ECLI:NL:RBDHA:2026:30328

ECLI:NL:RBDHA:2026:30328

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 15-10-2026
Zaaknummer NL26.58605
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

grensdetentie, lichter middel

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.58605

(gemachtigde: mr. T. Thissen),

en

(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel (hierna ook: grensdetentie) opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De tolk, [naam tolk], heeft via een telefonische verbinding aan de zitting deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Verweerder kan op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Deze maatregel wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Dit volgt uit artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel.

Lichter middel

3. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, althans in het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom er geen lichter middel is toegepast. In dit kader heeft eiser naar voren gebracht dat hij zijn geloof wil uitoefenen, maar dat hieraan in grensdetentie beperkingen zitten. Ook heeft eiser naar voren gebracht dat hij een broer in Nederland heeft, bij wie hij kan verblijven, zodat er geen onderduikrisico is. Verweerders beoordeling op dit punt is volgens eiser te beperkt, nu enkel is bezien of er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen hem en zijn broer.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 2 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5077), volgt dat door verweerder in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag worden gezien om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen en dat verweerder die noodzaak niet nader hoeft te motiveren, bijvoorbeeld door toe te lichten dat er een risico op onderduiken bestaat. Het bestaan van een onderduikrisico is, behalve in het geval de vreemdeling in grensdetentie wordt geplaatst om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, geen vereiste voor grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Verder heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat de beoordeling of verweerder in grensdetentiezaken met een lichter middel had moeten volstaan niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. Verweerder heeft in de maatregel terecht en deugdelijk gemotiveerd gesteld dat de omstandigheid dat eiser een broer in Nederland heeft, niet maakt dat grensdetentie voor eiser onevenredig bezwarend is, nu niet is gebleken dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen hen. Eiser heeft tijdens het gehoor ook niet gesteld dat het nodig is om bij zijn broer te verblijven, zodat een verdere motivering op dit punt niet geboden was. Dat eiser mogelijk bij zijn broer kan verblijven waardoor er geen onderduikrisico is, heeft verweerder niet in zijn motivering hoeven te betrekken, nu het bestaan van een onderduikrisico geen vereiste is voor het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Ook op het punt van eisers geloof heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in de maatregel niet specifiek hoeven motiveren. Eiser kan zijn geloof tijdens grensdetentie uitoefenen en voor zover hij vindt dat hij die gelegenheid onvoldoende krijgt in grensdetentie, geldt dat hij zich hierover dient te beklagen in het justitieel complex.

De (enige) beroepsgrond dat een lichter middel had moeten worden toegepast, althans dat het niet toepassen daarvan ondeugdelijk is gemotiveerd, slaagt gezien het voorgaande niet.

Slotsom beroepsgrond

4. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgrond van eiser niet leidt tot het oordeel dat de grensdetentie tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Ambtshalve toetsing

5. Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de grensdetentie tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was (vgl. de het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858).

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.A. Groeneveld

Griffier

  • mr. E.F. Derksen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand