RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.60120
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).
Procesverloop
Bij besluit van 8 oktober 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De tolk [naam tolk] heeft telefonisch hetgeen is besproken in de Spaanse taal vertaald. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft verweerder ter onderbouwing van het onderduikrisico als gronden zoals bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;f. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
Eiser meent dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij geen paspoort heeft. Verweerder heeft namelijk zelf een kopie van zijn paspoort aan het dossier toegevoegd. Volgens eiser dient de belangenafweging daarom in zijn voordeel uit te vallen. Eiser wijst hierbij ook op de omstandigheid dat hij al langere tijd in bewaring zit. Eiser zit vanaf 30 januari 2026 op verschillende grondslagen in bewaring.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gronden de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan en zijn zij tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Er vloeit namelijk een onderduikrisico uit voort. Voor zover eiser de gronden a, c en p, betwist omdat hij wel over een paspoort beschikt, volgt de rechtbank dit niet. Een kopie van een paspoort kan immers niet worden gezien als een geldig reisdocument.
De rechtbank ziet gelet op het onderduikrisico ook geen aanleiding voor het oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen. Dat eiser al langere tijd in bewaring zit, is hiervoor onvoldoende. Verweerder stelt in dat kader terecht dat de duur van de bewaring grotendeels aan eiser zelf te wijten is doordat hij vlak voor zijn uitzetting op 9 september 2026 alsnog een asielaanvraag heeft ingediend. Deze asielaanvraag is op 7 oktober 2026 kennelijk ongegrond verklaard.
De rechtbank acht verder van belang dat eisers nationaliteit door de Gambiaanse autoriteiten is bevestigd en aan eiser een laissez-passer is afgegeven, zodat aannemelijk is dat de uitzetting van eiser op niet al te lange termijn door verweerder zal worden gerealiseerd.
De beroepsgronden slagen niet.
Ambtshalve toetsing
2. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. van der Zanden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.