asielaanvraag. Voor zover eiser aanvoert dat hij door de overplaatsing rechtstreeks in zijn belangen wordt getroffen, volgt de rechtbank dit niet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 volgt namelijk ook dat de overplaatsing door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers geen rechtstreeks gevolg is van de kennisgeving. De door eiser aangehaalde uitspraken van deze rechtbank van 25 juli 2023 en 26 januari 2024 maken het voorgaande niet anders, ook omdat deze uitspraken dateren van vóór de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraak. Het betoog dat eiser rechtstreeks in zijn belangen getroffen, omdat allerlei waarborgen als minderjarige voor de asielprocedure komen te vervallen, leidt niet tot een ander oordeel. Deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle heeft op 18 oktober 2024 geoordeeld dat die omstandigheid maakt dat de kennisgeving de vreemdeling rechtstreeks in zijn belangen raakt, waardoor de kennisgeving appellabel is. De Afdeling heeft deze uitspraak echter vernietigd.
Dit betekent dat eiser kan opkomen tegen de vastgestelde leeftijd als eenmaal een besluit op zijn asielaanvraag is genomen. Tegen dit besluit kan eiser in beroep en hoger beroep opkomen, ook als de asielaanvraag is ingewilligd en eiser alleen wenst op te komen tegen de vastgestelde leeftijd. Als eiser dan gevolgd wordt in zijn gestelde minderjarigheid, zal de minister opnieuw een besluit op de asielaanvraag moeten voorbereiden en nemen, waarbij hij rekening zal moeten houden met de minderjarigheid van eiser.
De beroepsgrond slaagt derhalve niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding krijgen van zijn proceskosten. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.