RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.58859
(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),
en
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Procesverloop
Bij besluit van 2 oktober 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank hiervan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De tolk, [naam tolk], heeft via een telefonische verbinding aan de zitting deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Zicht op uitzetting
1. Eiser betoogt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Gambia ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat hij al langere tijd in bewaring zit en dat er tot en met mei 2026 helemaal geen gedwongen uitzettingen hebben plaatsgevonden naar Gambia.
De rechtbank stelt voorop dat deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, in de uitspraak van 3 september 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:25943) op een eerder beroep van eiser tegen een bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw heeft geoordeeld dat er in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Gambia bestaat. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar thans anders over te oordelen. De rechtbank gaat hierbij uit van de volgende door verweerder verstrekte cijfers.
Gambia
2025
2026 (tot en met mei)
Lp aanvragen
72
23
Schriftelijke presentaties
18
12
Presentaties in persoon
7
5
Nationaliteitsbevestigingen
5
5
Lp-afgiftes
4
2
Gedwongen uitzettingen
5
0
Hoewel uit de hierboven weergegeven cijfers blijkt dat er in de periode van 1 januari tot en met mei 2026 geen gedwongen uitzettingen naar Gambia hebben plaatsgevonden, blijkt daaruit ook dat er in die periode vijf nationaliteitsbevestigingen hebben plaatsgevonden en twee laissez-passers (lp’s) zijn afgegeven door de Gambiaanse autoriteiten. Daarnaast blijkt daaruit dat er in 2025 vijf uitzettingen op basis van een lp naar Gambia hebben plaatsgevonden. Gelet op deze feiten, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de Gambiaanse autoriteiten meewerken aan gedwongen terugkeer van hun onderdanen en dat zicht op uitzetting naar Gambia in zijn algemeenheid aanwezig is. Daarbij merkt de rechtbank op dat er tal van omstandigheden denkbaar zijn waardoor een lp-afgifte niet direct wordt opgevolgd door een uitzetting (bijvoorbeeld doordat de desbetreffende vreemdeling alsnog een asielaanvraag indient), zodat het enkele feit dat er in de eerste vijf maanden van 2026 geen gedwongen uitzettingen hebben plaatsgevonden onvoldoende is om te oordelen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Daarvoor moet worden gekeken naar het aantal uitzettingen over een langere periode.
Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Gambia in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. De op 26 juni 2026 ingediende lp-aanvraag is nog in behandeling bij de Gambiaanse autoriteiten. Dat er tot op heden geen (positieve) reactie van de Gambiaanse autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, betekent, mede gelet op wat er onder 1.1. en 1.2. is overwogen, niet dat thans in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Met een lp-traject bij de Gambiaanse autoriteiten gaat in het algemeen de nodige tijd (vaak meerdere maanden) gemoeid, zeker indien een vreemdeling, zoals in het geval van eiser, geen enkel document over zijn identiteit en nationaliteit overlegt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn lp-traject. Eiser doet dat niet. Zo heeft eiser tijdens het vertrekgesprek van 6 oktober 2026 verklaard niet mee te gaan werken aan zijn terugkeer en ook niet met een presentatie bij de vertegenwoordiging van Gambia. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject, als hij wel voldoende zou meewerken, op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven.
Gelet op het voorgaande slaagt de onder 1. weergegeven (enige) beroepsgrond niet.
Slotsom beroepsgrond
2. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgrond van eiser niet leidt tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Ambtshalve toetsing
3. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Evenmin is het de rechtbank gebleken dat het familie- of gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen eisers verwijdering (vgl. het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van der Zanden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.