RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.31642
V-nummer: [nummer 1]
en
[eiser] , eiser,
V:nummer: [nummer 2] ,
hierna: eisers
(gemachtigde: mr. R.M. Boesjes),
en
(gemachtigde: S. Imami).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de mvv-aanvraag van eisers om bij hun dochter en zus (referente) in Nederland te verblijven. Eisers verblijven op dit moment in Syrië. Verweerder heeft besloten hun aanvraag af te wijzen. Eisers zijn het hier niet mee eens. Eisers hebben daarom beroep ingesteld tegen dit besluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat referente niet als jongvolwassene gezinsleven heeft met haar moeder (eiseres). Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen concluderen dat referente zich zelfstandig en moeiteloos kan handhaven. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Referente ( [referente] ), geboren op [datum 1] 2002 en met de Syrische nationaliteit, is op 9 december 2021 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met ingang van 31 augustus 2021. Zij heeft op 15 maart 2022 een aanvraag voor een mvv op grond van artikel 8 EVRM ingediend voor haar moeder en broertje (eisers). Eiseres stelt te zijn geboren op [datum 2] 1982 en eiser stelt te zijn geboren op [datum 3] 2007. Eisers stellen de Syrische nationaliteit te hebben.
Verweerder heeft op 27 februari 2023 op de aanvraag beslist. Eisers hebben hiertegen op 24 maart 2023 bezwaar gemaakt en op 15 maart 2024 een beroep ingediend wegens het niet tijdig beslissen op hun bezwaar. Bij uitspraak van 15 mei 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen vier weken een besluit te nemen. Met het bestreden besluit van 17 juli 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben referente, de gemachtigde van eisers, mw. [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Vrijstelling griffierecht
3. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Bij brief van 4 september 2024 heeft de rechtbank dit verzoek voorlopig toegewezen. De rechtbank willigt het verzoek nu definitief in.
Beoordeling door de rechtbank
Relevante feiten en omstandigheden
4. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende relevante feiten en omstandigheden bij haar oordeel. Deze zijn niet in geschil tussen partijen. Referente is op achttienjarige leeftijd, in juni 2020, uit Syrië gevlucht wegens de oorlogssituatie aldaar. Het vertrek van referente heeft daarom een gedwongen karakter. Tot dat moment woonde zij in gezinsverband samen met eisers in Syrië. Referente heeft in verschillende doorreislanden verbleven: vier maanden in Turkije, één maand in Griekenland en acht en een halve maand in Servië. Referente is met een oudere nicht van haar moeder uit Syrië vertrokken en de nicht heeft referente ook in de doorreislanden begeleid. Referente is onder begeleiding van een andere volwassene vanuit Oostenrijk naar Nederland gereisd. Referente heeft in Turkije en Griekenland in een huurwoning gewoond samen met haar nicht. De huur heeft referente betaald met geleend geld van bekenden uit Syrië. Referente heeft niet gewerkt tijdens haar verblijf in de doorreislanden. Referente is in augustus 2021 Nederland binnengekomen. Referente woont niet zelfstandig in Nederland, ze heeft geen relatie en referente werkt ook niet in Nederland.
Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de vluchtsituatie is meegewogen in het bestreden besluit, maar dat dit ongelukkig staat geformuleerd. Verweerder gaat er dus vanuit dat referente destijds is gevlucht wegens de oorlogssituatie in Syrië.
Toetsingskader jongvolwassenenbeleid
5. De rechtbank stelt voorop dat in het beleid staat dat meerderjarige kinderen beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM uitoefenen met hun ouders zonder dat sprake moet zijn van bijkomende factoren van afhankelijkheid, als het meerderjarige kind:
- jongvolwassen is;
- met de ouder(s) in gezinsband samenleeft;
- niet in zijn eigen ouderhoud voorziet; en
- geen zelfstandig gezin heeft gevormd.
