RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.59145
geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiseres is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Eiseres is het niet eens met die maatregel. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 5 oktober 2026 heeft de minister aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Overwegingen
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de AMbV van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMbV. In de AMbV staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMbV indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
De aan eiseres opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is door het belang van de openbare orde, omdat er een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiseres:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;p. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Terugkeerbesluit/overdrachtsbesluit
5. De rechtbank volgt eiseres niet in het standpunt dat, nu voorafgaand aan de maatregel geen terugkeerbesluit dan wel overdrachtsbesluit is opgelegd, de maatregel reeds daarom onrechtmatig is. Eiseres stelt tevens dat het ongehoord is dat aan een vreemdeling bij een eerste asielaanvraag in Nederland buiten Schiphol de maatregel van bewaring wordt opgelegd. Dat het de eerste asielaanvraag van eiseres in Nederland betreft, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat geen sprake is van een concreet aanknopingspunt dat eiseres onder de werkingssfeer van de AMbV valt en dus buiten de reikwijdte van de EU-Terugkeerrichtlijn. Uit de stukken in het dossier volgt immers dat uit het Eurodac-onderzoek naar voren is gekomen dat de vingerafdrukken van eiseres op 19 mei 2025 in Italië, op 28 mei 2025 in Zweden, op 22 juni 2026 in Denemarken en op 24 juni 2026, 13 juli 2026 en 27 september 2026 in Duitsland zijn geregistreerd. Naar aanleiding daarvan heeft de minister onderzoek ingesteld naar de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van de asielaanvraag. Dat nog niet duidelijk is welke lidstaat verantwoordelijk is, maakt evenmin dat er geen concreet aanknopingspunt is dat eiseres onder de werkingssfeer van de AMbV valt.
Voortraject
Staandehouding en ophouding
6. Eiseres stelt verder dat bij de staande- en aanhouding niet kon worden vastgesteld dat sprake is van een significant risico op onderduiken of het niet meewerken aan de overdracht. De rechtbank volgt eiseres niet in het standpunt dat zij hierdoor ten onrechte zou zijn staande gehouden. Eiseres mocht op grond van artikel 50a, eerste lid, van de Vw worden staande gehouden, nu uit het dossier volgt dat de staandehouding ter voorbereiding van een besluit omtrent inbewaringstelling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, 59a of 59b van de Vw is geschied. Uit de M105 volgt verder dat uit de Eurodactreffer naar voren is gekomen dat de vingerafdrukken van eiseres bekend zijn in verschillende Europese landen. De staandehouding heeft dan ook op de juiste grondslag plaatsgevonden. Dat ten tijde van de staandehouding nog niet zou zijn vastgesteld dat eiseres niet zou meewerken aan een overdracht, kan hieraan niet af doen.
Horen zonder advocaat
Over het recht op rechtsbijstand oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat uit de M110 volgt dat op 5 oktober 2026 om 09:26 uur een piketmelding is gedaan. De piketmelding is geaccepteerd door mr. P.E.J.M. Bartels om 10:44 uur. Verder volgt uit de M110 dat mr. Bartels drie maal is gebeld, maar dat er geen gehoor kwam. Vervolgens is het gehoor om 11:35 uur begonnen zonder advocaat. De verbalisant heeft eiseres er verder op gewezen dat zij recht op bijstand van een advocaat heeft bij het gehoor, dat de piketmelding is geaccepteerd door mr. Bartels, dat er meerdere keren geprobeerd is telefonisch contact te krijgen, maar dat er geen gehoor kwam. Nu uit het voorgaande volgt dat de piketmelding om 09:26 uur is verstuurd en het gehoor om 11:35 is aangevangen, heeft de minister conform zijn beleid het gehoor pas laten aanvangen na het verstrijken van de vereiste wachttijd van twee uur na de piketmelding. De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat de minister dit niet op juiste wijze heeft gedaan, dan wel dat de minister niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting door geen contact te hebben opgenomen met de gemachtigde van eiseres. De rechtbank acht hierbij van belang dat uit de M105 volgt dat eiseres heeft aangegeven geen voorkeursadvocaat te hebben. Uit de M110 volgt dat aan eiseres is meegedeeld dat, omdat zij geen voorkeursadvocaat zou hebben er een piketmelding is gedaan. Niet is gebleken dat eiseres alsnog heeft aangegeven een voorkeursadvocaat te hebben, zodat de minister op grond daarvan niet gehouden was om contact op te nemen met de gemachtigde van eiseres. Het enkele feit dat de gemachtigde in onderhavige zaak eiseres eveneens bijstaat in haar asielprocedure maakt dit niet anders. De rechtbank kan uit het dossier verder niet opmaken dat het bij de medewerkers die betrokken waren bij de staandehouding/ophouding en het gehoor bekend was dat eiseres op 5 oktober 2026 om 12:00 uur een afspraak had met haar gemachtigde. Uit de e-mail van 8 oktober 2026 volgt dat de medewerkers van DV&O hebben aangegeven geen documenten van eiseres te hebben ingenomen. Evenmin blijkt uit het dossier dat de medewerkers op andere wijze op de hoogte waren van de afspraak. Eiseres heeft immers aangegeven geen voorkeursadvocaat te hebben. De rechtbank ziet in de enkele stelling van eiseres dat de documenten, waaronder de afsprakenbrief, zijn ingenomen en dat daarom bekend moest zijn dat eiseres een afspraak had met haar gemachtigde geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het recht op rechtsbijstand is geschonden.
