Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/ 712292 / KG ZA 26-976
Vonnis in kort geding van 20 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaten: mrs. H.A.J.M. van Kaam en P.P.A. Steijvers,
tegen:
[gedaagde] te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat: mr. O.M.B.J. Volgenant.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 september 2026 met producties 1 tot en met 21;
- de akte houdende exceptie van onbevoegdheid en verzoek tot doorverwijzing naar de rechtbank [plaats 1] van 29 september 2026 van de zijde van gedaagde, met producties 1 tot en met 13;
- de akte houdende antwoord in bevoegdheidsincident van 30 september 2026 namens eiser;
- de brief van de rechtbank van 2 oktober 2026 aan partijen inzake de exceptie van onbevoegdheid en verzoek tot doorverwijzing;
- de conclusie van antwoord van 5 oktober 2026, met producties 14 tot en met 21;
- de op 5 oktober 2026 namens eiser overgelegde aanvullende producties 22 tot en met 35;
- de namens gedaagde ter zitting overgelegde aantekeningen over de relatieve bevoegdheid;
- de door beide partijen ter zitting overgelegde spreekaantekeningen.
Op 6 oktober 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
[eiser] is eigenaar van speeltuin/attractiepark “ [attractiepark 1] ”, gelegen in [stadsdeel] . Het park is nog in ontwikkeling maar is op 21 juli 2026 geopend voor het publiek. [eiser] wil hier een plek creëren waar kinderen prikkelarm kunnen spelen, ontdekken, bewegen en leren. Er is gezond (onbespoten) eten en drinken tegen lage prijzen verkrijgbaar en water wordt gratis beschikbaar gesteld. In de eerste week na de opening was het park uitsluitend toegankelijk voor kinderen uit [stadsdeel] en konden zij gratis naar binnen. Ook daarna zijn tijdsblokken speciaal voor kinderen uit [stadsdeel] gereserveerd.
Op de locatie van [attractiepark 1] was voorheen het (nooit geopende) attractiepark [attractiepark 2] gelegen. Een vennootschap van [eiser] heeft dit op 21 april 2026 op een executieveiling van het failliet verklaarde [bedrijfsnaam] B.V. (eigenaar [naam] ) gekocht. De grond waarop het attractiepark is gelegen, is van de gemeente [plaats 1] en is in erfpacht uitgegeven. Het huidige erfpachtcontract loopt tot 31 december 2030. In een brief van 2 juni 2026 heeft de gemeente [plaats 1] [eiser] onder meer bericht dat zij geen toezeggingen heeft gedaan over het verlengen of vernieuwen van het erfpachtcontract en met de voormalige erfpachter heeft afgesproken dat zij de gesprekken over een eventuele nieuwe vestiging van erfpacht pas gaat voeren als een deugdelijke financiële onderbouwing voor de (beoogde) exploitatie is ontvangen en het park in zijn geheel en volwaardig open is voor publiek, in overeenstemming met het omgevingsplan.
[gedaagde] is gemeenteraadslid voor PRO in [plaats 1] . Hij zet zich onder meer in voor het realiseren van meer betaalbare woningen in [plaats 1] . De gemeenteraad van [plaats 1] heeft op 16 april 2026 een door [gedaagde] ingediende motie aangenomen, die erop neerkomt dat de gemeenteraad voor de locatie waar [attractiepark 1] ligt geen toekomst meer ziet in een attractiepark, maar wil toewerken naar een maatschappelijke invulling met betaalbaar wonen, werkgelegenheid en voorzieningen die bijdragen aan de ‘ [doelgroep] ’.
[gedaagde] heeft zich vanaf de aankoop van het attractiepark door [eiser] bij herhaling negatief uitgelaten over het attractiepark en/of [eiser] , zowel in de gemeenteraad als daarbuiten, via diverse (social media) kanalen waaronder Rijnmond, NRC en Instagram.
In een radio-uitzending van Rijnmond van 22 april 2026 heeft [gedaagde] naar aanleiding van de opmerkingen van de interviewers dat [attractiepark 1] een prachtig park wordt waar kinderen uit heel [plaats 1] en wijde omgeving zullen komen spelen en dat dit park snel open zal gaan, het volgende gezegd:
“Ja, nou ik geloof er allemaal helemaal niks van. Hij speelt bij jullie en elders de Samaritaan in de krant. Maar het is gewoon een spijkerharde speculant. Hij heeft sloopbedrijven overal. En hij verkoopt straks gewoon de rommel voor oud ijzer om een plek aan tafel te krijgen. Om straks peperdure woningen daar te willen gaan bouwen. En je moet de gemeente [plaats 2] maar eens bellen om te vragen wat voor ervaringen ze met deze meneer hebben. Die hebben er nog slapeloze nachten van. Dus het gaat hem puur om geld. En dat hij net doet of dat hij het voor de kinderen in de wijk doet. Als hij het voor de kinderen in de wijk doet, dan zegt hij: ‘joh jongens, ik denk in jullie toekomst. Ik geef het gewoon heel braaf over vier jaar terug aan de gemeente. Ik lever het bezemschoon op en dan kan die daar lekker betaalbare woningen bouwen.”
Deze uitlatingen zijn later onder meer verwerkt in een online artikel van Rijnmond en in het AD.
[eiser] heeft op de (diverse) uitlatingen van [gedaagde] gereageerd onder meer via Instagram en per telefoon door achterlating van een bericht op de voicemail van [gedaagde] op 3 augustus 2026. Ook heeft [eiser] in het AD van 13 augustus 2026 uitspraken gedaan over het vorderen van (schade)bedragen van PRO en andere daaraan gelieerde politici, waaronder [gedaagde] , die zich schadelijk hebben uitgelaten over de vorige eigenaar en het attractiepark.
Bij brief van 21 augustus 2026 heeft (de advocaat van) [eiser] per deurwaarder [gedaagde] gesommeerd uiterlijk 26 augustus 2026 een rectificatie van de uitspraken gedaan op 22 april 2026 in de uitzending van Rijnmond te (laten) plaatsen omdat daar geen feitelijke grondslag voor bestaat en gevraagd te bevestigen dat [gedaagde] zich zal onthouden van het doen van soortgelijke verdere uitlatingen, in welke vorm of via welk medium dan ook, zonder deugdelijke feitelijke grondslag.
Op 21 augustus 2026 heeft het YouTube-kanaal Pretparkuur een interview met [gedaagde] geplaatst waarin hij over [eiser] het volgende heeft gezegd:
"Hij heeft daar [in [plaats 2] ] trouwens ook nog geprobeerd om politieke partijen om te kopen. Hij heeft de Partij voor de Dieren en CDA allebei een ton gedoneerd om hun stemgedrag te beïnvloeden."
[gedaagde] heeft bij e-mailbericht van 26 augustus 2026 op de sommatie van [eiser] tot rectificatie gereageerd, maar is niet tot rectificatie overgegaan.
Bij e-mailbericht van 27 augustus 2026 van (de advocaat van) [eiser] is onder meer diens standpunt nogmaals toegelicht en is [gedaagde] uitgenodigd om samen om tafel te gaan teneinde de kwestie op een fatsoenlijke manier buiten rechte op te lossen.
Nadien gevoerde correspondentie tussen (de advocaten van) partijen heeft niet tot een oplossing van het geschil geleid.
Op 2 september 2026 heeft (de advocaat van) [eiser] (de advocaat van) [gedaagde] om verhinderdata gevraagd teneinde dit kort geding aanhangig te maken en op 28 september 2026 is de dagvaarding aan [gedaagde] betekend.
Op zondag 4 oktober 2026 heeft [gedaagde] een video opgenomen en op zijn kanaal op Instagram geplaatst waarin hij, naast vele andere dingen, over zijn uitlatingen inzake omkoping van politieke partijen door [eiser] het volgende zegt:
“Nou ook had ik gezien dat hij [ [eiser] ] donaties had gedaan van een ton aan verschillende politieke partijen in [plaats 2] . Daar stel ik dan in de [plaats 1] gemeenteraad ook vragen over. Want ik dacht dat hij dat had gedaan om hun stemgedrag te beïnvloeden, of als beloning misschien. Maar die stemming was al geweest. Dus dat was niet om dat stemgedrag te beïnvloeden. Was niet helemaal scherp van mij. Het is natuurlijk heel erg raar dat je na een jarenlang conflict met de gemeente zulke grote donaties doet aan lokale politieke partijen. Maar voor miljonairs en miljardairs is het blijkbaar heel erg normaal.”
3. Het geschil
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] beveelt binnen 24 uur na het te dezen wijzen vonnis de hieronder weergegeven rectificatie publiekelijk te maken door:
a. eenmalige verzending van een persbericht via het Algemeen Nederlands Persbureau naar "Vak- en regionale media+ ANP-net” en [eiser] en zijn advocaat van dit verzoek tot verzending onverwijld een schriftelijke bevestiging te sturen;
b. publicatie op het lnstagram- en Linkedln-kanaal van [gedaagde] , voor de duur van zes maanden, door het plaatsen van een nieuw bericht dat (indien mogelijk) vastgepind dient te worden bovenaan de tijdlijn van het kanaal, zodat de tekst direct leesbaar is, in dezelfde opmaak en stijl als de overige berichten op het kanaal, duidelijk omkaderd door middel van een zwarte banner met witte letters en zonder enig overig commentaar in schrift en/of beeld;
De tekst van de rectificatie luidt als volgt:
"RECTIFICATIE
Tijdens een live radio-uitzending van Rijnmond op 22 april 2026 heb ik uitlatingen
gedaan waarin ik de intenties en integriteit van de heer [eiser] in twijfel heb
getrokken in verband met zijn aankoop van voormalig attractiepark [attractiepark 2] in
[plaats 1] , thans [attractiepark 1] . Ik heb verklaard dat de heer [eiser] het publiek
misleidt, van plan zou zijn de attracties op het terrein te slopen en te verkopen om
vervolgens peperdure woningen te bouwen, en dat het hem puur om het geld gaat
terwijl hij doet alsof hij het park voor de kinderen in [plaats 1] heeft gekocht.
Daarnaast heb ik tijdens een op 21 augustus 2026 gepubliceerd interview op het
YouTube-kanaal van "Pretparkuur" de heer [eiser] ervan beschuldigd dat hij zou
hebben geprobeerd de lokale [plaats 2] fracties van de Partij voor de Dieren en
het CDA om te kopen door deze partijen elk€ 100.000,00 te doneren teneinde hun
stemgedrag te beïnvloeden.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van [DATUM]
geoordeeld dat deze uitlatingen ongefundeerd en onrechtmatig zijn jegens de heer
[eiser] , dat hiervoor geen feitelijke grondslag bestaat en dat deze uitlatingen dienen
te worden gerectificeerd.
[gedaagde] "
althans een zodanige rectificatietekst op een wijze te publiceren als de voorzieningenrechter juist en passend acht;
II. [gedaagde] beveelt binnen 48 uur na het te dezen wijzen vonnis alle partijen die
betrokken zijn geweest bij de Beschuldigingen of deze hebben overgenomen, dat zijn in
ieder geval Rijnmond, het AD en Pretparkuur, schriftelijk te verzoeken de onder 1genoemde rectificatietekst te publiceren bij de betreffende berichtgeving voor de duur dat deze berichtgeving beschikbaar blijft, en [eiser] en zijn advocaat van deze verzoeken onverwijld een schriftelijke bevestiging te sturen;
III. [gedaagde] verbiedt om – op welke wijze of via welk medium dan ook – zonder deugdelijke feitelijke grondslag uitlatingen te (laten) doen die inhouden dat [eiser] :
a. het publiek heeft misleid en [attractiepark 1] heeft aangekocht met de intentie zichzelf commercieel te willen verrijken over de rug van kinderen in [plaats 1] door de attracties te slopen en te verkopen om peperdure woningen te gaan bouwen, dan wel uitlatingen die soortgelijk zijn aan deze beschuldiging; en
b. de [plaats 2] fracties van de Partij voor de Dieren en het CDA heeft omgekocht door middel van donaties teneinde hun stemgedrag te beïnvloeden, dan wel uitlatingen die soortgelijk zijn aan deze beschuldiging;
IV. dan wel dat de voorzieningenrechter een voorziening treft die zij in goede justitie geraden acht;
V. een en ander op straffe van een dwangsom van € 17.500,00 (zeventienduizendvijfhonderd euro) per afzonderlijke overtreding van elk van de onder 1 tot en met IV bedoelde ge- en/of verboden en€ 7.500,00 (zevenduizendvijfhonderd euro) voor elke dag, een gedeelte van een als een gehele dag gerekend, dat enige overtreding van de onder I tot en met IV bedoelde ge- en/of verboden voortduurt, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;
VI. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten alsook in de nakosten, te vermeerderen
met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het wijzen van dit vonnis.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan.
[gedaagde] is continu bezig een schadelijk frame in de richting van [eiser] te creëren door [eiser] publiekelijk als kwade actor te kwalificeren.
Op 22 april 2026 – één dag nadat [eiser] het attractiepark heeft overgenomen – heeft [gedaagde] tegenover Rijnmond in een interview het volgende over [eiser] gezegd ( [eiser] verwijst hiernaar als beschuldiging 1, de rechtbank zal dit hierna uitlating 1 noemen):
"Hij speelt de barmhartige Samaritaan, maar is gewoon een spijkerharde speculant. Hij heeft
sloopbedrijven overal. Hij verkoopt straks de rommel als oud ijzer om een plek aan tafel te
krijgen. Om er straks peperdure woningen te gaan bouwen. Het gaat hem puur om geld. Hij
doet net alsof hij het voor de kinderen in de wijk doet.”
En [gedaagde] heeft in een video-interview gepubliceerd op 21 augustus 2021 op YouTube-kanaal Pretparkuur het volgende over [eiser] gezegd ( [eiser] verwijst hiernaar als beschuldiging 2, de rechtbank zal dit hierna uitlating 2 noemen):
"Hij heeft daar [in [plaats 2] ] trouwens ook nog geprobeerd om politieke partijen
om te kopen. Hij heeft de Partij voor de Dieren en CDA allebei een ton gedoneerd om hun
stemgedrag te beïnvloeden."
[gedaagde] heeft weliswaar een ruime vrijheid om zich in het publieke debat uit te laten over woningbouw, [eiser] of de toekomst van het park, maar de vrijheid van meningsuiting van politici is niet absoluut. Met de aangehaalde uitspraken overschrijdt [gedaagde] de grens van wat is toegestaan, door zonder enige feitelijke grondslag de goede intenties, integriteit en betrouwbaarheid van [eiser] aan te vallen. De uitlatingen zijn daardoor onrechtmatig. [eiser] heeft als gevolg van de ongefundeerde uitlatingen negatieve reacties vanuit zijn omgeving en op (sociale) media gekregen en ondervindt hinder bij zijn werkzaamheden en de exploitatie van het attractiepark, terwijl dit zich nog in de opstartfase bevindt. Gelet op het voorgaande dient een belangenafweging tussen het recht op vrije meningsuiting (artikel 10 EVRM) en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, reputatie en eer en goede naam (artikel 8 EVRM) in het voordeel van [eiser] uit te vallen.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
Relatieve bevoegdheid
De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag oordeelt dat zij bevoegd is van de vordering van [eiser] tegen [gedaagde] kennis te nemen, zodat zij hierover kan beslissen.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij in [plaats 1] woont en daar volksvertegenwoordiger is. Dit betekent echter niet dat alleen de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam bevoegd is om van deze vordering kennis te nemen. De hoofdregel is weliswaar dat iemand moet worden gedagvaard voor de rechtbank van zijn of haar woonplaats, maar daarop zijn uitzonderingen mogelijk. Deze uitzonderingen gelden ook als de gedaagde een volksvertegenwoordiger is.
In dit geval is sprake van een dergelijke uitzondering. [eiser] stelt in deze procedure namelijk dat [gedaagde] in april 2026 tijdens een interview met Rijnmond uitlating 1 over [eiser] heeft gedaan terwijl hij dat niet had mogen doen omdat [eiser] daardoor schade heeft geleden en uitlating 1 dus onrechtmatig is. Hetzelfde geldt voor uitlating 2 die [gedaagde] heeft gedaan in een interview voor het YouTube-kanaal Pretparkuur. Zowel het interview bij Rijnmond als het interview op het YouTube-kanaal Pretparkuur zijn dus schadebrengende feiten die [eiser] [gedaagde] verwijt. Een rechtbank is relatief bevoegd als een schadebrengend feit is gepleegd in het arrondissement van die rechtbank. Het interview van Rijnmond en het Youtube-kanaal Pretparkuur waren in Den Haag te beluisteren. Daarom is de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag bevoegd. Anders dan [gedaagde] aanvoert, is het niet nodig dat [eiser] stelt dat, en welke, personen in Den Haag de uitlatingen hebben gehoord en dat hij daardoor in Den Haag schade heeft geleden. Voldoende is dat de uitlatingen in Den Haag te beluisteren waren.
De omstandigheid dat, zoals [gedaagde] aanvoert, sprake zou zijn van een SLAPP maakt dit niet anders. SLAPP is een afkorting van: “Strategic Lawsuit Against Public Participation”. De Nederlandse vertaling hiervan is: strategische rechtszaak tegen publieke participatie. Hierna zal de rechtbank hiernaar verwijzen met de term SLAPP.
In Europa is een richtlijn aangenomen die erop is gericht te voorkomen dat mensen een SLAPP beginnen (hierna de SLAPP-richtlijn). In de SLAPP-richtlijn is een SLAPP in artikel 1 gedefinieerd als een kennelijk ongegronde vordering of misbruik van procesrecht in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen die aanhangig wordt gemaakt tegen natuurlijke personen en rechtspersonen, vanwege hun betrokkenheid bij publieke participatie. Doel van de SLAPP-richtlijn is om procedurele waarborgen te bieden tegen dergelijke vorderingen.
In overweging 17 bij de SLAPP-richtlijn is erop gewezen dat eisers in gerechtelijke procedures tegen publieke participatie ook procedurele instrumenten kunnen gebruiken om de duur en de kosten van het geding te verhogen, en om procedures aanhangig te maken in een naar hun oordeel voor hun zaak gunstig rechtsgebied, in plaats van in het rechtsgebied dat het meest geschikt is voor de behandeling van hun vordering (forumshopping). Dit kan een aanwijzing zijn dat sprake is van een SLAPP. [gedaagde] wijst hierop en stelt dat op grond hiervan en ook op grond van andere aanwijzingen, sprake is van een SLAPP. Hij woont in [plaats 1] en zit daar ook in de gemeenteraad. Voor hem is het bezwaarlijk dat de procedure bij de rechtbank Den Haag wordt behandeld.
De SLAPP-richtlijn is van toepassing op zaken met een grensoverschrijdend karakter. Als beide partijen en alle overige omstandigheden zich uitsluitend in één lidstaat bevinden/voordoen, is een zaak niet grensoverschrijdend en is de richtlijn niet van toepassing.De onderhavige procedure is niet grensoverschrijdend.
De SLAPP-richtlijn is in Nederland bij wet geïmplementeerd (hierna de implementatiewet). De implementatiewet is op 14 juli 2026 in werking getreden. In de inleiding van de Memorie van Toelichting bij de implementatiewet is het volgende opgenomen:
“Op de in deze richtlijn opgenomen maatregel van zekerheidstelling voor de proceskosten en schadevergoeding na, voorziet het Nederlandse (proces)recht reeds in de door de richtlijn voorgeschreven procedurele waarborgen. Hiervoor is dus geen afzonderlijke implementatie nodig. Dit wetsvoorstel implementeert daarom uitsluitend de maatregel van zekerheidsstelling door invoering van de mogelijkheid voor een verweerder om, kort gezegd, zekerheidstelling voor de proceskosten en schadevergoeding te vragen van een eiser die volgens de wederpartij misbruik van procesrecht maakt als bedoeld in de richtlijn.”
Hieruit volgt dat de meeste procedurele waarborgen die in de SLAPP-richtlijn zijn opgenomen, al onderdeel uitmaakten van het Nederlandse burgerlijk procesrecht.
De SLAPP-richtlijn bevat geen bepalingen over de bevoegdheid van een gerecht. Ook de Nederlandse wetgeving kent geen bepalingen over de bevoegdheid in geval van een (gestelde) SLAPP. Als een rechtbank in Nederland op grond van Europese regelgeving of op grond van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) bevoegd is van een vordering kennis te nemen, dan kan zij zich niet onbevoegd verklaren omdat (naar is gesteld) sprake zou zijn van een SLAPP. Ook niet indien het gerecht waar de procedure aanhangig wordt gemaakt, voor gedaagde partij belemmeringen meebrengt.
Voor zover al sprake zou zijn van een SLAPP, heeft dit dus geen gevolgen voor de bevoegdheid van de rechtbank.
Spoedeisend belang
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Uitlating 1 is gedaan in april 2026 en uitlating 2 in augustus 2026. Uit de overgelegde stukken volgt dat [eiser] langere tijd getracht heeft met [gedaagde] in contact te komen om de inhoud en strekking van uitlating 1 met hem te bespreken. Ook volgt uit deze stukken dat partijen over en weer in de media uitspraken over elkaar blijven doen. Gelet hierop heeft [eiser] een spoedeisend belang bij een uitspraak over de rechtmatigheid van uitlatingen 1 en 2.
De uitlatingen van [gedaagde]
Uitlating 1: Radio-interview Rijnmond
De vraag die ter beoordeling voorligt is of uitlating 1 van [gedaagde] tijdens het radio-interview bij Rijnmond onrechtmatig is. In de dagvaarding heeft [eiser] de tekst opgenomen die Rijnmond op 22 april 2026 op haar website had opgenomen, naar aanleiding van het radio-interview. Maar voor deze tekst is [gedaagde] niet verantwoordelijk. Het gaat erom of wat [gedaagde] in het interview bij Rijnmond heeft gezegd onrechtmatig is.
Bij de beoordeling staan twee fundamentele rechten tegenover elkaar. Aan de ene kant voor [gedaagde] zijn recht op vrijheid van meningsuiting. Dat recht is opgenomen in artikel 7 van de Grondwet en in artikel 10 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). En aan de andere kant voor [eiser] zijn recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Daaronder valt ook het door [eiser] specifiek ingeroepen recht op bescherming van zijn goede naam/reputatie. Dat recht is opgenomen in artikel 8 EVRM.
Toewijzing van het door [eiser] gevorderde zou een beperking inhouden van het recht op de vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] . Dit recht kan slechts worden beperkt indien dat bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake indien uitlating 1 een zodanige inbreuk maakt op de eer en goede naam van [eiser] , dat die als onrechtmatig moet worden aangemerkt in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting of het recht op bescherming van de eer en goede naam – in het concrete geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. Beide belangen zijn in beginsel gelijkwaardig. Welke belang de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval.
Bij deze belangenafweging moeten onder meer de volgende omstandigheden worden meegewogen:
(i) De aard van de uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen. Daarbij moet worden meegewogen of de uitlatingen onnodig grievend zijn;
(ii) Zijn de uitlatingen feitelijk juist? De maatschappelijke zorgvuldigheid brengt mee dat een uitlating die een aantasting vormt van eer en goede naam, slechts dan in het openbaar mag worden geuit indien daarvoor een voldoende feitelijke onderbouwing is. Dit betekent dat, indien de gewraakte uitlatingen strafbare feiten of andere laakbare gedragingen betreffen, die uitlatingen alleen in het openbaar geuit mogen worden indien zij kunnen worden onderbouwd met feitelijke gedragingen van die persoon die inderdaad als strafbaar dan wel laakbaar kunnen worden gekwalificeerd. Bij deze afweging speelt mee of de uitlatingen zijn gepresenteerd als een feit of als een waardeoordeel. Maar ook een waardeoordeel moet enige steun krijgen in feiten;
(iii) [gedaagde] is als lid van de gemeenteraad [plaats 1] een politicus. In het kader van artikel 10 EVRM genieten politici een krachtige bescherming. De Hoge Raad heeft op dit punt overwogen dat met inachtneming van pluralisme, tolerantie en verdraagzaamheid als waarborgen van een democratische samenleving de vrijheid van meningsuiting in het politieke debat niet alleen betrekking heeft op de inhoud, maar ook op de vorm: die mag zelfs kwetsend, schokkend of verontrustend zijn. Dat geldt ook voor uitlatingen van een politicus die buiten een gemeenteraadsvergadering zijn gedaan. Daarbij geldt dat een politicus deze bescherming geniet in het publieke debat. Daarvan is in ieder geval sprake indien een politicus het handelen van een openbaar bestuurder aan de orde stelt.
Voor de leesbaarheid van het vonnis herhaalt de rechtbank hier wat [gedaagde] bij Rijnmond heeft gezegd:
“Ja. Ja, nou ik geloof er allemaal helemaal niks van. Hij speelt bij jullie en elders de Samaritaan in de krant. Maar het is gewoon een spijkerharde speculant. Hij heeft sloopbedrijven overal. En hij verkoopt straks gewoon de rommel voor oud ijzer om een plek aan tafel te krijgen. Om straks peperdure woningen daar te willen gaan bouwen. En je moet de gemeente [plaats 2] maar eens bellen om te vragen wat voor ervaringen ze met deze meneer hebben. Die hebben er nog slapeloze nachten van. Dus het gaat hem puur om geld. En dat hij net doet of dat hij het voor de kinderen in de wijk doet. Als hij het voor de kinderen in de wijk doet, dan zegt hij: ‘joh jongens, ik denk in jullie toekomst. Ik geef het gewoon heel braaf over vier jaar terug aan de gemeente. Ik lever het bezemschoon op en dan kan die daar lekker betaalbare woningen bouwen.”
[eiser] heeft grote moeite met deze uitlatingen van [gedaagde] . [gedaagde] valt volgens [eiser] de intenties en integriteit van [eiser] aan door te zeggen dat [eiser] het publiek welbewust misleidt en over de rug van kinderen in [plaats 1] een geheim commercieel vastgoedplan gaat uitrollen om zichzelf financieel te verrijken. Daarbij presenteert [gedaagde] de aantijgingen als vaststaande feiten. [gedaagde] zet hem met deze woorden weg als een onbetrouwbare ondernemer met foute intenties die kinderen en de bevolking van [stadsdeel] bewust misleidt voor eigen financieel gewin. [eiser] maatschappelijke betrokkenheid wordt weggezet als een misleidingsstrategie. Dat raakt [eiser] in de kern van wie hij is en wat hij beoogt.
Ook wijst [eiser] op de schadelijke gevolgen van de uitlatingen van [gedaagde] . Voor [eiser] als zakenpartner is het essentieel dat zijn integriteit en betrouwbaarheid buiten twijfel staan en dat op hem kan worden vertrouwd. Verder hebben de uitlatingen ook al concrete gevolgen gehad voor zijn reputatie. Hij heeft te maken gehad met negatieve reacties vanuit zijn omgeving, (sociale) media en hij ondervindt hinder bij zijn werkzaamheden en de exploitatie van [attractiepark 1] . Dit terwijl het park nog maar net zijn deuren heeft geopend en zich in de opstartfase bevindt.
Gelet op deze stellingen van [eiser] , draait het om de volgende uitlatingen van [gedaagde] : “Hij speelt bij jullie en elders de Samaritaan in de krant. Maar het is gewoon een spijkerharde speculant”, “Om straks peperdure woningen daar te willen gaan bouwen” en “Dus het gaat hem puur om geld. En dat hij net doet of dat hij het voor de kinderen in de wijk doet”.
De eerste twee uitlatingen, inzake de Samaritaan en de speculant, licht [gedaagde] in het vervolg van het interview als het ware toe door te zeggen dat [eiser] peperdure huizen wil bouwen (keiharde speculant) en het hem puur om het geld gaat en hij net doet of hij het voor de kinderen doet (speelt de Samaritaan). Daarnaar gevraagd tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] geen feitelijke onderbouwing gegeven van zijn uitspraak dat [eiser] straks peperdure woningen wil gaan bouwen. [eiser] heeft zelf ter mondelinge behandeling gezegd dat hij nog nooit woningen heeft ontwikkeld. [gedaagde] heeft dat niet weersproken. In zijn conclusie van antwoord als ook tijdens de mondelinge behandeling heeft (de advocaat van) [gedaagde] gesteld dat [eiser] na de afloop van de erfpacht in 2030 het pretpark wil blijven exploiteren. Gelet op dit een en ander is er dan ook geen aanwijzing dat [eiser] van plan is om na 2030 peperdure huizen op de locatie van het pretpark te ontwikkelen. Daardoor ontbreekt ook een onderbouwing van [gedaagde] uitlating dat [eiser] een spijkerharde speculant is.
Ook heeft [gedaagde] geen feitelijke onderbouwing gegeven van zijn uitlating dat het [eiser] puur om het geld gaat en dat hij net doet of hij het voor de kinderen in de wijk doet. De handelingen van [eiser] na april 2026 weerspreken dit ook. [eiser] heeft naar eigen zeggen inmiddels € 18.000.000 geïnvesteerd in de attracties en het pretpark is binnen korte tijd na verwerving door [eiser] geopend. Onweersproken is ook dat kinderen uit [stadsdeel] gedurende een bepaalde periode gratis naar het park konden en dat de prijzen van gezond eten laag zijn gehouden. Ter zitting is verder naar voren gebracht dat de toegang voor kinderen laag wordt gehouden. En [eiser] gaat, ook volgens [gedaagde] , ervoor strijden dat het pretpark na 2030 open blijft. In het verlengde hiervan ontbreekt ook een feitelijke onderbouwing voor de kwalificatie dat [eiser] de Samaritaan speelt.
Beide partijen plaatsen hun discussie in het kader van de toekomst van het stuk grond waarop nu [attractiepark 1] staat. De slotwoorden van beide partijen bij de mondelinge behandeling betroffen ook deze toekomstplannen. De erfpacht loopt af op 31 december 2030. Voor de bestemming van de grond na 2030 staan [eiser] en [gedaagde] tegenover elkaar: exploiteren van het pretpark of bouwen van woningen voor de mensen in [plaats 1] . De discussie daarover is in ieder geval in april 2026 gestart. Enerzijds is in april 2026 de motie in de gemeenteraad van [plaats 1] aangenomen dat het de wens van de gemeenteraad is om woningen te bouwen op het stuk grond. Anderzijds heeft (een vennootschap van) [eiser] in april 2026 het erfpachtcontract overgenomen voor het realiseren van [attractiepark 1] . Ook daarvóór heeft [gedaagde] zich overigens al uitgelaten over de toekomst van het stuk grond, waarbij hij de gemeente op 17 februari 2026 heeft opgeroepen de grond te kopen.
Voorts is van belang dat [eiser] de publiciteit niet schuwt. Hij is uitgesproken, investeert in meerdere goede doelen, waaronder [attractiepark 1] , en draagt dit ook uit in de media. Daarbij heeft hij er voor wat betreft [attractiepark 1] op gewezen dat hij de grond graag wil kopen als de erfpacht afloopt en heeft hij ook forse uitspraken gedaan over de wijze waarop hij onder andere via juridische procedures zal strijden voor het behoud van het pretpark na 2030. Ook heeft hij gewezen op mogelijke forse schadeclaims. [gedaagde] zoekt eveneens de publiciteit, waarbij onder andere zijn standpunten over de toekomst van het stuk grond ter sprake komen en waarbij hij regelmatig iets zegt over [eiser] . Daarbij steekt hij zijn mening niet onder stoelen of banken.
Met een deel van de uitlatingen in het radio-interview is [gedaagde] echter daarbij te ver gegaan. [gedaagde] strijdt voor woningbouw na 2030 en [eiser] voor de voortzetting van zijn pretpark. Dit betreft een politiek onderwerp, namelijk de bestemming van een schaars stuk grond in [plaats 1] , waarbij [eiser] en [gedaagde] tegenstrijdige belangen hebben. Daarbij hebben ze ieder een andere positie. [gedaagde] is gemeenteraadslid en [eiser] is contractspartij van de gemeente. Door deze strijd aan te gaan en daarbij gebruik te maken van de media, mengt [eiser] zich als contractspartij openlijk in het politieke debat. Daarbinnen kan [gedaagde] zich veel veroorloven. Hij heeft daarbij een grote vrijheid om maatschappelijke thema’s te bespreken in de woorden die hem daarvoor het meest geschikt lijken. En daarbij mag het handelen van [eiser] , omdat hij zich met forse uitspraken in het publieke debat mengt, ook aan de kaak worden gesteld. Daarbij geldt echter wel een grens.
Alhoewel het betreffende stuk uit het radio-interview waar het hier om gaat, begint met de woorden “ik geloof er helemaal niets van” brengt [gedaagde] zijn daarop volgende uitlatingen als feiten en niet als zijn persoonlijke mening. [gedaagde] heeft geen feitelijke onderbouwing kunnen geven voor de uitlatingen inzake de peperdure woningen en de bedoelingen van [eiser] voor wat betreft de kinderen. Deze uitlatingen vormen de kern van het terechte verwijt dat [eiser] [gedaagde] maakt, namelijk dat hij de intenties en integriteit van [eiser] aanvalt en daarmee [eiser] in zijn eer en goede naam aantast. [eiser] wordt zonder feitelijke onderbouwing in een kwaad daglicht gesteld doordat hij ervan wordt beschuldigd geen eerlijke intenties te hebben met de kinderen in [plaats 1] en dat wordt onderstreept door de woorden dat [eiser] peperdure woningen op de grond wil bouwen. Dat dit gevolgen heeft voor de exploitatie van het pretpark, heeft [gedaagde] ook niet bestreden. Hij heeft slechts aangevoerd dat [eiser] niet zelf de eigenaar is van het pretpark, maar een vennootschap waarvan hij (mogelijk indirect) de aandelen houdt. Daardoor zou [eiser] zelf geen schade leiden door de uitlatingen. Aan dit laatste gaat de rechtbank voorbij. [eiser] en niet zijn vennootschap wordt door [gedaagde] aangesproken en het behoeft geen verdere toelichting dat [eiser] bij de exploitatie van het pretpark hinder ondervindt van de kwalijke gevolgen van de uitlatingen omdat hij in de pers wordt geïdentificeerd met het pretpark. Onder deze omstandigheden zijn de uitlatingen van [gedaagde] zoals aangehaald onder 4.15. onrechtmatig jegens [eiser] .
[gedaagde] heeft nog een beroep gedaan op artikel 22 Gemeentewet die hem volledige immuniteit geeft voor uitspraken die hij bij beraadslagingen tijdens gemeenteraadsvergaderingen heeft gedaan. Uitgangspunt is echter dat de immuniteit waarop [gedaagde] zich beroept, in principe alleen geldt voor uitlatingen tijdens een gemeenteraadsvergadering. Deze bescherming gaat niet zo ver gaat dat het onrechtmatige karakter van uitlatingen buiten vergadering die niet openbaar bestuurders betreffen kan worden opgeheven door dergelijke uitlatingen ook tijdens een vergadering van de gemeenteraad te doen.
De overige uitlatingen in het aangehaalde stuk van het interview zijn niet onrechtmatig. Dat [eiser] zijn sloopbedrijven inmiddels heeft verkocht, betekent niet dat het kwalijk is dat [gedaagde] nog naar dit bezit verwijst. Ook heeft [eiser] inmiddels een deel van de attracties die hij na zijn aankoop op het stuk grond aantrof, laten slopen. En niet in discussie is dat [eiser] een plek aan tafel wil als het gaat over de toekomst van het stuk grond.
Uitlating 2: Publicatie op YouTube-kanaal Pretparkuur
Tijdens een interview voor het YouTube-kanaal Pretparkuur heeft [gedaagde] het volgende gezegd:
"Hij heeft daar [in [plaats 2] ] trouwens ook nog geprobeerd om politieke partijen om te kopen. Hij heeft de Partij voor de Dieren en CDA allebei een ton gedoneerd om hun stemgedrag te beïnvloeden."
In de conclusie van antwoord heeft [gedaagde] geschreven dat hij inziet dat zijn uitlatingen op dit punt niet volledig juist waren en dat [eiser] de bedragen niet heeft geschonken om het stemgedrag van de betreffende politieke partijen te beïnvloeden. Door dit wel te beweren, terwijl een feitelijke grondslag ontbrak, heeft [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld. Hij beschuldigde [eiser] immers ten onrechte van ambtelijke omkoperij, een misdrijf waarop in het wetboek van Strafrecht een gevangenisstraf staat.
Maatregelen
Rectificatie
De voorzieningenrechter oordeelt dat [gedaagde] onrechtmatige uitlatingen heeft gedaan over [eiser] . Zij zal dan ook een voorziening treffen ten laste van [gedaagde] . Deze voorziening zal minder ruim zijn geformuleerd dan het petitum van de dagvaarding, omdat dit een te vergaande strekking heeft en daardoor de vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] te ver inperkt. Zo zal de rechtbank [gedaagde] niet opdragen om media te verzoeken een rectificatie te plaatsen. [gedaagde] kan alleen verantwoordelijk worden gehouden voor hetgeen hij zelf heeft gezegd, niet voor wat de media daarover hebben bericht.
Voor wat betreft de beschuldiging van omkoperij heeft [gedaagde] in een videobericht op social media gezegd dat de uitlating niet klopte en dat hij met die uitlating niet helemaal scherp was. Dit acht de voorzieningenrechter echter onvoldoende om als rectificatie te kunnen dienen omdat het een videobericht is dat bovendien ook gaat over andere dingen, waardoor de mededeling van [gedaagde] over uitlating 2 niet direct zichtbaar is.
Verbod
[eiser] heeft ook nog gevorderd dat het [gedaagde] wordt verboden om – op welke wijze dan ook – zonder deugdelijke feitelijke grondslag bepaalde uitlatingen te (laten) doen soortgelijk aan de uitlatingen die in deze procedure ter discussie staan. De voorzieningenrechter ziet echter geen aanleiding om [gedaagde] een verbod op te leggen dat erop neerkomt dat hij geen onrechtmatige uitlatingen mag doen. Van een volksvertegenwoordiger kan en mag worden verwacht dat hij zich aan de wet houdt.
Dwangsom
De rechtbank ziet evenmin aanleiding om een dwangsom op te leggen. [eiser] heeft een dwangsom gevorderd van € 17.500 per overtreding. Een bedrag waarover zijn advocaat tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd dat het geen hoog bedrag is. De rechtbank kan deze opmerking alleen plaatsen tegen de achtergrond van het vermogen van [eiser] en niet tegen de achtergrond van een gemiddeld inkomen. Zij vindt de gevorderde dwangsom ook hoog en sluit niet uit dat een zo hoge dwangsom onbedoeld belemmerend kan werken in het publieke debat dat gaande is over de toekomst van het stuk grond waarop het pretpark is gebouwd. En dit debat zullen partijen ook de komende periode nog voeren, omdat de erfpacht tot 2030 loopt. Als volksvertegenwoordiger kan, en mag, zoals ook onder 4.30. al overwogen, bovendien ook van hem worden verwacht dat hij opvolging zal geven aan het dictum in dit vonnis.
Proceskosten
Uit de (gedeeltelijke) toewijzing van de rectificatie volgt dat het hier geen kennelijk ongegronde vordering of misbruik van procesrecht in burgerlijke zaken betreft. Wat [gedaagde] heeft aangevoerd inzake SLAPP behoeft daarom geen verdere bespreking.
[gedaagde] is de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij. Hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De voorzieningenrechter begroot de proceskosten op:
- dagvaarding € 151,94
- griffierecht € 341,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de in de beslissing vermeldde verhoging)
Totaal € 1.858,94
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
gebiedt [gedaagde] om binnen 72 uur na betekening van dit vonnis, de hieronder weergegeven rectificatie publiekelijk te maken door publicatie op het Instagram- en Linkedin-kanaal van [gedaagde] door het plaatsen van een nieuw bericht in dezelfde opmaak en stijl als de overige berichten op het kanaal zonder enig overig commentaar in schrift en/of beeld;
De tekst van de rectificatie luidt als volgt:
“Tijdens een live radio-uitzending van Rijnmond op 22 april 2026 heb ik in een interview over attractiepark [attractiepark 1] gezegd dat de heer [eiser] de Samaritaan speelt maar dat hij gewoon een spijkerharde speculant is, en dat hij daar straks peperdure woningen wil gaan bouwen. En ook dat het hem puur om het geld gaat en dat hij net doet alsof hij het voor de kinderen in de wijk doet.
Daarnaast heb ik in een op 21 augustus 2026 gepubliceerd interview op het YouTube-kanaal van Pretparkuur gezegd dat de heer [eiser] in [plaats 2] trouwens ook nog heeft geprobeerd om politieke partijen om te kopen door de Partij voor de Dieren en CDA allebei een ton te doneren om hun stemgedrag te beïnvloeden.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 20 oktober 2026 geoordeeld dat deze uitlatingen onrechtmatig zijn jegens de heer [eiser] en dat ik deze moet rectificeren.
[gedaagde] .”
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.858,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.
SH