In Werkinstructie 2020/16 is de toepassing van dit jongvolwassenenbeleid door verweerder nader uitgewerkt. Daarin staat het volgende vermeld:
“Voor de beoordeling of de jongvolwassene met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleeft, is het moment van binnenkomst van de ouder(s) of de jongvolwassene in Nederland leidend en betrekt de IND ook uitdrukkelijk de gezinssituatie ten tijde van het vertrek van de ouder(s) of de jongvolwassene uit het land van herkomst (dan wel het land van bestendig verblijf). Daarnaast beoordeelt de IND of zich na binnenkomst van de ouder(s) of de jongvolwassene in Nederland omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat van samenleving in gezinsverband niet langer sprake is. Als de scheiding tussen de jongvolwassene en zijn ouder(s) een vrijwillig karakter heeft, wordt deze anders gewogen dan wanneer de scheiding een gedwongen karakter heeft. Van een gedwongen scheiding is bijvoorbeeld sprake bij een vluchtsituatie.”
Standpunt van verweerder
6. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard omdat hij vindt dat tussen referente en eiseres geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Referente voldoet namelijk niet aan de tweede en derde voorwaarde van het jongvolwassenbeleid. Verweerder neemt aan dat referente en eiseres hebben samengewoond in Syrië, maar dat hier sinds het vertrek in juni 2020 is geen sprake meer van is. Volgens verweerder heeft referente in de doorreislanden en in Nederland stappen naar zelfstandigheid gezet. Uit de verklaringen van referente blijkt dat zij zelfstandig een huishouding kan voeren. Gedurende de vlucht heeft zij zich staande gehouden met kant- en klare maaltijden. Referente heeft in het gehoor aangegeven dat zij graag zelfstandig wil wonen en dat zij op dit moment woont bij verschillende vriendinnen die zelfstandig wonen. Referente heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij financieel afhankelijk is van de moeder. Zij ontvangt leefgeld van het COa, en zij heeft niet aannemelijk gemaakt waarom zij niet in haar eigen onderhoud zou kunnen voorzien. Referente heeft juist verklaard dat haar moeder afhankelijk is van haar, en dat is geen situatie die valt onder het jongvolwassenenbeleid. Referente behoort daarom niet als jongvolwassene tot het gezin van eiseres. Daarnaast is er ook geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referente. Verweerder neemt wel gezinsleven aan in de zin van artikel 8 EVRM tussen eiser en referente, maar de belangenafweging valt uit in hun nadeel.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom referente niet onder het jongvolwassenenbeleid valt?
Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat referente niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid. Eisers betwisten het standpunt van verweerder dat referente stappen naar zelfstandigheid heeft gezet. Referente reisde steeds onder de begeleiding van een andere volwassene, het grootste deel van de tijd was dat haar nicht en het laatste deel van de reis was dat een andere bekende uit Syrië. Hieruit blijkt dat er steeds voor referente is gezorgd en dat zij zich niet moeiteloos en zelfstandig kan handhaven. Ook op financieel gebied kan referente zichzelf niet onderhouden. Zo betaalde referente de huur in Turkije en Griekenland met geleend geld, zij werkte niet en ook in Nederland werkt referente niet. Eisers wijzen er ook op dat referente jarenlang niet goed heeft gegeten omdat zij niet kon koken. Daarnaast zocht referente geen medische hulp toen zij die nodig had en heeft referente pas drie jaar na de statusverlening Nederlandse les kunnen krijgen, terwijl anderen dat vrijwel direct na hun statusverlening krijgen. Eisers verwijzen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 mei 2024 en een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 december 2025. Uit de uitspraak van de Afdeling blijkt dat als een meerderjarig kind alleen noodgedwongen de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om zichzelf staande te kunnen houden, dit niet kan worden aangemerkt als zelfstandig of moeiteloos handhaven. In genoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats heeft de rechtbank geconcludeerd dat aan een jongvolwassene die door een vluchtsituatie was gescheiden van zijn gezinsleden, niet kon worden tegengeworpen dat hij noodgedwongen de noodzakelijke stappen had ondernomen om zichzelf staande te houden. Nu referente alleen noodgedwongen de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om zichzelf staande te houden, mag dit haar niet door verweerder worden tegengeworpen, aldus eisers.
De rechtbank overweegt als eerst dat de Afdeling in haar uitspraak van 29 mei 2024 onder verwijzing naar de jurisprudentie van het EHRM heeft benadrukt dat de beoordeling of een meerderjarig kind als jongvolwassene kan worden aangemerkt een op het geval toegespitste beoordeling betreft. Hierbij dient verweerder specifiek rekening te houden met de bijzondere positie van vluchtelingen en subsidiair beschermden die een vluchtachtergrond hebben. Verweerder kan hiermee rekening houden door omstandigheden die maken dat een meerderjarig kind niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid, niet tegen te werpen als die omstandigheden alleen het gevolg zijn van een vluchtsituatie. Dit betekent volgens de Afdeling dat als een meerderjarig kind alleen noodgedwongen de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om zichzelf staande te kunnen houden, dat geen zelfstandig of moeiteloos handhaven is. Ook dient verweerder in zijn beoordeling van het vereiste dat het meerderjarig kind niet in zijn eigen onderhoud voorziet kenbaar betrekken wat betrokkenen aanvoeren als aanleiding en reden voor het voorzien in eigen onderhoud, ook als dit niet een vluchtgerelateerde omstandigheid is. Dit type omstandigheid kan namelijk ook informatie geven voor het antwoord op de vraag of het meerderjarig kind daadwerkelijk financieel onafhankelijk is van zijn ouder(s).
Daarnaast overweegt de rechtbank met betrekking tot de toetsingsintensiteit van het jongvolwassenenbeleid het volgende. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 29 mei 2024 geoordeeld dat de rechtbank volledig mag toetsen welke omstandigheden verweerder had moeten betrekken bij de beoordeling of familie- of gezinsleven bestaat en of zijn motivering deugdelijk is. De rechtbank moet echter de uitkomst van die beoordeling met enige terughoudendheid toetsen, omdat die uitkomst volgt uit een weging van omstandigheden. De rechtbank mag dus benoemen welke omstandigheden verweerder volgens haar niet kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken en benoemen voor welke omstandigheden verweerder moet motiveren waarom hij die omstandigheden relevant heeft geacht.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat referente niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid. De rechtbank kan de motivering van verweerder dat referente zich zelfstandig en zonder moeite kan handhaven én in haar eigen levensonderhoud voorziet, niet volgen. Daarbij betrekt de rechtbank dat het peilmoment het moment van binnenkomst is van referente in Nederland en dat dit moment leidend is. De rechtbank begrijpt niet hoe verweerder de omstandigheden dat referente in Griekenland en Turkije in een huurwoning heeft verbleven en dat zij de huur en haar levensonderhoud heeft betaald van geld dat zij had geleend van personen uit Syrië, uitlegt als omstandigheden die wijzen op stappen naar zelfstandigheid en het zich moeiteloos kunnen handhaven. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft verweerder in het verweerschrift verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 29 oktober 2024. In deze uitspraak ging het echter om een geheel andere situatie, omdat die referent al zeven jaar niet meer in gezinsverband samenleefde, hij al twee jaar fulltime in Turkije werkte, met zijn zelf verdiende geld in zijn eigen levensonderhoud kon voorzien, hij geld spaarde voor zijn familie en ook in Nederland een baan had. Deze situatie verschilt wezenlijk met die van referente in de onderhavige zaak: referente woonde immers niet zelfstandig in de doorreislanden maar onder begeleiding van een nicht, referente betaalde de huur van geleend geld en referente heeft niet in haar eigen levensonderhoud voorzien met zelf verdiend geld. Ook in Nederland heeft referente niet gewerkt en leidt zij geen zelfstandig leven. De rechtbank kan dan ook niet volgen dat verweerder het afhandelen van praktische zaken, zoals inschrijvingen voor taallessen, dat zij zelf belt met Vluchtelingenwerk Nederland en het COa en achter een vergoeding voor haar treinkaartje is aangegaan, ziet als bewijs voor het moeiteloos en zelfstandig kunnen handhaven. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat referente de noodzakelijke stappen heeft genomen om zichzelf staande te kunnen houden. Verweerder heeft niet draagkrachtig gemotiveerd dat de hierboven geschetste omstandigheden blijk geven van zelfstandig of moeiteloos handhaven.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van vier weken.
Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (€ 934,- per punt met wegingsfactor 1). Er bestaat geen aanleiding voor het vergoeden van het griffierecht omdat eisers hiervan zijn vrijgesteld.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 17 juli 2024;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van een bedrag van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Nederpel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.