RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4145
(gemachtigde: mr. A.W. IJland),
en
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop
Bij besluit van 29 december 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Als tolk is verschenen M. Ates. Eisers gemachtigde heeft zich afgemeld voor de zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij is geboren [geboortedatum] .
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Eiser betoogt dat de grensdetentie onrechtmatig voortduurt, met name omdat hij in verleden gedetineerd heeft gezeten in Turkije. In die context dienen de omstandigheden in het Justitieel Complex Schiphol (JCS) mee te wegen. Die hebben een strafrechtelijk karakter en dat maakt het voortduren van de grensdetentie voor eiser onevenredig bezwarend. In dat verband verzoekt eiser de rechtbank een bewijsopdracht te verstrekken aan de minister, om de preliminaire observaties te verstrekken die het European Committee for the Prevention of Torture (CPT) aan de Nederlandse autoriteiten heeft verstrekt na het bezoek aan o.a. het JCS tussen 6 en 17 oktober 2025. De preliminaire observaties zijn relevant voor de beoordeling van dit beroep omdat deze betrekking hebben op de omstandigheden waaronder eiser is gedetineerd, welke het onderwerp van dit beroep vormen.
De rechtbank stelt voorop dat het JCS vooralsnog moet worden gezien als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie. In dat verband wijst de rechtbank op de prejudiciële vragen die deze rechtbank daarover heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ). Zoals ook gecommuniceerd in het persbericht bij die verwijzingsbeslissing is de rechtbank in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen van oordeel dat detentie van asielzoekers op JCS is toegestaan, in lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 februari 2025.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de minister te gelasten de preliminaire observaties van het CPT te overleggen in deze procedure. De minister heeft ter zitting toegelicht dat deze observaties niet openbaar zijn omdat het CPT daarvoor (nog) geen toestemming heeft gegeven en ook omdat op de observaties nog moet worden gereageerd door de lidstaat. De rechtbank volgt de minister in zijn betoog dat de uiteindelijke conclusies van het CPT moeten worden afgewacht, omdat deze, gelet op voorgaande anders zouden kunnen luiden dan de voorlopige observaties.
De rechtbank begrijpt dat de detentie eiser zwaar valt, maar ziet in het enkele feit dat eiser in het verleden gedetineerd heeft gezeten geen aanleiding om het voortduren van de grensdetentie onevenredig bezwarend te achten.
4. Ter zitting heeft eiser verder aangevoerd dat de omstandigheden in het JCS onmenselijk zijn. Eiser wilde een dokter zien, maar dat kon niet en er wordt in de nachten met opzet koude lucht in de cel geblazen. Ook het eten is slecht volgens eiser. Hij stelt al 40 klachten te hebben ingediend, maar daar nog geen reactie op te hebben gehad.
Voor zover eiser hiermee bedoelt te betogen dat het voortduren van de grensdetentie ook om die reden onevenredig bezwarend moet worden geacht, is de rechtbank van oordeel dat deze beroepsgrond evenmin slaagt. Desgevraagd heeft eiser ter zitting verklaard dat hij wél een dokter heeft gesproken, nadat hij zelf op die dokter was afgestapt. Daarbij is hem verteld dat hij niets mankeert. Dat eiser het daar niet mee eens is maakt het voortduren van de grensdetentie niet onevenredig bezwarend. Verder is het aan eiser om bij de klachtencommissie te informeren naar de afhandeling van zijn ingediende klachten. In dat verband heeft de gemachtigde van de minister ter zitting toegezegd dat ook de regievoerder met eiser daarover in gesprek zal gaan. Ook hierin ziet de rechtbank dus geen aanleiding het voortduren van de grensdetentie onevenredig bezwarend te achten.
5. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets waartoe de rechtbank is gehouden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat opleggen of voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.