Grondslag
7. Artikel 59a, eerste lid, van de Vw biedt gelet op het bepaalde in artikel 44 van de AMbV de grondslag voor vreemdelingenbewaring ter uitvoering van een overdracht overeenkomstig de AMbV. Eiseres valt namelijk onder de in artikel 59a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen, nu uit de maatregel voldoende volgt dat er concrete aanknopingspunten waren dat eiseres kon worden overgedragen op grond van de AMbV. De rechtbank wijst ten aanzien van het onderduikrisico op wat hierna wordt overwogen over de gronden van de maatregel.
Gronden
8. De rechtbank oordeelt dat grond a feitelijk juist is en daarom terecht aan eiseres is opgelegd. Eiseres heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel verklaard dat zij via Italië, Zweden, Denemarken en Duitsland naar Nederland is gereisd. Niet in geschil is dat eiseres zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de EU heeft bewogen. Dat eiseres tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel heeft verklaard dat zij zal terugkeren naar de verantwoordelijke lidstaat, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. Daarnaast was eiseres bij binnenkomst in Nederland niet in het bezit van identiteits- of reisdocumenten. Ook de gronden r en s kunnen aan eiseres worden tegengeworpen, nu zij niet staat ingeschreven in de BRP en geen (eigen zelfstandige) middelen van bestaan heeft. Dat eiseres een asielzoeker is, zich zou kunnen inschrijven na een terugplaatsing en er opvang en middelen door het COa worden verstrekt, kan hieraan niet afdoen. In de maatregel is verder voldoende gemotiveerd dat er, door het niet hebben van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen, een concreet risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken, de voorbereidingen van haar vertrek ontwijkt/belemmert en dat zij niet uit eigen beweging beschikbaar zal blijven voor de lopende AMbV-procedure. De rechtbank oordeelt dat de gronden a, r en s, in samenhang bezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat om een onderduikrisico aan te nemen. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van grond p daarom onbesproken.
Lichter middel
9. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister terecht ervan uitgegaan dat eiseres niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op haar rustende vertrekplicht. De minister heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd dat een lichter middel niet volstond om de overdracht van eiseres te verzekeren. De minister heeft in de enkele verklaring van eiseres dat zij wil meewerken geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel op te leggen. Dat nog geen sprake is van een overdrachtstermijn maakt evenmin dat reeds daarom een lichter middel had moeten worden opgelegd.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de medische omstandigheden van eiseres kenbaar en voldoende zijn betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft er in de maatregel op gewezen dat in het DTC zorg aanwezig is die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiseres die de bewaring voor haar onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiseres een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiseres en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. Zo blijkt uit het dossier dat op 6 oktober 2026 een claimverzoek aan Duitsland is verstuurd, die op 8 oktober 2026 is afgewezen omdat Duitsland meent dat Zweden verantwoordelijk is. De rechtbank ziet in het feit dat er eerst een claimverzoek is gedaan aan Duitsland geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiseres. Ter zitting heeft de minister verder aangegeven dat een claimverzoek aan Zweden zal worden verzonden.
Conclusie en gevolgen11.De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. De Afdeling heeft bij uitspraak van 12 juli 2026 geoordeeld dat als er nog geen overdrachtsbesluit is genomen, dat de minister in de maatregel van bewaring dan geen refoulementbeoordeling hoeft te maken. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het opleggen van de maatregel er nog geen overdrachtsbesluit was genomen.
12. De rechtbank stelt vast dat eiseres in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit.
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.