RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.58919
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Procesverloop
Met het besluit van 2 oktober 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verweerder heeft de rechtbank hiervan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Beide partijen hebben te kennen gegeven geen gebruik te willen maken van hun recht om op zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Eiser heeft op 6 oktober 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 7 oktober 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek op 8 oktober 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, met toepassing van artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Verweerder heeft grond j laten vallen.
Eiser heeft alle gronden betwist. Ten aanzien van grond a is aangevoerd dat uit de wijze van binnenkomst niet zonder meer een actueel onderduikrisico kan worden afgeleid. Over grond b is aangevoerd dat eiser niet wist dat dat hij Nederland diende te verlaten. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom sprake is van een bewuste weigering aan de vertrekplicht te voldoen. Verder voert eiser ten aanzien van grond p aan dat het feit dat hij geen geldig reisdocument kan tonen niet zonder meer betekent dat hij zijn uitzetting frustreert. Ook betekent het ontbreken van een BRP-inschrijving niet dat eiser geen vaste verblijfplaats heeft (grond r). Tot slot voert eiser ten aanzien van grond s aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het ontbreken van voldoende middelen van bestaan een aanwijzing is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat grond a zich feitelijk voordoet. Eiser is namelijk zonder in het bezit te zijn van een geldig reisdocument (paspoort met visum), en daarmee niet op de voorschreven wijze, Nederland ingereisd. Dat de inreis reeds in 2023 is geweest, maakt niet dat hieraan geen betekenis meer toekomt. Daarnaast heeft eiser zich na de afwijzing van zijn asielaanvraag in 2023 nooit gemeld bij de autoriteiten. Daarmee heeft hij zich langere tijd aan het toezicht onttrokken. Gelet hierop heeft verweerder grond a aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat grond b zich feitelijk voortdoet. Bij (meeromvattende) beschikking van 14 april 2023 is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft geen gevolg gegeven aan de uit dit terugkeerbesluit voortvloeiende vertrekplicht, nu hij immers Nederland en de Europese Unie niet heeft verlaten. Nu eiser op de hoogte was van zijn afgewezen asielaanvraag, wordt hij daarmee ook geacht bekend te zijn met het terugkeerbesluit. Overigens is ook niet betwist dat de beschikking op juiste wijze bekend is gemaakt. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat verweerder grond b ook aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft kunnen leggen.
De gronden a en b, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk een onderduikrisico uit voort. Gelet hierop behoeven de overige betwiste gronden geen inhoudelijke bespreking. De onder 1.2. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Eiser heeft een vriendin in Nederland en kan bij een vriend verblijven. De motivering dat eiser eerder niet vrijwillig is vertrokken is hiertoe onvoldoende.
Gelet op de onder 1.5. genoemde dragende gronden en op de omstandigheden genoemd in de toelichting op die gronden, en meer specifiek op de omstandigheden dat eiser Nederland illegaal is ingereisd, niet in het bezit is van documenten, zich na de afwijzing van zijn asielaanvraag in 2023 nooit zelfstandig heeft gemeld en geen gevolg heeft gegeven aan zijn (uit het terugkeerbesluit van 14 april 2023 voortvloeiende) vertrekplicht, uit welke gronden en omstandigheden tezamen een flink onderduikrisico voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Dat eiser een vriendin heeft in Nederland en bij een vriend kan verblijven is in het licht van voormelde gronden en omstandigheden onvoldoende om te oordelen dat verweerder met een lichter middel moet volstaan. Dit neemt namelijk het uit voormelde omstandigheden voortvloeiende onderduikrisico niet weg. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
3. Eiser betoogt dat verweerder na de inbewaringstelling onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
Uit het dossier komt naar voren dat verweerder op 6 oktober 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder sinds de oplegging van de maatregel van bewaring voldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting naar Nigeria. De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom beroepsgronden
4. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Ambtshalve toetsing
5. Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was (vgl. de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, Adrar).
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.