ECLI:NL:RBDHA:2026:30375

ECLI:NL:RBDHA:2026:30375

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-10-2026
Datum publicatie 15-10-2026
Zaaknummer NL26.59700
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Vreemdelingenbewaring; artikel 59a Vw; ophouding; kennisgeving; ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.59700

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J. van Appia),

en

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 2 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

1. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening(AMbV). In de AMbV staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

2. Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMbV indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

3. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.

Voortraject

4. Eiser stelt dat sprake is van een gebrek in het voortraject. Volgens eiser is er een overschrijding van de ophoudingstermijn, zoals ook is opgenomen in de maatregel van vreemdelingenbewaring. Hierin staat dat de maatregel is opgelegd na de verstrijking van de maximale termijn van ophouding. Volgens eiser is daarmee artikel 50, derde lid, van de Vw geschonden.

5. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat eiser op 1 oktober 2026 om 19:15 uur door de politie is aangehouden omdat hij niet heeft voldaan aan de verplichting zijn identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden. Eiser is op diezelfde dag om 21:34 uur, aansluitend op zijn strafrechtelijke heenzending, overgenomen en opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. Op 2 oktober 2026 om 09:05 uur is eiser gehoord. Om 10:56 uur is hem de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. De ophouding heeft daarmee minder dan zes uur geduurd, waarbij de tijd tussen middernacht en 09:00 uur buiten beschouwing wordt gelaten. De vermelding in de maatregel dat de ophoudingstermijn is overschreden berust - wat daar ook van zij - op een onjuiste feitelijke grondslag. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Kennisgeving

6. De rechtbank merkt ambtshalve het volgende op. Verweerder heeft de maatregel op 2 oktober 2026 om 10:56 uur opgelegd en de rechtbank pas op 7 oktober 2026 om 11:14 uur daarvan in kennis gesteld. Daarmee is de in artikel 94, eerste lid, Vw neergelegde verplichting geschonden. De kennisgeving is ruim vijf dagen na oplegging van de maatregel gedaan. Dit gebrek maakt de vreemdelingenbewaring niet zonder meer onrechtmatig. Daarvoor is een belangenafweging vereist. Daarbij moet worden betrokken dat de overschrijding aanzienlijk is, of eiser hierdoor in zijn verdediging is geschaad en of de rechtbank nog binnen de wettelijke termijn uitspraak kan doen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een aanzienlijke overschrijding van de termijn waarbinnen verweerder een kennisgeving dient te versturen aan de rechtbank. In dit geval valt echter de belangenafweging uit in het voordeel van verweerder. De rechtbank kan nog binnen de wettelijke termijn van 15 dagen na oplegging van de maatregel uitspraak doen over de rechtmatigheid daarvan. Eiser krijgt dus tijdig een oordeel over de maatregel van bewaring. Verder is niet gebleken dat hij nadeel heeft ondervonden door de niet onverwijlde kennisgeving. De rechtbank ziet daarom in dit gebrek geen reden om de maatregel op te heffen.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

7. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMbV en een onderduikrisico bestaat.

In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de AMbV; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

8. Eiser voert aan dat verweerder niet met stukken heeft onderbouwd dat hij met onbekende bestemming is vertrokken en zich daarmee enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken.

9. De rechtbank stelt vast de gronden c, k, p, r en s die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, feitelijk juist zijn. De gronden zijn voldoende om de maatregel te kunnen dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

10. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 15 oktober 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.J. Govaers

Griffier

  • mr. M. Gasi

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand