RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.60939
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Hanna),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 9 september 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 13 oktober 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van vreemdelingenbewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak deze rechtbank en zittingsplaats van 16 september 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het sluiten van dat onderzoek op 16 september 2026.
3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en dat er geen zicht op uitzetting op korte termijn is.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser naar Duitsland. Op 21 september 2026 heeft Duitsland het overnameverzoek op grond van de Asiel en Migratiebeheerverordening geaccepteerd en op basis daarvan is op 1 oktober 2026 een overdrachtsbesluit genomen. Op 6 oktober 2026 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de overdracht van eiser aan Duitsland gepland staat op 16 oktober 2026. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder meer of andere uitzettingshandelingen had moeten verrichten.
5. De beroepsgrond dat er geen zicht op uitzetting op korte termijn is slaagt niet. De maatregel van vreemdelingenbewaring is gebaseerd op artikel 59a van de Vw, waarbij uitzetting in de zin van terugkeer naar het land van herkomst niet aan de orde is.
6. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de vreemdelingenbewaring onrechtmatig is.
7. Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 15 oktober 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.