RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.58995
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Procesverloop
Met het besluit van 4 oktober 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de
maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef
en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verweerder heeft de rechtbank hiervan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt
gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een
verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. De rechtbank heeft een afstandsverklaring ontvangen waarin eiser verklaart afstand te doen van zijn recht om aanwezig te zijn bij de zitting. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Ambtshalve toetsing
1. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring. De toetsing door de rechtbank is daarom beperkt tot een ambtshalve toetsing van de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring, zoals die volgt uit de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar). Met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
2. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.